Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBZLY:2010:BM3411

Instantie
Rechtbank Zwolle-Lelystad
Datum uitspraak
07-04-2010
Datum publicatie
11-05-2010
Zaaknummer
158104 - HA ZA 09-756
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Hoever strekt de garantietoezegging van Rabobank tegenover Eneco met betrekking tot de betaling van de energiekosten van een door Rabobank gefinancierde onderneming?

Door uitleg van de overeenkomst komt de rechtbank tot het oordeel dat Rabobank behalve de maandelijke (voorschot-) facturen ook de eindafrekening moet betalen.

Verplichting van Rabobank is niet tenietgegaan door dwangaccoord, nu het dwangaccoord alleen de vennoten en niet de v.o.f. betreft.

Wetsverwijzingen
Burgerlijk Wetboek Boek 7
Burgerlijk Wetboek Boek 7 851
Faillissementswet
Faillissementswet 287a
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
JIN 2010/474
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

vonnis

RECHTBANK ZWOLLE-LELYSTAD

Sector civiel recht

zaaknummer / rolnummer: 158104 / HA ZA 09-756

Vonnis van 7 april 2010

in de zaak van

de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid

ENECO BUSINESS B.V.,

gevestigd te Rotterdam,

eiseres,

advocaat mr. R.K.E. Buysrogge, te Zwolle,

tegen

de coöperatie

COÖPERATIEVE RABOBANK NOORDOOSTPOLDER-URK U.A.,

gevestigd te Emmeloord,

gedaagde,

advocaat mr. H.K. Scholtens, te Emmeloord.

Partijen zullen hierna Eneco en Rabobank genoemd worden.

1. De procedure

Het verloop van de procedure blijkt uit:

- de dagvaarding met producties

- de conclusie van antwoord met producties

- de conclusie van repliek

- de conclusie van dupliek.

2. De feiten

2.1. In 2006 is [A] v.o.f. te Marknesse (hierna: [A]) in financiële problemen gekomen als gevolg van verlieslatende exploitatie. Rabobank heeft eind 2006 de kredietfacilteit van [A] opgezegd. De schuldpositie werd per 1 januari 2007 bevroren en er werden geen nieuwe verplichtingen aangegaan anders dan met toestemming van de Rabobank.

2.2. In oktober 2006 heeft [A] een zogenaamde relatiekaart van haar energieleverancier Eneco ingevuld, waarop zij heeft aangegeven dat zij in 2007 een verbruik verwacht van 1.300.000 m3 gas.

2.3. Bij de bedrijfsbeëindiging werd [A] geadviseerd Fomab B.V. te Oegstgeest. Ten einde het bedrijf going concern te kunnen verkopen heeft Fomab aan Eneco bij brief van 19 januari 2007 verzocht de levering van energie voort te zetten. In deze brief staat onder meer vermeld:

“(…) Inmiddels kan ik u melden dat Rabobank (hypotheek- en pandhouder) akkoord is met het voldoen van de lopende verplichtingen vanaf januari 2007; vooralsnog tot en met 31 maart 2007. (…)

Wij vertrouwen erop dat u, op basis van de door de Rabobank afgegeven garantie om de lopende verplichtingen vanaf 1 januari 2007 te zullen voldoen, uw leveringen en diensten voort zal zetten, voor zover daarom door [A] VOF wordt verzocht.”(…)”.

2.4. Op 24 januari 2007 schrijft Rabobank Eneco:

“(…) Vooralsnog zal de exploitatie van het bedrijf worden voortgezet waarbij de bank zich garant stelt voor de afname van energie (gas en electra) vanaf 1 januari 2007. Wij verzoeken u op maandbasis te factureren en ons een kopie van deze factuur toe te sturen zodat wij kunnen toezien op de afwikkeling van deze garantie.(…)”

Op 4 september 2007 vervolgt zij:

“(…) Onder verwijzing van ons telefonisch onderhoud van heden bevestig ik u, dat de exploitatie van het bedrijf per 1-9-2007 wordt gestaakt.

Vanaf die datum tot 31 december 2007 is er nog gas en stroom nodig voor de instandhouding van de installaties. Voor de betaling daarvan staat de bank garant.(…)”

2.5. Eneco heeft in 2007 maandelijks facturen aan [A] gezonden, welke door Rabobank zijn voldaan.

2.6. Op 11 april 2008 heeft Eneco Rabobank een eindfactuur over 2007 ad EUR 32.022,33 gezonden en verzocht om betaling daarvan binnen zeven dagen. Rabobank heeft dat verzoek, ook na uitvoerige correspondentie daarover, afgewezen.

2.7. Op 9 januari 2009 hebben [A] en haar vennoten [B] en [C] de rechtbank verzocht (i) hen toe te laten tot de schuldsaneringsregeling en (ii) om een dwangakkoord op de voet van art. 287a Fw vast te stellen. Zij hebben een voorstel gedaan aan alle 25 schuldeisers tot betaling van 5 % van hun vordering ineens tegen finale kwijting. Bij vonnis van 3 februari 2009 heeft de rechtbank (i) [A] niet-ontvankelijk verklaard in haar verzoek en (ii) Eneco bevolen in te stemmen met het aangeboden schikkingsvoorstel (van de vennoten).

3. Het geschil

3.1. Eneco vordert na vermindering van eis samengevat en naar de rechtbank begrijpt- veroordeling van Rabobank tot betaling van EUR 30.421,21 als hoofdsom en EUR 1.158,-- voor buitengerechtelijke incassokosten, vermeerderd met rente en kosten.

3.2. Eneco legt aan haar vordering ten grondslag nakoming van de tussen haar en Rabobank gesloten overenkomst. Rabobank heeft zich bij brief van 24 januari 2007 garant gesteld voor de afname van energie (gas en electra) vanaf 1 januari 2007 en vervolgens de maandelijkse facturen van Eneco voldaan. Zij heeft ten onrechte de eindfactuur onbetaald gelaten. Daarvan is inmiddels 5% voldaan in het kader van het dwangakkoord. Rabobank dient het restant te voldoen op grond van de door haar gegeven garantie.

4. Het verweer

4.1. Rabobank bestrijdt dat zij Eneco nog iets verschuldigd is. Volgens haar valt het bedrag van de eindfactuur niet onder de door haar afgegeven garantie. Rabobank was bereid om vanaf 1 januari 2007 garant te staan voor de energielasten van [A], maar heeft uitdrukkelijk verzocht om maandelijks te factureren. Zij wilde zicht houden op de kosten en alleen betalen voor het daadwerkelijk gebruik. Rabobank mocht er in deze situatie, gelet ook op de tekst van de door haar afgegeven garantie, vanuit gaan dat hetgeen Eneco maandelijks aan [A] factureerde overeenkwam met hetgeen deze van het bedrijf te vorderen had.

4.2. Verder voert Rabobank aan dat de garantie met worden gekwalificeerd als borgtocht. Volgens haar is het dwangakkoord van artikel 287a Fw een buitengerechtelijk akkoord. Nu door dat akkoord de hoofdverbintenis is teniet gegaan, is ingevolge artikel 7:851 BW ook de verplichting van Rabobank als borg teniet gegaan.

5. De beoordeling

5.1. Eneco gaat er evenals Rabobank vanuit dat tussen partijen een overeenkomst van borgtocht tot stand is gekomen. Derhalve zal ook de rechtbank daar vanuit gaan.

5.2. Volgens Eneco heeft Rabobank zich garant gesteld voor de gehele energierekening, dus inclusief de vaste kosten, van [A] over 2007. Doordat Eneco op basis van het door [A] opgegeven verwachte verbruik van 1.300.000 m3 gas de vaste kosten heeft omgeslagen, terwijl het verbruik uiteindelijk veel lager bleek te zijn, heeft zij een herberekening moeten maken die heeft geresulteerd in de eindfactuur. Ook die factuur moet Rabobank dus voldoen.

Rabobank meent dat de door haar gegeven garantie niet verder strekt dan tot betaling van de maandfacturen.

Hetgeen Eneco en Rabobank zijn overeengekomen is vastgelegd in hun briefwisseling. Voor de uitleg van de overeenkomst is niet alleen de tekst van de briefwisseling bepalend maar ook wat zij in de gegeven omstandigheden, rekening houdend met hun maatschappelijke positie, redelijkerwijs over en weer van elkaar mochten verwachten. Voor Rabobank was het, ook voor Eneco onmiskenbaar, van belang dat zij zicht zou houden op de verplichtingen van [A]. Doch de rechtbank kan niet anders begrijpen dan dat Rabobank garant stond voor alle energiekosten, dus inclusief de vaste kosten, over 2007. Indien zij alleen had willen betalen voor het daadwerkelijk verbruik van [A], dus exclusief vaste kosten, dan had zij dat duidelijk dienen te bedingen, te meer daar niet dadelijk aannemelijk is dat Eneco op die voorwaarde energie had willen (blijven) leveren. Nu voorts energienota’s over het algemeen een voorschot karakter hebben en aan het eind van een periode moet worden afgerekend op basis van het werkelijk verbruik, had Rabobank rekening moeten houden met een eindafrekening. Het ware wellicht eleganter geweest indien Eneco Rabobank bij het afgeven van de garantie had gewezen op een mogelijke herberekening, maar nu het hier professionele partijen betreft verhindert het gebrek daaraan niet dat ook de eindafrekening onder de door Rabobank gegeven garantie valt.

5.3. In april 2007 heeft Eneco Rabobank verzocht de eindafrekening te voldoen. In confesso is dat [A] daar niet toe in staat was, zodat Rabobank als borg daartoe gehouden was. Buiten kijf is dat Rabobank niet tijdig aan het verzoek van Eneco heeft voldaan, zodat zij vanaf 19 april 2007 in verzuim was. Van een dwangakkoord was toen nog geen sprake.

Ten aanzien van het dwangakkoord roept de rechtbank in herinnering dat dit is gesloten tussen Eneco en de vennoten van [A]; [A] zelf is in haar vordering immers niet-ontvankelijk verklaard. Door het dwangakkoord is derhalve wèl de vordering van Eneco op de vennoten grotendeels te niet gegaan maar niet de vordering op (het afgescheiden vermogen van) de vennootschap.

Uit dit een en ander vloeit voort dat Rabobank alsnog de vordering van Eneco dient te voldoen.

5.4. Gelet op hetgeen hiervoor is overwogen kan hetgeen partijen verder te berde hebben gebracht buiten bespreking blijven.

5.5. Rabobank dient als de in het gelijk gestelde partij de inhoudelijk niet bestreden- buitengerechtelijke en proceskosten van Eneco te vergoeden. De rechtbank begroot de proceskosten op EUR 72,25 voor dagvaardingskosten, EUR 730,-- voor vast recht en EUR 1.158,-- voor advocaatkosten.

6. De beslissing

De rechtbank:

6.1. veroordeelt Rabobank tot betaling aan Eneco van EUR 30.421,21 te vermeerderen met de wettelijke handelsrente over dat bedrag vanaf 19 april 2007 tot de dag der algehele voldoening;

6.2. veroordeelt Rabobank voorts tot betaling aan Eneco van EUR 1.158,--;

6.3. veroordeelt Rabobank verder in de proceskosten, tot op heden aan de zijde van Eneco begroot op EUR 1.960,25;

6.4. verklaart dit vonnis tot zover uitvoerbaar bij voorraad;

6.5. wijst af hetgeen meer of anders is gevorderd.

Dit vonnis is gewezen door mr. J.H. Huijzer en in het openbaar uitgesproken op 7 april 2010.