Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBZLY:2010:BM2843

Instantie
Rechtbank Zwolle-Lelystad
Datum uitspraak
20-04-2010
Datum publicatie
29-04-2010
Zaaknummer
481169 CV 09-7608
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Civiele zaak. Bevoegdheidsincident. Nu het materieel belang van de vordering tot verdeling van de gemeenschap van goederen waarin partijen waren gehuwd onder de competentiegrens van € 5.000 blijft, is de kantonrechter bevoegd. Afwijkende opvatting ten opzichte van eerdere jurisprudentie.

Wetsverwijzingen
Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering (geldt in geval van digitaal procederen)
Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering (geldt in geval van digitaal procederen) 93
Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering (geldt in geval van digitaal procederen) 678
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
RFR 2010/93
JIN 2010/577
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK ZWOLLE - LELYSTAD

sector kanton - locatie Zwolle

zaaknummer : 481169 CV EXPL 09-7608

datum : 20 april 2010

Incidenteel vonnis in de zaak van:

[B],

wonende te [woonplaats],

gemachtigde mr. I.H.M. Leyten,

eisende partij in de hoofdzaak,

verwerende partij in het incident,

tegen

[M],

wonende te [woonplaats],

gemachtigde mr. C.H. Tjabringa,

gedaagde partij in de hoofdzaak,

eisende partij in het incident.

De procedure

De kantonrechter heeft kennisgenomen van:

- de dagvaarding

- de incidentele conclusie van eis

- de incidentele conclusie van antwoord.

Daarna is de uitspraak in het incident op vandaag bepaald.

Partijen worden hierna met [B] en [M] aangeduid.

Het geschil in het incident

[M] vordert dat de hoofdzaak wordt verwezen naar de sector civiel van deze rechtbank, welke vordering [B] bestrijdt.

De beoordeling in het incident

1.

[B] heeft [M] gedagvaard en vordert, kort samengevat, de vaststelling van de verdeling van de resterende gemeenschap van goederen waarin partijen waren gehuwd en betaling van het haar toekomende deel. Bij beschikking van deze rechtbank van 10 mei 2006 is de echtscheiding tus-sen partijen uitgesproken en zijn zij veroordeeld met elkaar tot verdeling van de gemeenschap van goederen over te gaan, voor zover aanwezig.

2.

Volgens [B] heeft de verdeling slechts gedeeltelijk plaatsgevonden en dient nog een aantal bankrekeningen te worden verdeeld. Volgens [B] is een bedrag van in totaal € 9.286,23 onver-deeld gebleven en zij vordert dat de verdeling overeenkomstig haar in de dagvaarding verwoor-de voorstel zal plaatsvinden en de veroordeling van [M] tot betaling aan haar van de helft van voornoemd bedrag. Eventueel kan dit bedrag wijzigen indien uit de door [M] te verstrekken gegevens blijkt dat een ander bedrag moet worden verdeeld.

3.

[M] is op grond van artikel 678 Rv. van mening dat uitsluitend de rechter die de verdeling heeft bevolen --hier de sector civiel recht van deze rechtbank-- bevoegd is de verdeling te gelasten of zelf vast te stellen.

[B] spreekt deze mening tegen.

4.

De kantonrechter oordeelt als volgt.

Artikel 678 Rv. luidt als volgt:

1. Indien de notaris partijen niet kan verenigen, constateert hij dit in een proces-verbaal, waarin hij desverlangd opgeeft op welke punten partijen reeds tot overeenstemming zijn gekomen.

2. Zolang geen volledige overeenstemming is bereikt, kan de meest gerede partij vorderen dat de rechter de wijze van verdeling gelast of zelf de verdeling vaststelt, dan wel wat overigens ter zake van hetgeen partijen verdeeld houdt, nodig mocht zijn.

3. Zolang hem geen afschrift van het in het eerste lid bedoelde proces-verbaal wordt overgelegd, kan de rechter op verlangen van elk der partijen de zaak aanhouden ten einde de notaris opnieuw gelegenheid te geven tot toepassing van het derde lid van het vorige artikel.

5.

De vraag is of artikel 678 Rv. een ten opzichte van artikel 93 Rv. afwijkende competentieregel bevat, in het bijzonder of ‘de rechter’ in artikel 678 Rv. dezelfde rechter is (moet zijn) als de rechter die de verdeling heeft bevolen. De kantonrechter beantwoordt die vraag ontkennend.

Artikel 93 Rv. wijst de kantonrechter als de bevoegde rechter aan, onder meer indien de vorde-ring niet meer bedraagt dan € 5.000,00 en, indien de vordering van onbepaalde waarde is, er duidelijke aanwijzingen bestaan dat de waarde van die vordering niet meer bedraagt dan € 5.000,00.

6.

In de onderhavige zaak vordert [B], kort gezegd, vaststelling van de verdeling en betaling, maar de waarde van die vorderingen tot vaststelling en tot betaling bedraagt minder dan € 5.000,00. Daarmee is de bevoegdheid van de kantonrechter gegeven. Artikel 678 Rv. bevat geen, ten op-zichte van de algemene regel van artikel 93 Rv. afwijkend competentievoorschrift. De wetstekst biedt daartoe geen aanknopingspunt. Ook valt niet in te zien om welke aanvaardbare reden de rechter die de verdeling van de gemeenschap heeft bevolen dezelfde is (moet zijn) als de rechter die in een later stadium, in een nieuwe procedure, de verdeling op de voet van artikel 678 Rv. moet vaststellen. In de beschikking van 10 mei 2006 is op de voet van artikel 677 Rv. de verde-ling bevolen; niet de wijze van verdeling. De sector civiel recht heeft zich inhoudelijk niet met de verdeling bezig gehouden, zodat het ook niet om proceseconomische redenen voor de hand ligt de zaak te verwijzen naar de sector civiel recht, indien dat op die grond al zou kunnen. De slotsom is dat het incident tevergeefs is opgeworpen.

Wel bestaat de mogelijkheid dat na een eventuele eisvermeerdering alsnog verwijzing naar de sector civiel recht moet plaatsvinden en wel op grond van artikel 95 Rv.

7.

De kantonrechter zal de zaak naar de hierna genoemde rolzitting verwijzen voor conclusie van antwoord in de hoofdzaak.

De beslissing omtrent de proceskosten zal worden aangehouden.

De beslissing

De kantonrechter:

1.

wijst de incidentele vordering af;

2.

verwijst de zaak naar de rolzitting van dinsdag 4 mei 2010 te 09.30 uur voor conclusie van antwoord in de hoofdzaak;

3.

houdt de beslissing omtrent de proceskosten aan.

Aldus gewezen door mr. C.H. de Haan, kantonrechter, en uitgesproken in de openbare te-rechtzitting van 20 april 2010, in tegenwoordigheid van de griffier.