Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBZLY:2010:BM3295

Instantie
Rechtbank Zwolle-Lelystad
Datum uitspraak
04-05-2010
Datum publicatie
04-05-2010
Zaaknummer
07.620299-08 (P)
Formele relaties
Hoger beroep: ECLI:NL:GHARN:2011:BP3620, (Gedeeltelijke) vernietiging en zelf afgedaan
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

openlijk geweld, Zilverpark, geen verband overlijden slachtoffer

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK ZWOLLE – LELYSTAD

Sector Strafrecht - Meervoudige Strafkamer

Parketnummer: 07.620299-08 (P)

Uitspraak: 4 mei 2010

VONNIS IN DE STRAFZAAK VAN:

het openbaar ministerie

tegen

[verdachte 1],

geboren op [geboortedatum] te [geboorteplaats],

GBA-adres: [adres],

thans zonder vaste woon- of verblijfplaats hier te lande.

1. HET ONDERZOEK TER TERECHTZITTING

Het onderzoek ter terechtzitting in eerste aanleg is aangevangen op 1 december 2009. Het inhoudelijke onderzoek ter terechtzitting heeft plaatsgevonden op 20 april 2010.

De rechtbank heeft kennisgenomen van de vordering van de officier van justitie, mr. S.J. Buis. De verdachte is telkens niet in persoon verschenen, maar is op 20 april 2010 ter terechtzitting verdedigd door mr. H. van der Ende, advocaat te Venlo, die heeft verklaard daartoe uitdrukkelijk te zijn gemachtigd.

2. DE TENLASTELEGGING

De verdachte is ten laste gelegd dat:

hij in of omstreeks de periode van 29 juli 2008 tot en met 30 juli 2008 in de gemeente Lelystad met een ander of anderen, op of aan de openbare weg, de Zilverparkkade en/of de Ziekenhuisweg, in elk geval of op aan een openbare weg, openlijk in vereniging geweld heeft gepleegd tegen [[slachtoffer], welk geweld bestond uit het meermalen, althans éénmaal, duwen en/of schoppen/trappen en/of stompen/slaan tegen het lichaam van die [slachtoffer] (terwijl die [slachtoffer] op de grond lag);

3. DE VOORVRAGEN

De rechtbank heeft vastgesteld dat de dagvaarding geldig is, dat zijzelf bevoegd is tot kennisneming van deze zaak, dat de officier van justitie ontvankelijk is in zijn vervolging en dat er geen redenen zijn voor schorsing van de vervolging.

4. DE BEWIJSMIDDELEN EN DE BEOORDELING DAARVAN

Vaststaande feiten

Op 2 augustus 2008 omstreeks 10.30 uur is in de vijver van het “Zilverpark” te Lelystad het stoffelijke overschot van een man aangetroffen. Het blijkt te gaan om de op 30 juli 2008 als vermist opgegeven [slachtoffer], geboren op [geboortedatum].

[slachtoffer] – arts en huisarts in opleiding en vader van twee jonge kinderen – verliet op 29 juli 2008 de woning van zijn ouders te Lelystad, maar keerde die avond niet terug.

Uit gesprekken met nabestaanden blijkt een aantal persoonlijke goederen niet bij het stoffelijke overschot aangetroffen te zijn. Het betreft onder meer een mobiele telefoon, een portemonnee, een I-pod en bankpassen.

De mobiele telefoon van [slachtoffer] betrof een Nokia type 2310, voorzien van het [telefoonnummer] en [IMEI-nummer].

Uit navraag van de historische printgegevens van het mobiele telefoonnummer en IMEI-nummer blijkt dat er op 1 augustus 2008 omstreeks 01.30 uur door nummer [telefoonnummer2] gebruik is gemaakt van het IMEI-nummer van de telefoon van [slachtoffer].

Gezien de staat van het stoffelijke overschot van [slachtoffer] en het gebruik van het IMEI-nummer is het zeer onwaarschijnlijk dat [slachtoffer] zelf op dat moment gebruik heeft gemaakt van zijn mobiele telefoon. Hieruit is afgeleid dat een ander persoon op dat moment gebruik heeft gemaakt van de mobiele telefoon van [slachtoffer].

Uit nader onderzoek naar het nummer [telefoonnummer2] is vastgesteld dat het telefoonnummer en dus waarschijnlijk ook de mobiele telefoon van [slachtoffer] zich bevinden in perceel [adres 2] te Lelystad. Op dit adres staat [verdachte 1] ingeschreven.

[verdachte 1] is op 3 augustus 2008 aangehouden. Daarna is de woning aan de [adres 2] te Lelystad doorzocht ter inbeslagname. In de woning is een mobiele telefoon met daarin het telefoonnummer [telefoonnummer2] aangetroffen en de mobiele telefoon van [slachtoffer].

Ten tijde van het binnentreden door de rechter-commi[medeverdachte 2] in de woning aanwezig.

Na de aanhouding van verdachte zijn – op grond van diverse verklaringen en bevindingen – de volgende medeverdachten aangehouden: [medeverdac[medeverdachte 3], [medeverdachte 2], [medeverdac[medeverdachte 4], [medeverdachte 5] en [medeverdachte 6].

Het staat vast dat [slachtoffer] diverse horecagelegenheden heeft bezocht op de avond van 29 juli 2008. Op het terras van ‘t Koetshuys heeft hij zich aangesloten bij een groepje jonge mannen, bestaande uit de getuigen [getuige 1], [getuige 2], [getuige 3] en medeverdachte [medeverdachte 5]. In gezelschap van deze groep is [slachtoffer] richting de Zilverparkkade gelopen.

Bij de Zilverparkkade is [slachtoffer] naar [getuige 4] gelopen en heeft haar been aangeraakt. Hierop heeft de vriend van [getuige 4] te weten [medeverdachte 4], [slachtoffer] een duw gegeven. [slachtoffer] is hierdoor gevallen. [slachtoffer] heeft zijn excuses aangeboden en is weggelopen langs de rand van de vijver. Een aantal jongens is naar [slachtoffer] toegerend. Over hetgeen hierna is voorgevallen lopen de verklaringen van getuigen en medeverdachten uiteen.

Het standpunt van het openbaar ministerie

De officier van justitie acht wettig en overtuigend bewezen dat verdachte het hem ten laste gelegde heeft begaan. De officier van justitie baseert zich daarbij op de verklaringen van [medeverdachte 3], [medeverdachte 4], [getuige 4] en [getuige 1]. Hoewel verdachte zijn bekennende verklaringen – dat hij het slachtoffer zou hebben geschopt – heeft ingetrokken acht de officier van justitie deze bekennende verklaring geloofwaardig.

Het standpunt van de verdediging

De raadsvrouw heeft bepleit verdachte vrij te spreken van het hem ten laste gelegde, aangezien er geen wettig en overtuigend bewijs voorhanden is. Verdachte heeft geen significante of wezenlijke bijdrage geleverd aan de openlijke geweldpleging.

Het gegeven dat de telefoon van het slachtoffer bij verdachte is aangetroffen levert geen bewijs dat verdachte heeft deelgenomen aan de openlijke geweldpleging.

Verdachte heeft een bekennende verklaring afgelegd. Aan deze verklaring kan geen waarde gehecht worden, aangezien verdachte zijn dagelijkse medicatie niet innam, afkickverschijnselen had en in de war was en het hem teveel was geworden. Het is aannemelijk dat verdachte later consequent terugkomt op deze bekennende verklaring.

Verdachte heeft consequent verklaard dat [medeverdachte 6], [medeverdachte 3] en [medeverdachte 4] achter het slachtoffer zijn aangegaan.

De verklaringen van [medeverdachte 3], [medeverdachte 4] en [getuige 1] zijn niet betrouwbaar. Alle getuigen leggen verschillende verklaringen af, waardoor niet te achterhalen is welke personen geweld jegens het slachtoffer hebben gebruikt. Daarbij komt dat [getuige 4] niet heeft verklaard dat zij heeft waargenomen dat er geschopt of geslagen is.

Het oordeel van de rechtbank

De rechtbank is van oordeel dat de verklaringen van de getuigen/medeverdachten niet zodanig onbetrouwbaar zijn door hun middelengebruik dat zij uitgesloten dienen te worden voor het bewijs. De rechtbank overweegt dat hoewel de medeverdachten/getuigen onder invloed waren van middelen dit niet van zodanige aard is geweest dat alles wat zij hebben verklaard is ingegeven door hun middelengebruik.

[getuige 4] heeft verklaard dat zij geen verdovende middelen heeft gebruikt. Hetgeen bevestiging vindt in de verklaring van [medeverdachte 4] dat [getuige 4] geen alcohol heeft gedronken of wiet heeft gerookt. Zoals hierna wordt aangeduid komen verschillende verklaringen met elkaar overeen hetgeen niet duidt op onbetrouwbaarheid wegens middelengebruik.

De door verdachte afgelegde verklaringen acht de rechtbank ongeloofwaardig, aangezien verdachte constant wisselende verklaringen heeft afgelegd. Daarbij komt dat verdachte verklaringen heeft afgelegd die aantoonbaar onjuist zijn. De bekennende verklaring van verdachte zal de rechtbank derhalve niet bezigen voor het bewijs.

De rechtbank overweegt echter het volgende. [medeverdachte 4] , [medeverdachte 3] , [getuige 4] en [getuige 1] hebben allen verklaard dat verdachte achter het slachtoffer is aangegaan. Niet aannemelijk is geworden dat zij hun verklaringen in strijd met de waarheid hebben afgelegd. De door hen afgelegde verklaringen komen op essentiële onderdelen met elkaar overeen, bovendien verklaren zij consistent. De rechtbank hecht derhalve geloof aan de door hen afgelegde verklaringen.

[medeverdachte 4] en [getuige 1] hebben beiden daarbij verklaard dat zij hebben gezien dat verdachte het slachtoffer heeft geslagen en geschopt. [medeverdachte 3] heeft verklaard dat verdachte bij de groep was die op het slachtoffer is gedoken en dat een van de jongens hem later vertelde dat zij het slachtoffer hadden geschopt en geslagen. De verklaring van [getuige 1] en [medeverdachte 3] ondersteunen derhalve de verklaring van [medeverdachte 4].

Op grond hiervan is de rechtbank van oordeel dat verdachte in vereniging geweld heeft gebruikt jegens het slachtoffer.

De rechtbank acht het aan verdachte ten laste gelegde derhalve wettig en overtuigend bewezen.

5. BEWEZENVERKLARING

De rechtbank acht wettig en overtuigend bewezen dat verdachte:

in de periode van 29 juli 2008 tot en met 30 juli 2008 in de gemeente Lelystad met anderen, op of aan de openbare weg, de Zilverparkkade en/of de Ziekenhuisweg, openlijk in vereniging geweld heeft gepleegd tegen [slachtoffer], welk geweld bestond uit het schoppen/trappen en stompen/slaan tegen het lichaam van die [slachtoffer] (terwijl die [slachtoffer] op de grond lag).

Van het meer of anders ten laste gelegde zal de verdachte worden vrijgesproken, aangezien de rechtbank dat niet wettig en overtuigend bewezen acht.

6. KWALIFICATIE

Het bewezene levert op:

openlijk in vereniging geweld plegen tegen personen, strafbaar gesteld bij artikel 141 van het Wetboek van Strafrecht.

7. STRAFBAARHEID

Het feit en de verdachte zijn strafbaar, nu geen feiten of omstandigheden gebleken zijn die die strafbaarheid zouden opheffen of uitsluiten.

8. DE STRAFOPLEGGING

De eis van de officier van justitie

De officier van justitie heeft ter terechtzitting van 20 april 2010, op grond van hetgeen hij bewezen acht, gevorderd verdachte te veroordelen tot een gevangenisstraf voor de duur van negen maanden, met aftrek overeenkomstig artikel 27 van het Wetboek van Strafrecht.

Het standpunt van de verdediging

Indien de rechtbank niet tot een vrijspraak van het ten laste gelegde concludeert, heeft de raadsvrouw bepleit verdachte te veroordelen conform de reeds door hem doorgebrachte tijd in voorlopige hechtenis. Deze tijd is in overeenstemming met de oriëntatiepunten straftoemeting.

Het oordeel van de rechtbank

De rechtbank merkt allereerst op dat de aanhoudingen van de verdachten is ingegeven door de mogelijke betrokkenheid van de verdachten bij de dood van [slachtoffer]. Deze betrokkenheid heeft de rechtbank echter op geen enkele manier kunnen vaststellen en is ook niet ten laste gelegd. De rechtbank realiseert zich terdege dat dit voor de nabestaanden uiterst onbevredigend is, maar zal bij het opleggen van de straf slechts rekening kunnen houden met vergelijkbare situaties waarin openlijk geweld is gepleegd door slaan en schoppen.

Gelet op de aard en de ernst van het bewezen en strafbaar verklaarde, op de omstandigheden waaronder verdachte zich daaraan heeft schuldig gemaakt en op de persoon van verdachte, zoals van een en ander uit het onderzoek ter terechtzitting is gebleken, acht de rechtbank de na te noemen beslissing passend.

Verdachte heeft zich met anderen op straat in Lelystad schuldig gemaakt aan het plegen van geweld tegen het [slachtoffer]. Een mogelijke aanleiding voor het tegen slachtoffer gebruikte geweld is wellicht gelegen in het gegeven dat het slachtoffer een meisje ongewenst heeft aangeraakt. Op deze aanraking heeft de vriend van het meisje gereageerd en heeft het slachtoffer zijn excuses aangeboden. Op dat moment bestond er volstrekt geen aanleiding om alsnog achter het slachtoffer aan te gaan en hem te mishandelen. Doordat verdachte zich op zodanige wijze heeft gedragen heeft hij bijgedragen aan zinloos en willekeurig geweld. Dit soort geweld leidt tot grote gevoelens van onveiligheid en onrust in de samenleving. Het is juist dit soort irrationeel geweld waardoor mensen angstig worden om zich ’s avonds en ’s nachts alleen op straat te begeven.

De rechtbank is in dit geval van oordeel dat een onvoorwaardelijke vrijheidsstraf noodzakelijk is, omdat aard en ernst van het bewezen en strafbaar verklaarde, door een lichtere strafrechtelijke afdoening van de zaak miskend zouden worden.

Bijzondere omstandigheden die tot een ander oordeel zouden moeten voeren, acht de rechtbank niet aanwezig.

Op de voet van artikel 63 van het Wetboek van Strafrecht brengt de rechtbank bij het opleggen van na te melden straf in rekening de straf die de verdachte bij vonnis van de kantonrechter Apeldoorn d.d. 28 augustus 2008 is opgelegd.

Bij haar beslissing heeft de rechtbank rekening gehouden met een de verdachte betreffend uittreksel justitiële documentatie d.d. 29 maart 2010.

9. TOEPASSELIJKHEID WETTELIJKE VOORSCHRIFTEN

De beslissing is gegrond op de artikelen 10, 27, 63 en 141 van het Wetboek van Strafrecht.

10. BESLISSING

De rechtbank:

verklaart, zoals hiervoor overwogen, wettig en overtuigend bewezen, dat verdachte het hem ten laste gelegde heeft begaan en verklaart verdachte derhalve strafbaar;

veroordeelt verdachte tot een gevangenisstraf voor de duur van 3 (drie) maanden;

bepaalt dat de tijd, door verdachte voor de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in verzekering en voorlopige hechtenis doorgebracht, bij de tenuitvoerlegging van de opgelegde gevangenisstraf in mindering zal worden gebracht.

Aldus gewezen door mr. G. Blomsma, voorzitter, mr. A.P. de Jong-de Goede en mr. H. den Haan, rechters, in tegenwoordigheid van mr. R.G. Dees, griffier en uitgesproken ter openbare terechtzitting van 4 mei 2010.

Mrs. A.P. de Jong-de Goede en R.G. Dees voornoemd waren buiten staat dit vonnis mede te ondertekenen.