Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBZLY:2010:BM2664

Instantie
Rechtbank Zwolle-Lelystad
Datum uitspraak
08-04-2010
Datum publicatie
28-04-2010
Zaaknummer
07/996540-07
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

-overmacht middels bedreiging

-strafmaatmotivering.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK ZWOLLE - LELYSTAD

Sector Strafrecht - Meervoudige Strafkamer

Parketnr. : 07.996540-07 en 07.993000-10

Uitspraak: 8 april 2010

Vonnis in de zaak van:

het openbaar ministerie

tegen

(verdachte),

geboren op (geboortejaar),

wonende te (adres).

Het onderzoek ter terechtzitting heeft plaatsgevonden op 24 september 2009, 24 december 2009 en 25 maart 2010. De verdachte is laatstelijk verschenen, bijgestaan door mr. M. de Jonge, advocaat te Apeldoorn.

De officier van justitie, mr. J.W. Bollen, heeft ter terechtzitting gevorderd de veroordeling van verdachte ter zake van het onder feit 1, 2, 3 primair en 4 ten laste gelegde (parketnummer 07.996540-07), alsmede terzake van het onder feit 1 en 2 ten laste gelegde (parketnummer 07.993000-10), rekening houdend met 9 ad informandum gevoegde feiten, tot een gevangenisstraf voor de duur van 18 maanden.

TENLASTELEGGING

De verdachte is ten laste gelegd dat:

(volgt tenlastelegging)

Ten gevolge van een kennelijke vergissing staat in de tenlastelegging met parketnummer 07.996540-07 in de elfde regel “Amserdam” in plaats van Amsterdam. Voorts is in de zaak met parketnummer 07.993000-10 in de tiende regel van onderen "alsof” in plaats van "dat" opgenomen. De rechtbank herstelt deze vergissingen door het laatste te lezen voor het eerste. Blijkens het onderzoek ter terechtzitting wordt de verdachte daardoor in de verdediging niet geschaad.

BEWIJS

De rechtbank acht wettig en overtuigend bewezen hetgeen de verdachte in de zaak met parketnummer 07.996540-07 onder 1, 2, 3 primair en 4, en in de zaak met parketnummer 07.993000-10 onder 1 en 2 ten laste is gelegd, met dien verstande dat:

1.

hij in de periode van 12 januari 2003 tot en met 27 september 2007 in de gemeente Lelystad en/of elders in Nederland, telkens één of meer kerkverklaringen, -elk zijnde een geschrift dat bestemd was om tot bewijs van enig feit te dienen- waaronder

- A: een verklaring, althans een geschrift (met het opschrift (naam kerk 1) te Amsterdam) gedateerd 12 januari 2003, en

- B: een verklaring, althans een geschrift (met het opschrift (naam kerk 2)Amsterdam) gedateerd 25 januari 2005, en

- C: een verklaring, althans een geschrift (met het opschrift (naam kerk 2)Amsterdam) gedateerd 25 januari 2006, en

- D: een verklaring, althans een geschrift (met het opschrift (naam kerk 3), (adres)) gedateerd 2 januari 2006, valselijk heeft opgemaakt, immers heeft verdachte telkens valselijk -zakelijk omschreven

- op die verklaring sub A. vermeld dat de kerkgenootschap (naam kerk 1) over het jaar 2002 aan kerkelijke bijdrage en andere giften een bedrag van 3.750 euro had ontvangen van (naam 1) te Amsterdam,

-op die verklaring sub B. vermeld dat in de maanden januari tot en met december 2004 een bedrag van 5.800 euro als giften/tienden was ontvangen van hem, verdachte,

-op die verklaring sub C. vermeld dat in de maanden januari tot en met december 2005 een bedrag van 2.150 euro aan giften/tienden was ontvangen van (naam 2),

-op die verklaring sub D. vermeld dat in de maanden januari tot juni 2006 een bedrag van 3.000 euro aan giften/tienden was ontvangen van (naam 3), zulks met het oogmerk om die geschriften als echt en onvervalst te gebruiken of door anderen te doen gebruiken;

2.

hij in de periode van 12 mei 2005 tot en met 16 april 2007, in de gemeente Lelystad en/of elders in Nederland, telkens opzettelijk (een) bij de Belastingwet voorziene aangifte(n) als bedoeld in de Algemene wet inzake rijksbelastingen, te weten (een) aangifte(n) voor de inkomstenbelasting/premie volksverzekering over de jaren 2004 en 2005 en 2006 op zijn, verdachtes, naam en/of op naam van (naam 2), onjuist en/of onvolledig heeft gedaan bij de Inspecteur der belastingen of de Belastingdienst te Zwolle en/of Heerlen en/of elders in Nederland, terwijl die feiten telkens ertoe strekten dat te weinig belasting werd geheven, hebbende die onjuistheid en/of onvolledigheid hierin bestaan, dat in genoemde aangiftebiljetten over die jaren telkens een te hoog bedrag aan loon en/of loonheffing en/of diverse bedragen aan aftrekposten waren vermeld;

3 primair:

hij in de periode van 1 januari 2004 tot en met 14 september 2007, in de gemeente Lelystad en/of elders in Nederland, telkens valselijk heeft opgemaakt aangifte(n) inkomstenbelasting en/of Voorlopige Teruggave Inkomstenbelasting/Premie Volksverzekering (over de jaren 2003 en/of 2004 en/of 2005 en/of 2006) op naam van (naam 4) en (naam 5) en (naam 6) en (naam 7) en (naam 8) en anderen, zijnde die aangiften en/of Voorlopige Teruggaven geschriften, bestemd om tot bewijs van enig feit te dienen, immers heeft verdachte telkens valselijk -zakelijk omschreven- aangiften Inkomstenbelasting en/of Voorlopige Teruggaven Inkomstenbelasting/Premie Volksverzekering (over de jaren 2003 en/of 2004 en/of 2005 en/of 2006) -ondermeer- op naam van bovengenoemde personen opgesteld en/of ingevuld en/of daarin -in strijd met de waarheid- vermeld namen van

werkgevers en/of aftrekposten (zoals giften en/of eigen woning en/of scholingsuitgaven) en/of sofinummers en/of bankrekeningnummers en/of te hoge bedragen aan loon uit arbeid en/of ingehouden loonheffing, zulks met het oogmerk om die geschriften als echt en onvervalst te gebruiken.

4.

hij in de periode van 12 januari 2004 tot en met 1 september 2007 in de gemeente Lelystad, van het plegen van witwassen een gewoonte heeft gemaakt, immers heeft verdachte telkens:

geldbedragen, ondermeer

a. een geldbedrag van 5.707 euro (als gevolg van een -voorlopige- teruggaaf IB/PVV 2007 op naam van (naam 9), gestort op rekening van (naam 10))

b. een geldbedrag van 7.656 euro (als gevolg van een -voorlopige- teruggaaf IB/PVV 2006 op naam van (naam 11), gestort op rekening van (naam 10)

c. een geldbedrag van 20.039 euro (als gevolg van een -voorlopige- teruggaaf IB/PVV 2005 op naam van (naam 4), gestort op rekening van (naam 12))

d. een geldbedrag van 3.345 euro (als gevolg van een -voorlopige- teruggaaf IB/PVV 2005 op naam van (naam 13), gestort op rekening van hem, verdachte

e. een geldbedrag van 13.961 euro (als gevolg van een -voorlopige- teruggaaf IB/PVV 2006 op naam van (naam 8), gestort op rekening van (naam 2))

f. een geldbedrag van 4.972 euro (als gevolg van een -voorlopige- teruggaaf IB/PVV 2005 op naam van (naam 6), gestort op rekening van (naam 12)), voorhanden heeft gehad, terwijl hij wist dat die geldbedragen, afkomstig waren uit enig misdrijf;

Parketnummer 07.993000-10

1.

hij op 14 september 2009 in de gemeente Epe, in het bezit was van een reisdocument, te weten een identiteitskaart (registratienummer ID3050825 ten name van (naam 16), geboren (geboortejaar), waarvan hij wist dat het reisdocument vervalst was, bestaande de vervalsing hieruit dat de reproductie techniek van de variabele gegevens een afwijkende was en/of de zogenaamde imageperf ontbrak;

2.

hij op 14 september 2009 in de gemeente Epe ter uitvoering van het door verdachte voorgenomen misdrijf om tezamen en in vereniging met een ander, met het oogmerk om zich wederrechtelijk te bevoordelen door het aannemen van een valse naam en/of van een valse hoedanigheid en/of door een of meer listige kunstgrepen en/of door een samenweefsel van verdichtsels, (naam 14) en de Fortisbank te bewegen tot de afgifte van geld, met vorenomschreven oogmerk - zakelijk weergegeven - valselijk en/of listiglijk en/of bedrieglijk en/of in strijd met de waarheid met zijn mededader,

- zich heeft voorgedaan als/uitgegeven voor (naam 16), geboren (geboortejaar), en

- een vervalst identiteitsbewijs heeft getoond/gebruikt op naam van (naam 16), (geboortejaar), en

- heeft gezegd dat/voorgedaan alsof hij drie bankrekeningen bij de Fortisbank had, en/of

- heeft gezegd dat hij klant van de Fortisbank te Almere was, en

- gezegd dat hij (naam 15) wilde machtigen voor bankrekeningen, en

- heeft gezegd dat die (naam 15) de schoonzoon was van (naam 16), en

- op de mededeling van die (naam 14) dat ook de mederekeninghouder van (naam 16) moest medeondertekenen voor de eventuele machtiging, heeft gezegd aan die (naam 14) dat dat niet ging en dat hij, verdachte en (naam 15), toevallig in de buurt waren en om die reden een en ander in het kantoor in Vaassen wilden regelen, terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid;

Van het meer of anders ten laste gelegde zal de verdachte worden vrijgesproken, aangezien de rechtbank dat niet wettig en overtuigend bewezen acht.

STRAFBAARHEID

Het bewezene levert op:

Parketnummer 07.996540-07:

1.

Valsheid in geschrift, meermalen gepleegd, strafbaar gesteld bij artikel 225 van het

Wetboek van Strafrecht.

2.

Opzettelijk een bij de belastingwet voorziene aangifte onjuist of onvolledig doen, terwijl

het feit ertoe strekt dat te weinig belasting wordt geheven, meermalen gepleegd,

strafbaar gesteld bij artikel 69 van de Algemene wet inzake rijksbelastingen.

3 primair.

Valsheid in geschrift, meermalen gepleegd, strafbaar gesteld bij artikel 225 van het

Wetboek van Strafrecht.

4.

Van het plegen van witwassen een gewoonte maken, strafbaar gesteld bij artikel 420ter

van het Wetboek van Strafrecht.

Parketnummer 07.993000-10:

1.

In het bezit zijn van een reisdocument waarvan hij weet of redelijkerwijs moet

vermoeden , dat het vals of vervalst is, strafbaar gesteld bij artikel 231, tweede lid, van het Wetboek van Strafrecht.

2.

Medeplegen van poging tot oplichting, strafbaar gesteld bij artikel 326 juncto de artikelen 45 en 47 van het Wetboek van Strafrecht.

De verdachte is deswege strafbaar, nu geen feiten of omstandigheden gebleken zijn die die strafbaarheid zouden opheffen of uitsluiten.

DE STRAFBAARHEID VAN DE DADER

Ten aanzien van het in de zaak met parketnummer 07.993000-10 onder 1 en 2 ten laste gelegde:

Van de zijde van de verdediging is ter terechtzitting aangevoerd dat er bij verdachte sprake zou zijn van overmacht, omdat hij werd bedreigd en hij enkel om die reden de strafbare feiten zou hebben begaan. Gelet hierop zou verdachte dienen te worden ontslagen van alle rechtsvervolging.

De rechtbank verwerpt dit verweer. Naar het oordeel van de rechtbank heeft verdachte zijn beroep op overmacht onvoldoende onderbouwd en zijn de aan het verweer ten grondslag gelegde feiten en omstandigheden niet aannemelijk geworden.

OPLEGGING VAN STRAF OF MAATREGEL

Verdachte heeft een groot aantal documenten valselijk opgemaakt met het doel deze te gebruiken voor eigen gewin. Voorts heeft verdachte een vervalst reisdocument gebruikt om zich voor een ander te kunnen uitgeven. Een dergelijke handelwijze ondergraaft het vertrouwen dat burgers en de overheid in het maatschappelijk verkeer in de juistheid van bepaalde geschriften kunnen stellen en door een dergelijke handelwijze kan mogelijk groot nadeel worden geleden. De rechtbank rekent dit de verdachte zwaar aan.

Verdachte heeft bovendien opzettelijk belastingaangiftes onjuist ingevuld en heeft een groot aantal VT-formulieren ingevuld waarbij aftrekposten werden opgevoerd op naam van anderen, van wie hij sofinummers had bemachtigd. De teruggave liet hij storten op rekeningnummers van zijn bedrijven, zijn moeder, medeverdachte (naam 17) en zichzelf. Door aldus te handelen heeft verdachte de fiscus, en dus de maatschappij, op grote schaal benadeeld.

Verdachte kon daarbij vrijelijk over de ten onrechte gestorte gelden beschikken. Op die manier heeft verdachte zich schuldig gemaakt aan gewoontewitwassen. Witwassen vormt een aantasting van de integriteit van het financiële en economische verkeer, bedreigt de legale economie en daarmee de samenleving als geheel.

Gelet op de aard en de ernst van het bewezen en strafbaar verklaarde, op de omstandigheden waaronder verdachte zich daaraan heeft schuldig gemaakt en op de persoon van verdachte, zoals van een en ander uit het onderzoek ter terechtzitting is gebleken, acht de rechtbank de na te noemen beslissing passend.

De rechtbank is in dit geval van oordeel dat een gedeeltelijk onvoorwaardelijke vrijheidsstraf noodzakelijk is, omdat aard en ernst van het bewezen en strafbaar verklaarde, door een lichtere strafrechtelijke afdoening van de zaak miskend zouden worden. In de door de raadsvrouw aangevoerde persoonlijke omstandigheden van de verdachte ziet de rechtbank geen aanleiding om tot een ander oordeel te komen. De bewezenverklaarde feiten zijn te ernstig om met een taakstraf, zoals door de raadsvrouw voorgesteld, te worden afgedaan. De rechtbank kent in dit verband gewicht toe aan de lange periode waarin de bewezen verklaarde feiten zijn gepleegd, de grote schaal waarop de bewezen verklaarde feiten zijn gepleegd en de forse geldbedragen die het betrof. De rechtbank neemt het verdachte in het bijzonder kwalijk dat de (fiscale) identiteit van nietsvermoedende derden werd misbruikt.

Uit het Uittreksel Justitieel Documentatieregister, d.d. 8 februari 2010, betreffende verdachte blijkt dat deze first offender is. Hierin ziet de rechtbank aanleiding om de straf, zoals die door de officier van justitie is gevorderd, te matigen. Voorts acht de rechtbank termen aanwezig om een gedeelte van de aan verdachte op te leggen gevangenisstraf in voorwaardelijke vorm op te leggen met daaraan gekoppeld de bijzondere voorwaarde zoals door Reclassering Nederland geadviseerd.

Daarbij heeft de rechtbank er voorts rekening mee gehouden dat de verdachte zich, naast de bewezen verklaarde feiten, ook schuldig heeft gemaakt aan negen naar aard soortgelijke zaken als in de zaak met parketnummer 07.996540-07 onder 1 en 3 bewezen verklaard, zoals valt af te leiden uit de overige ter kennisneming van de rechtbank gebrachte processen-verbaal van politie, welke zich in het onderhavige dossier bevinden, en zoals ook door de verdachte ter terechtzitting is bevestigd.

Bij haar beslissing heeft de rechtbank tenslotte rekening gehouden met:

een de verdachte betreffend uittreksel justitiële documentatie d.d. 8 februari 2010;

een de verdachte betreffend reclasseringsrapport d.d. 19 maart 2010 uitgebracht door Reclassering Nederland;

De oplegging van straf of maatregel is, behalve op de reeds aangehaalde wettelijke voorschriften, gegrond op de artikelen 10, 14a, 14b, 14c, 27 en 57 van het Wetboek van Strafrecht.

BESLISSING

Het in de zaak met parketnummer 07.996540-07 onder 1, 2, 3 primair en 4 en in de zaak met parketnummer 07.993000-10 onder 1 en 2 ten laste gelegde is bewezen zoals hiervoor aangegeven en levert de strafbare feiten op, zoals hiervoor vermeld. De verdachte is deswege strafbaar.

Het meer of anders ten laste gelegde is niet bewezen en de rechtbank spreekt verdachte daarvan vrij.

De rechtbank veroordeelt de verdachte tot een gevangenisstraf voor de duur van 12 maanden.

De tijd, door de verdachte vóór de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in verzekering doorgebracht, zal bij de tenuitvoerlegging van de opgelegde gevangenisstraf in mindering worden gebracht.

Van de gevangenisstraf zal een gedeelte, groot 4 maanden, niet worden tenuitvoergelegd, tenzij de rechter later anders mocht gelasten op grond van het feit dat de verdachte zich voor het einde van een proeftijd van 2 jaar aan een strafbaar feit heeft schuldig gemaakt of gedurende die proeftijd de hierna te melden bijzondere voorwaarde niet heeft nageleefd.

Als bijzondere voorwaarde wordt gesteld dat de verdachte zich gedurende de proeftijd zal gedragen naar de voorschriften en aanwijzingen, te geven door of namens reclassering Nederland, ook indien zulks inhoudt dat hij een ambulante behandeling zal ondergaan bij ‘De Waag’ dan wel een soortgelijke instelling, zulks zolang deze instelling of een door haar aan te wijzen andere reclasseringsinstelling dat gedurende de proeftijd nodig oordeelt, met opdracht aan die instelling als bedoeld in artikel 14d van het Wetboek van Strafrecht.

Aldus gewezen door mr. G.P. Nieuwenhuis, voorzitter, mrs. J.N. Bartels en M. van Loenen, rechters, in tegenwoordigheid van mr. H.R. Lageveen als griffier en uitgesproken ter openbare terechtzitting van 8 april 2010.