Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBZLY:2010:BM3905

Instantie
Rechtbank Zwolle-Lelystad
Datum uitspraak
29-04-2010
Datum publicatie
10-05-2010
Zaaknummer
07/650026-10
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

- poging doodslag

- verweer ontbreken opzet

- bewijsmotivering

- strafmaatmotivering

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK ZWOLLE - LELYSTAD

Sector Strafrecht - Meervoudige Strafkamer

Parketnr. : 07.650026-10

Uitspraak: 29 april 2010

Vonnis in de zaak van:

het openbaar ministerie

tegen

(verdachte),

geboren op (geboortejaar)

wonende te (adres).

Het onderzoek ter terechtzitting heeft plaatsgevonden op 16 april 2010. De verdachte is verschenen, bijgestaan door mr. T.H.I.M. Pierik, advocaat te Zwolle.

De officier van justitie, mr. W. Ludwig, heeft ter terechtzitting gevorderd vrijspraak van verdachte terzake het primair ten laste gelegde en de veroordeling van verdachte terzake het subsidiair ten laste gelegde tot een gevangenisstraf van 4 maanden voorwaardelijk met een proeftijd van twee jaar met de bijzondere voorwaarde dat verdachte zich gedurende de proeftijd zal gedragen naar de voorschriften en aanwijzingen te geven door of namens de Reclassering Nederland, ook als die een behandeling in de forensische polikliniek De Tender of een soortgelijke instelling inhouden en verbeurdverklaring van het in beslag genomen hakmes.

TENLASTELEGGING

De verdachte is ten laste gelegd dat:

zij op of omstreeks 15 januari 2010 in de gemeente Zwolle ter uitvoering van het door verdachte voorgenomen misdrijf om opzettelijk (slachtoffer) van het leven te beroven, met dat opzet een mes in/op/tegen het lichaam van die (slachtoffer) heeft gegooid en/of met een mes in het lichaam van die (slachtoffer) heeft gestoken, terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid;

art 287 Wetboek van Strafrecht

art 45 lid 1 Wetboek van Strafrecht

althans, indien het vorenstaande onder 1 niet tot een veroordeling mocht of zou

kunnen leiden:

zij op of omstreeks 15 januari 2010 in de gemeente Zwolle aan een persoon genaamd

((slachtoffer)), opzettelijk zwaar lichamelijk letsel (steekwond in de zij, waaraan die (slachtoffer) direct geopereerd moest worden), heeft toegebracht, door deze opzettelijk met een mes in/op/tegen het lichaam te gooien en/of met een mes in het lichaam te steken;

art 302 lid 1 Wetboek van Strafrecht

althans, indien het vorenstaande onder 1 niet tot een veroordeling mocht of zou kunnen leiden:

zij op of omstreeks 15 januari 2010 in de gemeente Zwolle ter uitvoering van het door verdachte voorgenomen misdrijf om aan een persoon genaamd (slachtoffer), opzettelijk zwaar lichamelijk letsel toe te brengen, met dat opzet een mes in/op/tegen het lichaam van die (slachtoffer) heeft gegooid en/of met een mes in het lichaam van die (slachtoffer) heeft gestoken, terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid;

art 302 lid 1 Wetboek van Strafrecht

art 45 lid 1 Wetboek van Strafrecht

BEWIJS

Opzet

De rechtbank verwerpt het door de raadsman gevoerde verweer dat verdachte terzake het ten laste gelegde feitencomplex op geen enkele wijze opzet heeft gehad om (slachtoffer) van het leven te beroven of zwaar lichamelijk letsel toe te brengen (dan wel een poging daartoe).

De rechtbank is van oordeel dat mag worden geconcludeerd dat het opzet van verdachte om (slachtoffer) van het leven te beroven naar objectieve maatstaven aanwezig is geweest. Immers, uit de gebezigde bewijsmiddelen is komen vast te staan dat verdachte tijdens een ruzie opzettelijk een hakmes, waarvan het lemmet 25 cm was, in een bovenhandse beweging met kracht in de richting van de woonkamer heeft gegooid, terwijl zij wist dat zich daar op dat moment haar echtgenoot bevond. Naar eigen zeggen bevond hij zich toen op een afstand van ongeveer 3 meter van haar.

Verdachte heeft weliswaar verklaard dat zij haar man niet kon zien toen zij het mes gooide omdat hij zich achter een muur in de woonkamer zou bevinden, maar de rechtbank acht dit om de navolgende reden niet geloofwaardig:

Aanvankelijk stond verdachte in de (open) keuken voor het aanrecht met haar rug naar de woonkamer, maar op het moment dat zij het mes gooide had zij zich - naar eigen zeggen - omgedraaid. Volgens verdachte heeft zij haar man gezegd dat hij weg moest gaan, welke mededeling zij vergezeld liet gaan van een (bovenhands) wegwerpgebaar. Naar het oordeel van de rechtbank is het onaannemelijk dat verdachte ter onderstreping van haar woorden een handgebaar zou maken als degene voor wie de woorden bedoeld zijn dit gebaar niet zou kunnen zien.

Het slachtoffer heeft verklaard dat hij op het moment dat verdachte het mes naar hem gooide naar de keuken liep en dat hij zich op ongeveer 2 meter afstand van verdachte bevond toen het mes hem raakte. De rechtbank concludeert mede aan de hand van de ter terechtzitting door de verdediging overgelegde foto’s dat het slachtoffer voor verdachte zichtbaar moet zijn geweest op het moment dat verdachte het wegwerpgebaar maakte.

Naar het oordeel van de rechtbank is in deze niet relevant of verdachte twee danwel drie meter van het slachtoffer afstond, aangezien beide afstanden zich bevinden binnen de afstand die naar algemene ervaringsregels nodig is om een mes na het (in woede) bovenhands gooien ervan op de grond terecht te doen komen. Het slachtoffer, dat in de werprichting stond, werd dan ook door het hakmes in de linkerzij getroffen, waardoor hij ernstig werd gewond. Door een hakmes van een dusdanige lengte op een dergelijke wijze te hanteren heeft verdachte naar het oordeel van de rechtbank willens en wetens de aanmerkelijke kans aanvaard dat zij het slachtoffer dodelijk zou verwonden. De rechtbank acht daarmee bewezen dat verdachte op voren omschreven wijze opzet heeft gehad op de (poging tot) doodslag.

De rechtbank acht aldus wettig en overtuigend bewezen hetgeen de verdachte primair ten laste is gelegd, met dien verstande dat:

zij op 15 januari 2010 in de gemeente Zwolle ter uitvoering van het door verdachte voorgenomen misdrijf om opzettelijk (slachtoffer) van het leven te beroven, met dat opzet een mes tegen het lichaam van die (slachtoffer) heeft gegooid, terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid;

Van het primair meer of anders ten laste gelegde zal de verdachte worden vrijgesproken, aangezien de rechtbank dat niet wettig en overtuigend bewezen acht.

STRAFBAARHEID

Het bewezene levert op:

Primair: Poging tot doodslag, strafbaar gesteld bij artikel 287 juncto artikel 45 van het Wetboek van Strafrecht.

De verdachte is deswege strafbaar, nu geen feiten of omstandigheden gebleken zijn die die strafbaarheid zouden opheffen of uitsluiten.

OPLEGGING VAN STRAF OF MAATREGEL

Gelet op de aard en de ernst van het bewezen en strafbaar verklaarde, op de omstandigheden waaronder verdachte zich daaraan heeft schuldig gemaakt en op de persoon van verdachte, zoals van een en ander uit het onderzoek ter terechtzitting is gebleken, acht de rechtbank de na te noemen beslissing passend.

Hoewel de rechtbank van oordeel is dat bij feiten als de onderhavige in beginsel een onvoorwaardelijke gevangenisstraf op haar plaats is, zal zij deze thans - gelet op het feit dat het slachtoffer geen aangifte heeft willen doen en verdachte de zorg heeft over twee jonge kinderen (3 en 5 jaar oud) - slechts voorwaardelijk opleggen.

De rechtbank heeft zich er tevens rekenschap van gegeven dat verdachte niet eerder voor strafbare feiten is veroordeeld.

De rechtbank acht voorts geen termen aanwezig om een verplicht reclasseringscontact op te leggen.

De rechtbank is van oordeel dat het op de lijst van in beslag genomen voorwerpen vermelde

hakmes dient te worden verbeurd verklaard, omdat het een aan verdachte toebehorend voorwerp betreft met behulp waarvan het feit is begaan.

Bij haar beslissing heeft de rechtbank rekening gehouden met:

een de verdachte betreffend uittreksel justitiële documentatie d.d. 9 maart 2010;

een de verdachte betreffend vroeghulp interventierapport d.d. 20 januari 2010 uitgebracht door de Reclassering Nederland, Regio Midden-Oost Nederland.

- een de verdachte betreffend reclasseringsadvies d.d. 12 april 2010, uitgebracht door de Reclassering Nederland.

De oplegging van straf of maatregel is, behalve op de reeds aangehaalde wettelijke voorschriften, gegrond op de artikelen 10, 14a, 14b, 14c, 14d, 27, 33 en 33a van het Wetboek van Strafrecht.

BESLISSING

Het primair ten laste gelegde is bewezen zoals hiervoor aangegeven en levert het strafbare feit op, zoals hiervoor vermeld. De verdachte is deswege strafbaar.

Het primair meer of anders ten laste gelegde is niet bewezen en de verdachte wordt daarvan vrijgesproken.

De rechtbank veroordeelt de verdachte tot een gevangenisstraf voor de duur van

4 (vier) maanden.

De tijd, door de verdachte vóór de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in verzekering en voorlopige hechtenis doorgebracht, zal bij de eventuele tenuitvoerlegging van de opgelegde gevangenisstraf in mindering worden gebracht.

De gevangenisstraf zal niet worden ten uitvoer gelegd, tenzij de rechter later anders mocht gelasten op grond dat de verdachte zich voor het einde van een proeftijd van twee jaar aan een strafbaar feit heeft schuldig gemaakt.

De rechtbank verklaart verbeurd een hakmes, voorwerpnummer: 04005014-2010005296-55277.

Het (geschorste) bevel tot voorlopige hechtenis wordt opgeheven.

Aldus gewezen door mr. H.H.J. Harmeijer, voorzitter, mrs. G.P. Nieuwenhuis en

S.M. Milani, rechters, in tegenwoordigheid van W.F. Grotenhuis als griffier en uitgesproken ter openbare terechtzitting van 29 april 2010.

Mr. Harmeijer was buiten staat dit vonnis mede te ondertekenen.