Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBZLY:2010:BM3911

Instantie
Rechtbank Zwolle-Lelystad
Datum uitspraak
03-05-2010
Datum publicatie
10-05-2010
Zaaknummer
07/996562-07
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

artikel 13 Flora- en faunawet; bewuste en nauwe samenwerking; bewijs- en strafmaatmotivering

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK ZWOLLE - LELYSTAD

Sector Strafrecht - Meervoudige Economische Strafkamer

Parketnummer: 07.996562-07 (P)

Uitspraak: 03 mei 2010

VONNIS IN DE STRAFZAAK VAN:

het openbaar ministerie

tegen

(verdachte),

geboren op (geboortejaar),

wonende te (adres).

ONDERZOEK TER TERECHTZITTING

Het onderzoek ter terechtzitting heeft plaatsgevonden op 09 april 2009 en 19 april 2010.

De verdachte is op 19 april 2010 verschenen, bijgestaan door mr. E.J. Mare, advocaat te Groningen.

Als officier van justitie was aanwezig mr. A.L.A.H. de Muij.

TENLASTELEGGING

De verdachte is ten laste gelegd dat:

(Volgt tenlastelegging)

VOORVRAGEN

De rechtbank heeft vastgesteld dat de dagvaarding geldig is, dat zijzelf bevoegd is tot kennisneming van deze zaak, dat de officier van justitie ontvankelijk is in zijn vervolging en dat er geen redenen zijn voor schorsing van de vervolging.

BEWIJSMOTIVERING

Het standpunt van het openbaar ministerie

De officier van justitie heeft gevorderd dat verdachte ter zake het onder 1 tot en met 4 ten laste gelegde zal worden veroordeeld.

Het standpunt van de verdediging

De raadsman van verdachte heeft gesteld dat het onder 1, 2 en 4 ten laste gelegde wettig en overtuigend kan worden bewezen.

Met betrekking tot het onder 3 ten laste gelegde heeft de raadsman gesteld dat de rol van zijn cliënt hooguit als medeplichtigheid kan worden gekwalificeerd en niet als medeplegen.

Het oordeel van de rechtbank

De rechtbank overweegt, op grond van de hierna in voetnoten vermelde bewijsmiddelen , het navolgende.

Het onder 1 ten laste gelegde.

Verdachte heeft bij de politie verklaard dat hij op 4 mei 2007 te Spanga samen met medeverdachten (naam medeverdachte 1) en (naam medeverdachte 2) onrechtmatig 4 eieren uit een ooievaarsnest in de vrije natuur, gebouwd op een windmolentje, heeft gehaald . Verdachte heeft bij de politie verklaard dat hij in het molentje is geklommen en de eieren uit het nest heeft gelicht. Daarvoor in de plaats heeft hij een ganzenei neergelegd . Medeverdachte (naam medeverdachte 2) heeft ter terechtzitting d.d. 20 april 2010 verklaard dat hij als chauffeur is opgetreden en zijn medeverdachten naar de plek heeft gebracht waar de ooievaar aan het broeden was. Voorts heeft (naam medeverdachte 2) verklaard dat hij degene is geweest die op het idee kwam een ganzenei neer te leggen .

Het onder 2 ten laste gelegde.

Verdachte heeft bij de politie verklaard dat hij op 5 mei 2007, samen met medeverdachten (naam medeverdachte 1) en (naam medeverdachte 2), bij Tuk is geweest om onrechtmatig een nest van lepelaars in de vrije natuur leeg te halen . Medeverdachte (naam medeverdachte 1) heeft 12 eieren en 2 jongen uit het nest gehaald . Medeverdachte (naam medeverdachte 2) heeft zijn medeverdachten met de auto naar de betreffende plek gebracht en ze later weer opgehaald . De eieren zijn de volgende dag aan medeverdachte (naam medeverdachte 3) gegeven om ze uit te broeden .

Het onder 3 ten laste gelegde.

Medeverdachten (naam medeverdachte 1) en (naam medeverdachte 3) hebben bij de politie verklaard dat zij samen op 14 mei 2007 bij Eemshaven onrechtmatig nesten in de vrije natuur van de bontbekplevier hebben leeggehaald . Na het leeghalen van de nesten, waarbij 4 a 5 eieren zijn weggenomen, zijn beide medeverdachten naar verdachte gereden alwaar zij, met medeweten van verdachte, de eieren in zijn broedmachine hebben geplaatst. Verdachte heeft bij de politie verklaard dat hij op de hoogte was van het feit dat het eieren betrof van de bontbekplevier .

Het onder 4 ten laste gelegde.

Verdachte heeft bij de politie en ter terechtzitting d.d. 19 april 2010 verklaard dat hij samen met medeverdachten (naam medeverdachte 1) en (naam medeverdachte 2) in de periode van 1 maart 2006 tot en met 12 juni 2007 te Huizinge, onrechtmatig 2 ooievaarskuikens uit een nest in de vrije natuur heeft meegenomen . Verdachte heeft de kuikens mee naar huis genomen. Medeverdachte (naam medeverdachte 2) heeft medeverdachte (naam medeverdachte 1) en verdachte naar de plek gereden omdat hij wist waar het nest zich bevond .

Met betrekking tot het onder 1 tot en met 4 ten laste gelegde is de rechtbank van oordeel dat de bekennende verklaringen van verdachte voldoende worden ondersteund door andere bewijsmiddelen. Verdachte was er van op de hoogte dat hij zich de eieren en jonge vogels uit de vrije natuur niet mocht toe-eigenen. Derhalve is de rechtbank van oordeel dat voornoemde feiten wettig en overtuigend bewezen kunnen worden verklaard.

Voorts heeft naar het oordeel van de rechtbank elke verdachte een significante bijdrage geleverd aan het plegen van de strafbare handelingen. Verdachte heeft onder andere een grote rol gespeeld in de uitvoering van de plannen. Zo heeft verdachte meerdere malen verklaard dat medeverdachte (naam medeverdachte 2) op aangeven van verdachte de auto voorreed teneinde de terugtocht vanaf de plaatsen delict te aanvaarden. Voorts heeft verdachte actief deelgenomen aan het leeghalen van een ooievaarsnest en de onrechtmatige toe-eigening van 2 ooievaarskuikens.

Met betrekking tot het onder 3 ten laste gelegde heeft verdachte de eieren van de bontbekplevier een nacht in zijn broedmachine gehad. De eieren waren daar door medeverdachten (naam medeverdachte 1) en (naam medeverdachte 3) in geplaatst. Op het moment dat deze eieren bij verdachte met diens wetenschap in de broedmachine waren geplaatst door medeverdachten (naam medeverdachte 1) en (naam medeverdachte 3) hadden zowel verdachte als zijn medeverdachten onrechtmatig eieren van een beschermde diersoort onder zich. Het verweer van de raadsman dat het onder zich hebben van de betreffende eieren medeplichtigheid en geen medeplegen oplevert verwerpt de rechtbank dan ook.

De rechtbank is van oordeel dat, gezien het voornoemde, verdachte voldoende nauw en bewust met zijn medeverdachten heeft samengewerkt zodat het medeplegen van voornoemde feiten eveneens wettig en overtuigend bewezen kan worden verklaard.

BEWEZENVERKLARING

De rechtbank acht derhalve wettig en overtuigend bewezen hetgeen de verdachte onder 1 tot en met 4 ten laste is gelegd, met dien verstande dat

1.

Hij op 4 mei 2007, te of bij Spanga, in de gemeente Weststellingwerf, tezamen en in vereniging met anderen, opzettelijk, eieren van dieren, behorende tot een beschermde inheemse diersoort, als bedoeld in artikel 4 van de Flora- en faunawet, te weten 4 eieren van de ooievaar (Ciconia ciconia) onder zich heeft gehad.

2.

Hij op 5 mei 2007 bij Tuk, in de gemeente Steenwijkerland, tezamen en in vereniging met anderen, opzettelijk, dieren en eieren van dieren behorende tot een beschermde inheemse diersoort, als bedoeld in artikel 4 van de Flora-en faunawet, te weten twee jongen van de lepelaar (Platalea leucorodia) en eieren van de lepelaar (Platalea leucorodia), onder zich heeft gehad.

3.

Hij in de periode van 14 mei 2007 tot en met 15 mei 2007 te Huizinge, in de gemeente Loppersum, tezamen en in vereniging met anderen, opzettelijk, eieren van dieren, behorende tot een beschermde inheemse soort, als bedoeld in artikel 4 van de Flora- en faunawet, te weten eieren van de bontbekplevier (Charadrius hiaticula) onder zich heeft gehad.

4.

Hij in de periode van 1 maart 2006 tot en met 12 juni 2007 te Huizinge, in de gemeente Loppersum, tezamen en in vereniging met anderen, opzettelijk, een dier behorende tot een beschermde inheemse diersoort, als bedoeld in artikel 4 en/of 5 van de Flora- en faunawet en/of de Bijlage A en/of B en/of C van de Verordening (EG) nr. 338/97, laatstelijk gewijzigd middels Verordening (EG) nr. 1332/2005, te weten, een ooievaar, heeft verworven en onder zich heeft gehad.

Van het onder 1 tot en met 4 meer of anders ten laste gelegde zal de verdachte worden vrijgesproken, aangezien de rechtbank dat niet wettig en overtuigend bewezen acht.

DE STRAFBAARHEID VAN HET FEIT

Het bewezene levert op:

1.

Medeplegen van overtreding van artikel 13 van de Flora- en faunawet, opzettelijk begaan,

strafbaar gesteld bij de artikelen 13 en 4 van de Flora- en faunawet en artikel 47 van het Wetboek van Strafrecht;

2.

Medeplegen van overtreding van artikel 13 van de Flora- en faunawet, opzettelijk begaan,

strafbaar gesteld bij de artikelen 13 en 4 van de Flora- en faunawet en artikel 47 van het Wetboek van Strafrecht;

3.

Medeplegen van overtreding van artikel 13 van de Flora- en faunawet, opzettelijk begaan,

strafbaar gesteld bij de artikelen 13 en 4 van de Flora- en faunawet en artikel 47 van het Wetboek van Strafrecht;

4.

Medeplegen van overtreding van artikel 13 van de Flora- en faunawet, opzettelijk begaan,

strafbaar gesteld bij de artikelen 13 en 4 en/of 5 van de Flora- en faunawet en artikel 47 van het Wetboek van Strafrecht.

Er zijn geen feiten of omstandigheden die de strafbaarheid van het bewezenverklaarde uitsluiten. Dit levert de genoemde strafbare feiten op.

DE STRAFBAARHEID VAN DE VERDACHTE

Er zijn ook geen feiten of omstandigheden die de strafbaarheid van de verdachte uitsluiten. De verdachte is derhalve strafbaar.

OPLEGGING VAN STRAF EN/OF MAATREGEL

Het standpunt van het openbaar ministerie

De officier van justitie heeft op grond van hetgeen hij bewezen heeft geacht gevorderd dat verdachte zal worden veroordeeld tot een werkstraf voor de duur van 80 uren, subsidiair 40 dagen hechtenis met aftrek van de door verdachte in voorarrest doorgebrachte periode.

Voorts heeft de officier van justitie gevorderd dat de in beslaggenomen ooievaar zal worden onttrokken aan het verkeer.

Het standpunt van de verdediging

De raadsman van verdachte heeft aangevoerd dat soortgelijke feiten vaak worden afgedaan in de transactiesfeer. Voorts is de raadsman van mening dat de rol van verdachte beperkt is geweest. Ook het grote tijdsverloop in deze zaak speelt volgens de raadsman mee in de straftoemeting. De raadsman heeft tevens aangevoerd dat zijn cliënt niet eerder voor soortgelijke feiten is veroordeeld en dat zijn cliënt het moeilijk heeft gehad met de hele gang van zaken. Derhalve heeft de raadsman een gevangenisstraf bepleit welke gelijk is aan de periode door zijn cliënt in voorlopige hechtenis doorgebracht alsmede eventueel een geldboete en een voorwaardelijke werkstraf.

Het oordeel van de rechtbank

Gelet op de aard en de ernst van het bewezen en strafbaar verklaarde, op de omstandigheden waaronder verdachte zich daaraan heeft schuldig gemaakt en op de persoon van verdachte, zoals van een en ander uit het onderzoek ter terechtzitting is gebleken, acht de rechtbank de na te noemen beslissing passend.

Verdachte heeft meegewerkt aan het leeghalen van nesten van beschermde vogels van verschillend pluimage. Verdachte was er van op de hoogte dat hij niet gerechtigd was de nesten van eieren en jonge vogels te ontdoen. Samen met zijn medeverdachten heeft verdachte puur en alleen ter bevrediging van de eigen behoefte fors ingegrepen in de natuurlijke omgeving van door de wet beschermde vogelsoorten. Daarbij heeft verdachte geen rekening gehouden met de schade die hij en zijn medeverdachten aan vogels en hun natuurlijke leefomgeving hebben aangebracht. De rechtbank rekent dit verdachte dan ook zwaar aan.

Verdachte heeft ter terechtzitting bepleit een vogelliefhebber te zijn maar heeft door zijn handelen die kwalificatie naar het oordeel van de rechtbank gelogenstraft.

Ondanks dat de rechtbank eveneens rekening zal houden met de omstandigheid dat een periode van 3 jaren is verstreken voordat de zaak inhoudelijk door de rechtbank is afgehandeld is de rechtbank in dit geval van oordeel dat een forse straf noodzakelijk is, omdat aard en ernst van het bewezen en strafbaar verklaarde door een lichtere strafrechtelijke afdoening van de zaak miskend zouden worden. Bijzondere omstandigheden die tot een ander oordeel zouden moeten voeren, acht de rechtbank niet aanwezig.

De oplegging van straf of maatregel is, behalve op de reeds aangehaalde wettelijke voorschriften, gegrond op de artikelen 22c, 22d, 27, 36b, 36c, 57 en 91 van het Wetboek van Strafrecht; de artikelen 1a, 2 en 6 van de Wet op de Economische delicten en artikel 1 sub b van bijlage 2 Bekendmaking lijsten beschermde inheemse diersoorten.

Beslag

De rechtbank is van oordeel dat het in het proces-verbaal en kennisgeving van inbeslagneming vermelde in beslag genomen voorwerp, te weten een ooievaar, dient te worden onttrokken aan het verkeer, omdat de ooievaar geheel door middel van het feit is verkregen en het ongecontroleerde bezit daarvan in strijd is met de wet.

BESLISSING

Het onder 1 tot en met 4 ten laste gelegde is bewezen zoals hiervoor aangegeven en levert de strafbare feiten op, zoals hiervoor vermeld. De verdachte is deswege strafbaar.

Het onder 1 tot en met 4 meer of anders ten laste gelegde is niet bewezen en de verdachte wordt daarvan vrijgesproken.

De rechtbank legt aan verdachte op een taakstraf, te weten de werkstraf tot het verrichten van onbetaalde arbeid gedurende 80 uren.

De rechtbank beveelt dat voor het geval de veroordeelde de taakstraf niet of niet naar behoren verricht de taakstraf wordt vervangen door 40 dagen hechtenis, althans een aantal dagen hechtenis dat evenredig is aan het niet verrichte aantal uren taakstraf.

De tijd, door verdachte voor de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in verzekering en voorlopige hechtenis doorgebracht, zal bij de tenuitvoerlegging van de opgelegde taakstraf in mindering worden gebracht, berekend naar de maatstaf van 2 uren taakstraf per dag.

Beslag

De rechtbank verklaart onttrokken aan het verkeer, de ooievaar.

Aldus gewezen door mr. G.P. Nieuwenhuis, voorzitter, mrs. A.J. Louter en M. van Loenen, rechters, in tegenwoordigheid van mr. S.A. van den Hoek als griffier en uitgesproken ter openbare terechtzitting van 03 mei 2010.

Mr. A.J. Louter voornoemd was buiten staat dit vonnis mede te ondertekenen.