Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBZLY:2010:BM1708

Instantie
Rechtbank Zwolle-Lelystad
Datum uitspraak
01-03-2010
Datum publicatie
21-04-2010
Zaaknummer
167380 - KG ZA 10-51
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Kort geding
Inhoudsindicatie

Opzegging van een samenwerkingsovereenkomst door stichting die blijkens haar statutaire doelstelling in het bijzonder ten gunste van de wederpartij een binnen- en buitenmanege in stand dient te houden en dient te exploiteren.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

vonnis

RECHTBANK ZWOLLE-LELYSTAD

Sector civiel recht

zaaknummer / rolnummer: 167380 / KG ZA 10-51

Vonnis in kort geding van 1 maart 2010

in de zaak van

de vereniging

ZWOLSE RUITERCLUB "RITSAERT",

gevestigd te Zwolle,

eiseres,

advocaat mr. A.A. Bos,

tegen

de stichting

STICHTING RUITERSPORT ZWOLLE-ZUID,

gevestigd te Zwolle,

gedaagde,

advocaat mr. A. Eising.

Partijen zullen hierna Ritsaert en de stichting genoemd worden.

1. De procedure

1.1. Het verloop van de procedure blijkt uit:

- de dagvaarding

- de mondelinge behandeling

- de pleitnota van Ritsaert

- de pleitnota van de stichting.

1.2. Ten slotte is vonnis bepaald.

2. De feiten

2.1. De Ruitersportvereniging Ritsaert was een vereniging met volledige rechtsbevoegdheid. Deze vereniging is omgezet in Stichting Ruitersport Zwolle Zuid (gedaagde). Door de leden van de omgezette (oude) Ruitersportvereniging Ritsaert is een nieuwe vereniging opgericht met de naam Zwolse Ruiterclub Ritsaert (eiseres).

2.2. De stichting is destijds opgericht om het vermogen (van de oude vereniging) in onder te brengen. Tot dat vermogen behoort onder meer een gebouwencomplex bestaande uit meerdere binnen- en buitenmaneges, stallen, een weide en een kantine (het hierna nader omschreven “Ruitersportcentrum Zwolle”) en paarden en pony’s.

2.3. In de brief d.d. 23 december 2009 van de stichting aan de raadsman van Ritsaert staat voor zover van belang:

(…) Wellicht is het goed om op te merken, dat in het verleden bewust voor een stichtingsstructuur is gekozen, omdat de vroegere Vereniging met volledige rechtsbevoegdheid naar het voorkomt niet meer te handhaven viel, nu deze een aanzienlijke hoeveelheid personeel in dienst had en bovendien een omvangrijke hoeveelheid onroerende zaken in eigendom had, alsmede paarden. De continuïteit van de bedrijfsvoering diende te worden gegarandeerd. In een verenigingsvergadering kunnen zich altijd omstandigheden voordoen, welke risico’s met zich meebrengen ten aanzien van de continuïteit van het bestuur en het bedrijf. Dit is opgevangen door de stichtingsvorm. (…)

2.4. Het doel van de stichting betreft volgens haar statuten:

(…) de instandhouding en exploitatie van een binnen- en buitenmanege ter bevordering van de paardensport in Zwolle en omgeving, alsmede de verbetering van de kwaliteit daarvan, alles in de ruimste zin des woords.

Zulks in het bijzonder ten gunste van de Zwolse Ruiterclub “Ritsaert” dan wel de leden van die vereniging.

(…) De stichting tracht haar doel onder meer te verwezenlijken door het scheppen van faciliteiten ten gunste van de gebruikers van de accommodatie.

2.5. Met betrekking tot het bestuur van de stichting vermelden de statuten het volgende:

1. Het bestuur van de stichting bestaat uit tenminste vijf leden en ten hoogste negen leden en is voor de eerste maal benoemd door de vereniging Vereniging De Zwolse Ruiterclub “Ritsaert”. (…)

2. De Vereniging De Zwolse Ruiterclub “Ritsaert” heeft een benoemingsrecht ten aanzien van ten minste twee en ten hoogste drie bestuursleden; met dien verstande dat bij een aantal bestuursleden van de stichting van vijf of zes leden door de vereniging twee bestuursleden kunnen worden aangewezen en dat bij zeven of meer bestuursleden in de stichting drie bestuursleden door de vereniging kunnen worden aangewezen. (…)

2.6. Het doel van Ritsaert is volgens haar statuten:

(…) het beoefenen van de ruitersport door haar leden en in het algemeen het kweken van belangstelling voor het paard c.q. pony, e.e.a. in de ruimste zin van het woord.

(…) Zij tracht dit doel te bereiken langs wettige weg door het bevorderen van de bedrevenheid in het paard- en ponyrijden, door de kennis van paarden en pony’s en paard- en ponyrijden te verhogen, door het houden van terrein- en jachtritten, concoursen, carrousels, uitvoeringen en door wettige middelen, die tot bereiking van het beoogde doel kunnen leiden, alsook door het bevorderen van de band onder de leden onderling.

2.7. Partijen hebben op 20 juli 2001 een overeenkomst gesloten, hierna te noemen: “de samenwerkingsovereenkomst”, waarin onder meer het volgende is bepaald:

(…) Tussen stichting (gedaagde: aanv. rb) en vereniging (eiseres: aanv. rb) dienen zoveel mogelijk duidelijke afspraken te worden gemaakt, teneinde te komen tot een deugdelijke blijvende samenwerking.

Uitgangspunt is hierbij de situatie zoals deze voorheen bestond. (…)

Teneinde haar doel te kunnen realiseren is het noodzakelijk dat de stichting voldoende inkomsten kan verkrijgen,

(…) Ten aanzien van de volgende punten dienen nadere afspraken te worden gemaakt.

1. Activiteiten stichting

De doelstelling van een stichting wordt beschreven in de statuten. De stichting is verantwoordelijk voor het organiseren van de NBVR-wedstrijden alsmede de oktober-wedstrijd en een eventuele buitenwedstrijd in het voorjaar, c.q. in de zomer. In feite komt het erop neer dat de stichting verantwoordelijk is voor alle officiële wedstrijden. Daarnaast is de stichting verantwoordelijk voor het organiseren van het ponykamp en een eventueel paardenkamp. (…)

2. Activiteiten vereniging

De activiteiten van de vereniging betreffen activiteiten zoals omschreven in de doelomschrijving in de statuten. Het betreffen met name de verenigingsactiviteiten zoals de organisatie van de onderlinge wedstrijden (…).

8. Onderlinge wedstrijden

De wedstrijden zullen worden georganiseerd door de vereniging.

Het aantal onderlinge wedstrijden en de tijden ervan worden in onderling overleg bepaald. Over kwaliteit en financiering worden aparte afspraken gemaakt. (…)

17. Gebruik Ruimtes

Overleg over gebruik dient tussen de vereniging en de stichting met regelmaat plaats te vinden. (…)

Partijen komen overeen als volgt

(…) De stichting geeft aan zich het recht voor te behouden deze overeenkomst jaarlijks, of wanneer nodig, aan te passen c.q. uit te breiden en zonodig na overleg cq. mededeling aan de vereniging nadere besluiten te nemen omtrent de onderwerpen welke niet zijn geregeld in deze samenwerkingsovereenkomst.

2.8. In 2005 heeft de stichting na overleg en met instemming van Ritsaert besloten om lid te worden van de Federatie van Nederlandse Ruitersportcentra, hierna te noemen: “FNRS”. De FNRS is een brancheorganisatie voor professionele hippische ondernemers in Nederland. De FNRS behartigt de belangen van haar leden, voorziet haar leden van advies, biedt een pakket aan diensten en producten aan en biedt financieel voordeel.

Er worden FNRS-proeven, ook wel genoemd proeven van bekwaamheid of onderlinge wedstrijden, georganiseerd. Deze wedstrijden dienen als meetpunt tijdens de ruiteropleiding. Ruiters kunnen tijdens deze proeven diploma’s halen en promotiepunten verdienen. Met die promotiepunten kunnen zij in verschillende klasses promoveren.

Door het toetreden van de stichting tot de FNRS is het karakter van de onderlinge wedstrijden die plaatsvinden in Ruitersportcentrum Zwolle veranderd.

Naast de FNRS is er de Koninklijke Nederlandse Hippische Sportfederatie die de officiële wedstrijden (die open staan voor ruiters met een startkaart) organiseert.

2.9. De notulen van de vergadering van de stichting d.d. 24 oktober 2005 vermelden onder meer het volgende:

Dan is tot slot gesproken over de leden van de vereniging die startkaarthouder zijn en die meedoen aan de onderlinge wedstrijden. De vraag is opgeworpen of voor deze mensen geen onderscheid moet worden gemaakt, bijvoorbeeld door het vragen van een hoger inschrijfgeld. Of moet je stellen dat zij naast hun lidmaatschap ook diensten moeten afnemen van de manege om mee te mogen doen. Tenslotte moeten er wel vrijwilligers ingeschakeld worden en is het bedrijf langer open door het grote aantal deelnemers van buiten.

Besloten is tot het laatste, nu het met het invoeren van het FNRS-systeem makkelijker wordt startkaarthouders die de wedstrijden alleen als oefening zien uit te sluiten.

2.10. De stichting duidt leden van Ritsaert (verder: verenigingsleden) die diensten van haar afnemen aan als “klanten” en verenigingsleden die geen diensten van haar afnemen aan als “niet-klanten”. Onder het afnemen van diensten verstaat de stichting het nemen van lessen of het stallen van een paard bij haar.

2.11. Het bestuur van de stichting heeft op 14 september 2009 een besluit genomen inhoudende dat tijdens door Ritsaert georganiseerde onderlinge wedstrijden alleen die verenigingsleden worden toegelaten die ook diensten van de manege afnemen (klanten).

2.12. Het bestuur van de stichting heeft op 21 december 2009 besloten om de samenwerkingsovereenkomst met onmiddellijke ingang op te zeggen.

2.13. De door Ritsaert benoemde leden in het stichtingsbestuur hebben voormelde besluiten niet gesteund.

3. Het geschil

3.1. Ritsaert vordert, uitvoerbaar bij voorraad, de stichting te veroordelen om binnen twee dagen na betekening van dit vonnis Ritsaert en al haar leden:

1. de vrije, onbeperkte en onvoorwaardelijke toegang tot het terrein en het

gebouwencom plex van de stichting (zo begrijpt de rechtbank), genaamd Ruitersportcentrum Zwolle, staande en gelegen aan Hollewandsweg 15 en 15a t/m c te Zwolle te verschaffen en te blijven verschaffen,

2. vrij, onbeperkt en onvoorwaardelijk gebruik te laten maken van alle in en op het terrein en het gebouwencomplex van de stichting (zo begrijpt de rechtbank), genaamd Ruitersportcentrum Zwolle, voormeld, aanwezige faciliteiten en voorzieningen, waaronder in ieder geval, maar niet uitsluitend: het parkeerterrein, de maneges, de kantine, de toiletten, de weiden, de stallen, alsmede de daar gestelde paarden en/of pony’s die in eigendom toebehoren aan de stichting,

het onder 1. en 2. gevorderde op straffe van een onmiddellijk opeisbare dwangsom van EUR 5.000,- voor iedere gehele of gedeeltelijke overtreding van dit gebod, danwel voor iedere dag of dagdeel dat de overtreding voortduurt.

3.2. Ritsaert legt daaraan het volgende ten grondslag.

De besluiten van 14 september en 21 december 2009 zijn op grond van artikel 2:14 Burgerlijk Wetboek (BW) in strijd is met de statuten van de stichting en de wet.

In de statuten wordt expliciet bepaald dat de stichting de manege enkel en alleen ten gunste van Ritsaert en haar leden mag exploiteren. Door verenigingsleden uit te sluiten en haar het gebruik van de faciliteiten te ontzeggen wordt niet ten gunste van Ritsaert gehandeld en dat is in strijd met de statuten. De besluiten staan bovendien haaks op het doel van de oprichting van de stichting, welke enkel is gelegen in het beheren van het vermogen van Ritsaert. De besluiten zijn daarmee in strijd met de in de wet neergelegde beginselen van redelijkheid en billijkheid (artikelen 6:2 en 6:248 BW).

De besluiten zijn ook vernietigbaar op grond van de artikelen 2:8 en 2:15 BW, omdat door het uitsluiten van een deel van de leden van Ritsaert en het ontzeggen van de toegang tot haar vroegere eigendommen haar functioneren als vereniging in het gedrang komt.

Het uitvoering geven aan een nietig danwel vernietigbaar besluit levert een onrechtmatige daad op jegens Ritsaert.

Het besluit van 14 september 2009 is daarnaast in strijd met de samenwerkingsovereenkomst, omdat Ritsaert de onderlinge wedstrijden niet meer op een wijze kan organiseren die zij wenst. In de overeenkomst is nergens bepaald dat de stichting beperkingen op kan leggen aan door Ritsaert georganiseerde wedstrijden. Bovendien biedt de overeenkomst in het geheel niet de mogelijkheid tot een eenzijdige onverwijlde opzegging, zoals neergelegd in het besluit van 21 december 2009.

3.3. De stichting voert verweer. Op de stellingen van partijen wordt hierna, voor zover van belang, nader ingegaan.

4. De beoordeling

4.1. Van het spoedeisend belang van Ritsaert is in voldoende mate gebleken, nu Ritsaert - zoals zij stelt - thans geen activiteiten kan organiseren in de manege.

4.2. Tussen partijen is een samenwerkingsovereenkomst voor onbepaalde tijd gesloten, waarbij geen opzegmogelijkheid is overeengekomen. De stichting stelt zich op het standpunt dat zij de samenwerkingsovereenkomst rechtsgeldig heeft opgezegd. Ritsaert betwist dat.

4.3. De vraag of de opzegging van de samenwerkingsovereenkomst door de stichting conform haar besluit van 21 december 2009 het door haar beoogde rechtsgevolg heeft gehad dient te worden beoordeeld naar de maatstaf zoals deze is neergelegd in het arrest van de Hoge Raad van 3 december 1999 (NJ 2000,120). Deze houdt in dat bij gebrek aan een contractuele opzeggingsbevoegdheid aan de hand van de redelijkheid en billijkheid in verband met de omstandigheden van het geval dient te worden beoordeeld of de overeenkomst kon worden opgezegd. Uit dit arrest volgt tevens dat indien uit de aard van de overeenkomst zou volgen dat deze opzegbaar is, de eisen van redelijkheid en billijkheid kunnen meebrengen dat dit slechts tot beëindiging van de overeenkomst leidt indien een voldoende zwaarwegende grond voor opzegging bestaat.

4.4. Voorshands wordt geoordeeld dat de samenwerkingsovereenkomst op grond van de redelijkheid en billijkheid niet door de stichting kon worden opgezegd.

Immers, uitgangspunt van de samenwerkingsovereenkomst is de situatie zoals deze voorheen bestond te handhaven. Vast staat - zoals ook volgt uit de in r.o. 2.3. vermelde brief - dat de stichting destijds enkel is opgericht om het vermogen van de (voorheen bestaande) vereniging in onder te brengen, om de continuïteit van de bedrijfsvoering te garanderen.

Dat volgt ook uit haar statutaire doel dat - samengevat - inhoudt, het in het bijzonder ten gunste van Ritsaert in stand houden en exploiteren van een binnen- en buitenmanege.

Gelet op de historie is destijds bewust een situatie gecreëerd waarbij partijen op elkaar aangewezen zijn, hetgeen tot uitdrukking is gebracht door het in r.o. 2.5. omschreven benoemingsrecht van Ritsaert in het stichtingsbestuur het aangaan van de samenwerkingsovereenkomst. In die overeenkomst is ook uitdrukkelijk bepaald dat de afspraken dienen om tot een deugdelijke blijvende samenwerking te komen.

Onder die omstandigheden kon de stichting de samenwerkingsovereenkomst niet, althans niet zonder een voldoende zwaarwegende grond, opzeggen. Dat sprake is van een zwaarwegende grond voor opzegging is evenwel op voorhand onvoldoende gebleken. Daartoe wordt als volgt overwogen.

4.5. Een van de redenen om de samenwerkingsovereenkomst op te zeggen was volgens de stichting het feit dat Ritsaert de onderlinge wedstrijd in september 2009 en de Sinterklaasmiddag heeft geannuleerd, hetgeen nadelig was voor haar klanten. Om die nadelige gevolgen te ondervangen moest zij noodgedwongen zelf de organisatie van de wedstrijden oppakken, aldus de stichting.

4.6. Ritsaert stelt geen onderlinge wedstrijden meer te willen organiseren vanwege het besluit van de stichting d.d. 14 september 2009 om alleen nog klanten toe te laten op de onderlinge wedstrijden. Volgens Ritsaert mag de stichting het onderscheid tussen klanten en niet-klanten voor deelname aan de onderlinge wedstrijden evenwel niet maken.

4.7. In dat betoog wordt Ritsaert voorshands gevolgd.

De stichting dient het ruitersportcentrum (in het bijzonder) ten gunste van de leden van Ritsaert in stand te houden en te exploiteren, opdat Ritsaert in beginsel ten aanzien van al haar leden aan haar statutaire doelstelling - waar het organiseren van de onderlinge wedstrijden uit voortvloeit - kan voldoen. Dat het om financiële redenen (zoals kosten voor personeel, gas, water, licht en schoonmaak), vanwege overcapaciteit van het ruitersportcentrum of het gevaar voor het welzijn van de paarden, van de stichting niet kan worden gevergd om niet-klanten tot onderlinge wedstrijden toe te laten - zoals de stichting stelt - is onvoldoende gebleken. De stichting heeft, zo voert zij aan, 525 klanten

(500 lesklanten en 25 pensionklanten), waarvan er per keer ruim 100 aan de onderlinge wedstrijden meedoen. Ter zitting is vast komen te staan dat op dit moment slechts 6 niet-klanten deelnemen aan de onderlinge wedstrijden. Vanwege dit beperkte aantal gaan, zoals Ritsaert ter zitting onweersproken stelt, voormelde argumenten van de stichting niet op.

De stelling van de stichting dat dit aantal door het toestaan van de niet-klanten fors zal oplopen, is thans nog onvoldoende aannemelijk. Weliswaar heeft de stichting aangegeven dat het aantal niet-klanten die deelnamen aan onderlinge wedstrijden in 2005 nog tussen de 25 en 30 lag, maar dat hield kennelijk - zoals ter zitting naar voren is gekomen - veeleer verband met de situatie van voor de overstap naar de FNRS.

Het verweer van de stichting dat het toelaten van niet-klanten gevaar voor het welzijn van de paarden oplevert gaat bovendien niet op nu Ritsaert onweersproken stelt dat alle paarden zijn ingeënt en dat de paarden van de manege ook aan andere wedstrijden meedoen.

Ook het betoog van de stichting dat reeds op 24 oktober 2005 is besloten om niet-klanten van de onderlinge wedstrijden uit te sluiten kan haar niet baten. Teruggrijpen op dat besluit is in strijd met de redelijkheid en billijkheid, omdat vast staat dat dit besluit nimmer door de stichting is gehandhaafd en zij geen goede reden heeft kunnen aanvoeren voor het eerst in september 2009 “strakker aantrekken van de teugels”.

4.8. De stelling van de stichting dat de artikelen 8 en 17 van de samenwerkingsovereenkomst voldoende ruimte bieden voor het (eenzijdig door haar) maken van onderscheid tussen klanten en niet-klanten en dat uit de slotbepaling van deze overeenkomst voortvloeit dat zij nadere besluiten mag nemen ten aanzien van onderlinge wedstrijden, wordt verworpen. De slotbepaling ziet op niet geregelde onderwerpen. Een bepaling over onderlinge wedstrijden is reeds opgenomen in artikel 8 en dat artikel bepaalt dat partijen in onderling overleg treden en afspraken maken over het aantal onderlinge wedstrijden, de tijden, de kwaliteit en de financiering ervan. Dat deze redenen het besluit van de stichting d.d. 14 september 2009 rechtvaardigen is voorshands niet gebleken.

4.9. Het voorgaande brengt met zich dat de vorderingen van Ritsaert voor toewijzing gereed liggen. Daarbij wordt het volgende in aanmerking genomen.

De stichting betoogt dat de vordering slechts ten aanzien van Hollewandsweg 15a toegewezen kan worden, nu niet zij maar Stichting Paardrijden Gehandicapten ’t Hoefijzer erfpachter is van Hollewandsweg 15b, Hollewandsweg 15c in gebruik is als hoefsmederij van het AOC en Hollewandsweg 15 als woning verhuurd is aan de bedrijfsleider, de heer D. Baauw. Ritsaert heeft dat voor wat betreft Hollewandsweg 15b en 15c erkend, zodat de vorderingen ten aanzien van Hollewandsweg 15b en 15c niet zullen worden toegewezen. Voor wat betreft Hollewandsweg 15 voert Ritsaert aan dat niet duidelijk is wat exact hiertoe behoort, maar dat de vorderingen uiteraard geen betrekking hebben op de gehuurde woning van Baauw. Gelet daarop en nu de kadastrale omschrijving van Hollewandsweg 15 “wonen met bedrijvigheid recreatie-sport” luidt, hetgeen niet uitsluit dat het manegeterrein zich ook tot dit perceel uitsluit, zullen de vorderingen voor wat betreft Hollewandsweg 15 en 15a worden toegewezen.

4.10. De stichting stelt tot slot nog dat de vorderingen buitenproportioneel zijn. Ritsaert mocht en zal immers nooit onbeperkt gebruik mogen maken van de eigendommen van de stichting. Toewijzing van de vordering zou een vrijbrief betekenen voor Ritsaert om het bedrijf als het ware over te nemen. De raadsman van Ritsaert heeft ter zitting aangegeven dat de vorderingen toegewezen kunnen worden conform de activiteitenkalender 2010, die als productie 6 (bijlage bij de brief d.d. 17 december 2009) door haar is overgelegd.

Ter voorkoming van executieproblemen (en het verbeuren van dwangsommen) zullen de toe te wijzen vorderingen (slechts) gelden voor de op die kalender vermelde activiteiten.

4.11. De gevorderde dwangsom zal worden beperkt als volgt.

4.12. De stichting zal als de in het ongelijk gestelde partij in de proceskosten worden veroordeeld. De kosten aan de zijde van Ritsaert worden begroot op:

- dagvaarding EUR 97,45

- vast recht 263,00

- salaris advocaat 904,00

Totaal EUR 1.264,45

5. De beslissing

De voorzieningenrechter

5.1. veroordeelt de stichting om binnen twee dagen na betekening van dit vonnis Ritsaert en al haar leden de vrije, onbeperkte en onvoorwaardelijke toegang tot het terrein en het gebouwencomplex, genaamd Ruitersportcentrum Zwolle, staande en gelegen aan Hollewandsweg 15 en 15a te Zwolle te verschaffen en te blijven verschaffen,

5.2. veroordeelt de stichting om binnen twee dagen na betekening van dit vonnis Ritsaert en al haar leden vrij, onbeperkt en onvoorwaardelijk gebruik te laten maken van alle in en op het terrein en het gebouwencomplex, genaamd Ruitersportcentrum Zwolle, staande en gelegen aan Hollewandsweg 15 en 15a te Zwolle, aanwezige faciliteiten en voorzieningen, waaronder in ieder geval, maar niet uitsluitend: het parkeerterrein, de maneges, de kantine, de toiletten, de weiden, de stallen, alsmede de daar gestalde paarden en/of pony’s die in eigendom toebehoren aan de stichting,

5.3. bepaalt dat de stichting voor iedere keer dat zij in strijd handelt met het onder 5.1. en 5.2. bepaalde, aan Ritsaert een dwangsom verbeurt van EUR 5.000,-, tot een maximum van EUR 50.000,-,

5.4. veroordeelt de stichting in de proceskosten, aan de zijde van Ritsaert tot op heden begroot op EUR 1.264,45,

5.5. verklaart dit vonnis tot zover uitvoerbaar bij voorraad,

5.6. wijst het meer of anders gevorderde af.

Dit vonnis is gewezen door mr. J. van der Hulst en in het openbaar uitgesproken op 1 maart 2010.