Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBZLY:2010:BM1614

Instantie
Rechtbank Zwolle-Lelystad
Datum uitspraak
02-03-2010
Datum publicatie
19-04-2010
Zaaknummer
07.607317-09 (P)
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

oplichting, bewijs, strafmaatmotivering

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK ZWOLLE-LELYSTAD

Sector strafrecht

Parketnummer: 07.607317-09 (P)

Vonnis van de meervoudige kamer d.d. 2 maart 2010

in de strafzaak tegen

[verdachte],

geboren op [geboortedatum] te [geboorteplaats],

wonende te [adres],

thans verblijvende in de penitentiaire inrichting Flevoland, Huis van Bewaring

Almere Binnen.

1 Onderzoek van de zaak

Het onderzoek ter terechtzitting heeft plaatsgevonden op 16 februari 2010 te Lelystad. De verdachte is verschenen, bijgestaan door mr. V.G. Kraal, advocaat te Amsterdam. De rechtbank heeft kennisgenomen van de vordering van de officier van justitie mr. S.J. Buis en van de standpunten door de raadsman van verdachte naar voren gebracht.

2 De tenlastelegging

De verdachte is, na een wijziging tenlastelegging, ten laste gelegd dat:

1.

hij op of omstreeks 24 augustus 2009 te Vierhouten, gemeente Nunspeet ter uitvoering van het door verdachte voorgenomen misdrijf om tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen, met het oogmerk om zich en/of (een) ander(en) wederrechtelijk te bevoordelen door geweld en/of bedreiging met geweld [aangever] en/of [aangeefster] te dwingen tot de afgifte van (een) hoeveelhe(i)d(en) geld (25.000 euro), in elk geval van enig goed, geheel of ten dele toebehorende aan die [aangever] en/of [aangeefster], in elk geval aan een ander of anderen dan aan verdachte en/of zijn mededader(s), met voormeld oogmerk tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen (dreigend) tegen die [aangever] en/of [aangeefster] heeft gezegd:" Ik krijg 25.000 euro van jou, anders pak ik je aan", en/of "Ik wil dat geld zien, want anders sloop ik de caravan", althans woorden van gelijke dreigende aard en/of strekking, terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid;

2.

hij op of omstreeks 02 oktober 2009 in de gemeente Lelystad ter uitvoering van het door verdachte voorgenomen misdrijf om tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen, met het oogmerk om zich en/of (een) ander(en) wederrechtelijk te bevoordelen door geweld en/of bedreiging met geweld [aangever 2] en/of [aangeefster 2] te dwingen tot de afgifte van (een) hoeveelhe(i)d(en) geld (10.000 euro), in elk geval van enig goed, geheel of ten dele toebehorende aan die [aangever 2] en/of [aangeefster 2], in elk geval aan een ander of anderen dan aan verdachte en/of zijn mededader(s), met voormeld oogmerk tezamen in vereniging met een ander of anderen, althans alleen tegen die [aangever 2] en/of [aangeefster 2] (dreigend) heeft gezegd:"Als je me binnen een week geen geld regelt ga ik je kapot schieten, met je wijf d'r bij" en/of "Hé binnen een week ga ik tien ruggen van je krijgen, anders schiet ik jou en je wijf......kapotschieten" en/of "Eind van de week wil ik tien ruggen hebben, moet jou en je wijf kapot schieten, alle twee, allebei, alle twee, allebei", althans woorden van gelijke dreigende aard en/of strekking, terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid;

3.

hij in of omstreeks de periode van 4 augustus 2009 tot en met 5 augustus 2009 in de gemeente Lelystad een of meer wapens van categorie II en/of categorie III, te weten een vuurwapen (merk: Browning, type: .22), voorhanden heeft gehad;

De in deze telastelegging gebruikte termen en uitdrukkingen worden, voorzover daaraan in de Wet wapens en munitie betekenis is gegeven, geacht in dezelfde betekenis te zijn gebezigd;

4.

hij op of omstreeks 02 juni 2009 in de gemeente Lelystad [aangeefster 4] en/of [aangeefster 4] heeft bedreigd met enig misdrijf tegen het leven gericht, en/of met enig misdrijf waardoor gevaar voor de algemene veiligheid van personen en/of goederen ontstaat. althans met zware mishandeling, immers heeft verdachte opzettelijk voornoemde [aangeefster 4] dreigend de woorden toegevoegd :"Ik weet waar je woont" en/of "We komen je opzoeken en dan blazen we de boel op" en/of "Ik leg zo een bom onder die grijze personenauto", althans woorden van gelijke dreigende aard of strekking en/of opzettelijk voornoemde [aangeefster 4] dreigend de woorden toegevoegd:"Jouw kenteken heb ik ook genoteerd, dus ik weet waar je woont. Jouw huis blaas ik ook op", althans woorden van gelijke dreigende aard of strekking;

5.

hij in of omstreeks de periode van 01 augustus 2009 tot en met 31 augustus 2009 in de gemeente Lelystad opzettelijk mishandelend een persoon (te weten [aangever 5], in/op het gezicht/hoofd heeft geslagen/gestompt, waardoor deze letsel heeft bekomen en/of pijn heeft ondervonden.

3 De voorvragen

De rechtbank heeft vastgesteld dat de dagvaarding geldig is, dat zijzelf bevoegd is tot kennisneming van de zaak, dat de officier van justitie ontvankelijk is in zijn vervolging en dat er geen redenen zijn voor schorsing van de vervolging.

4 De beoordeling van het bewijs

4.1 De vaststaande feiten

De rechtbank stelt de navolgende feiten vast:

Ten aanzien van feit 1:

Op 24 augustus 2009 kregen verbalisanten [namen verbalisanten] omstreeks 00:39 uur de opdracht naar de camping de Paasheuvel in Vierhouten te gaan. Getuige [naam getuige] meldt dat er personen uit Lelystad op de camping zijn die mogelijke bedreigingen tegen zijn vriend uiten. Op de camping aangekomen, treffen de verbalisanten in de caravan van [aangever] en [aangeefster] zeven personen aan, waaronder verdachte en zijn medeverdachte [naam medeverdachte].

Op 8 september 2009 heeft [aangever] aangifte gedaan van een poging tot afpersing. Aangever [aangever] en zijn vriendin [aangeefster] leggen vervolgens aanvullende verklaringen af.

Nader onderzoek heeft geleid tot de aanhouding van verdachte en medeverdachte [naam medeverdachte].

Ten aanzien van feit 2:

Op 6 oktober 2009 verschijnen [aangever 2] en [aangeefster 2] aan het politiebureau te Lelystad om aangifte te doen van een poging tot afpersing gepleegd bij hun woning in Lelystad op 2 oktober 2009.

Er is een usb stick met daarop beeld- en geluidsmateriaal van het voorval beschikbaar gesteld door aangever [aangever 2] waarop de poging tot afpersing waar te nemen is, hetgeen eveneens in een proces-verbaal is geverbaliseerd.

Nader onderzoek heeft geleid tot de aanhouding van verdachte en medeverdachte [naam medeverdachte]. Beide verdachten hebben na confrontatie met de camerabeelden bekennende verklaringen afgelegd.

Ten aanzien van feit 3:

Op 23 juli 2009 werd er door de CIE regiopolitie Flevoland informatie verstrekt dat verdachte iemand bedreigd zou hebben met een mes en vervolgens een vuurwapen uit zijn woning aan de IJmeerstraat in Lelystad zou hebben gehaald. Deze informatie is als betrouwbaar aangemerkt waarna er vervolgens op 5 augustus 2009 op grond van een machtiging binnentreden een doorzoeking in de woning aan de IJmeerstraat 22 te Lelystad heeft plaatsgevonden.

Aldaar is er een pistool van het merk FN Browning, kaliber 22 onder het bed aangetroffen en in beslag genomen. De afdeling forensische opsporing heeft vastgesteld dat het om een vuurwapen gaat in de zin van artikel 1, onder 3, categorie III, type .22 van de Wet Wapens en Munitie.

Verdachte is vervolgens aangehouden.

Ten aanzien van feit 4:

Op 3 juni 2009 kwam [aangeefster 4] aan het politiebureau te Almere om aangifte te doen van bedreiging door [verdachte] gepleegd op 2 juni 2009. De bedreiging zou hebben plaatsgevonden in een loods aan de Kolkweg in Lelystad in het bijzijn van [aangeefster 4] en wijkagente [naam wijkagente]. De bevindingen van wijkagente [naam wijkagente] zijn in een afzonderlijk proces-verbaal gerelateerd.

Op 5 juni 2009 deed ook [aangeefster 4] aangifte van bedreiging gepleegd op 2 juni 2009.

Ten aanzien van feit 5:

Op 12 november 2009 verscheen [aangever 5] aan het politiebureau in Lelystad om aangifte te doen van een mishandeling gepleegd door [verdachte] in een loods in Lelystad in de periode van 1 augustus 2009 tot en met 31 augustus 2009.

Diverse getuigen die aanwezig waren bij het incident zijn gehoord.

4.2 Het standpunt van het openbaar ministerie

De officier van justitie heeft gevorderd dat verdachte zal worden veroordeeld ter zake van al het ten laste gelegde. Hij heeft daartoe voor het onder 1 ten laste gelegde verwezen naar de aangiften van [aangever] en [aangeefster], de getuigenverklaring van [naam getuige] en de verklaring van medeverdachte [naam medeverdachte] Voor het onder 2 ten laste gelegde heeft hij verwezen naar de aangiften van [aangever 2] en [aangeefster 2] en het proces-verbaal waarin het beschikbare beeld- en geluidsmateriaal is uitgeschreven. Voorts voor het onder 3 ten laste gelegde heeft de officier van justitie gewezen op het proces-verbaal van doorzoeking en van wapenherkenning en voor het onder 4 ten laste gelegde naar de aangiften van [aangeefster 4], [aangeefster 4] en de getuigenverklaring van de wijkagente. Laatstelijk voor het onder 5 ten laste gelegde heeft de officier van justitie verwezen naar de aangifte van [aangever 5] en de diverse getuigenverklaringen.

4.3 Het standpunt van de verdediging

De raadsman heeft betoogd dat verdachte dient te worden vrijgesproken van het onder 1 en 2 ten laste gelegde. Hij heeft daartoe aangevoerd dat hetgeen ten laste is gelegd ziet op een voltooide afgifte van de laptop en de sleutels en er zodoende geen sprake kan zijn van een poging tot afpersing. Getuige [naam getuige] heeft in zijn verklaring ook gesproken van een (voltooide) afpersing. Met betrekking tot het onder 3 en 4 ten laste gelegde heeft de raadsman zich gerefereerd. De raadsman heeft ten aanzien van het onder 5 ten laste gelegde opgemerkt dat hij de periode te vaag vindt.

4.4 Het oordeel van de rechtbank

Ten aanzien van feit 1:

De rechtbank merkt, alvorens in te gaan op de zich in het dossier bevindende stukken, op dat het bij afpersing niet gaat om de wegnemingshandeling van de dader maar dat de handeling van het slachtoffer die door dwang, geweld of bedreiging met geweld bewerkstelligd wordt centraal staat.

Naar het oordeel van de rechtbank was er geen sprake van een voltooide afpersing. De verdachte heeft door bedreiging met geweld gepoogd de slachtoffers te dwingen tot de afgifte van een geldbedrag. De aangevers hebben in hun caravan op 24 augustus 2009 een laptop afgegeven. Daarmee is er aan verdachte en zijn medeverdachte weliswaar enig goed afgegeven, maar heeft niet de door verdachte en zijn medeverdachte met de afpersing beoogde afgifte van geld plaatsgevonden. Van een geslaagde, voltooide afpersing was dan ook geen sprake.

Uit de aangiften van [aangever] en [aangeefster] blijkt voorts dat verdachte met vier anderen in de caravan van [aangever] en [aangeefster] was. Aangevers verklaren beiden dat verdachte tegen [aangever] heeft gezegd dat hij 25.000,- euro kreeg, want anders zou de caravan gesloopt worden. Medeverdachte [naam medeverdachte] verklaart over de desbetreffende nacht dat hij erg boos en agressief was en direct tegen [aangever] begon te schreeuwen dat hij “vijf fucking ruggen” wilde hebben. Daarnaast heeft getuige [naam getuige] verklaard dat hij samen met ondermeer verdachte en medeverdachte [naam medeverdachte] naar de camping ging met het doel geld los te krijgen.

De rechtbank is gelet op het vorenstaande van oordeel dat op grond van de aangifte van [aangever], de getuigenverklaringen van [aangeefster] en [naam getuige] tezamen met de verklaring van medeverdachte [naam medeverdachte] wettig en overtuigend bewezen kan worden dat verdachte tezamen met anderen getracht heeft om door bedreiging met geweld [aangever] en [aangeefster] een geldbedrag afhandig te maken met het oogmerk om zich wederrechtelijk te bevoordelen.

Ten aanzien van feit 2:

De rechtbank overweegt ten aanzien van het ten laste gelegde als volgt:

Uit de aangiften van [aangever 2] en [aangeefster 2] komt naar voren dat verdachte en zijn medeverdachte [naam medeverdachte] hebben samengewerkt om aangevers [aangever 2] en [aangeefster 2] tot afgifte van € 10.000,- te bewegen. Dat verdachte, in nauwe en bewuste samenwerking met medeverdachte [naam medeverdachte], ter kennelijke uitvoering van dit doel, [aangever 2] en [aangeefster 2] daartoe bedreigd heeft met geweld, blijkt vervolgens uit het door aangever [aangever 2] zelf opgenomen beeld- en geluidsmateriaal van 2 oktober 2009.

Bovenbedoeld beeldmateriaal, tezamen en in onderling verband beschouwd met hetgeen de aangevers ter zake van het ten laste gelegde in hun aangiften hebben verklaard, maken voldoende aannemelijk dat de onder 2 ten laste gelegde poging tot afpersing van € 10.000,- daadwerkelijk heeft plaatsgevonden. Het aan [aangever 2] fluisterend gestelde dictaat -dat verdachte binnen één week tien rooien wilde hebben en medeverdachte [naam medeverdachte] hem zou vermoorden - tot betaling, de uitgeoefende en bewust opgevoerde druk teneinde hem tot betaling te bewegen, het benaderen van aangever bij zijn woning met dit doel, de gekozen toonzetting en bewoordingen, maken dat in de gedragingen van verdachte en zijn mede-verdachte in de gegeven omstandigheden een bedreiging met geweld besloten heeft gelegen en dat [aangever 2] en [aangeefster 2] deze gedragingen aldus hebben mogen verstaan.

De rechtbank acht gelet op vorenstaande wettig en overtuigend bewezen dat verdachte op 2 oktober 2009 tezamen en in vereniging gepoogd heeft [aangever 2] en [aangeefster 2] af te persen.

Ten aanzien van feit 3:

De rechtbank is evenals de raadsman en de officier van justitie van oordeel dat het onder 3 ten laste gelegde wettig en overtuigend bewezen kan worden verklaard.

Nu verdachte ter terechtzitting van 16 februari 2010 heeft verklaard dat hij het vuurwapen van het merk Browning, type .22, voorhanden heeft gehad, volstaat de rechtbank op grond van het bepaalde in artikel 359, derde lid, van het Wetboek van Strafvordering, met een opgave van de bewijsmiddelen.

Voor het bewijs verwijst de rechtbank naar het proces-verbaal van inbeslagneming en van wapenherkenning en de bekennende verklaring van verdachte.

Ten aanzien van feit 4:

De rechtbank is evenals de raadsman en de officier van justitie van oordeel dat het onder 4 ten laste gelegde wettig en overtuigend bewezen kan worden verklaard.

De rechtbank verwijst daartoe naar de aangiften van [aangeefster] en [aangeefster] en het proces-verbaal van bevindingen opgemaakt door wijkagente [naam wijkagente] . Verdachte ontkent het hem ten laste gelegde. Aangevers en wijkagente [naam wijkagente] verklaren echter allen dat verdachte op 2 juni 2009 in de loods aan de Kolkweg in Lelystad [aangeefster] en [aangeefste ] heeft bedreigd door te zeggen dat hij hen wel op zou blazen.

Ten aanzien van feit 5:

De rechtbank overweegt ten aanzien van het ten laste gelegde als volgt:

Op basis van de zich in het dossier bevindende aangifte van [aangever 5] , de verklaringen van getuigen [namen van de getuigen] en het feit dat verdachte tijdens de terechtzitting van 16 februari 2010 heeft verklaard in de loods aanwezig te zijn geweest op het moment dat aangever [aangever 5] werd geslagen, acht de rechtbank wettig en overtuigend bewezen dat verdachte aangever tegen het hoofd heeft geslagen.

4.5 De bewezenverklaring

De rechtbank acht wettig en overtuigend bewezen dat verdachte

1.

hij op 24 augustus 2009 te Vierhouten, gemeente Nunspeet ter uitvoering van het door verdachte voorgenomen misdrijf om tezamen en in vereniging met anderen, met het oogmerk om zich en anderen wederrechtelijk te bevoordelen door bedreiging met geweld [aangever] en [aangeefster] te dwingen tot de afgifte van een hoeveelheid geld 25.000,- toebehorende aan die [aangever] en/of [aangeefster] met voormeld oogmerk tezamen en in vereniging met anderen dreigend tegen die [aangever] en/of [aangeefster] heeft gezegd: “Ik krijg 25.000,- euro van jou, anders pak ik je aan”, en “Ik wil dat geld zien, want anders sloop ik de caravan”, althans woorden van gelijke dreigende aard en strekking, terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid;

2.

hij op 2 oktober 2009 in de gemeente Lelystad ter uitvoering van het door verdachte voorgenomen misdrijf om tezamen en in vereniging met een ander met het oogmerk om zich en een ander wederrechtelijk te bevoordelen door bedreiging met geweld [aangever 2] en [aangeefster 2] te dwingen tot afgifte van een hoeveelheid geld 10.000,- euro toebehorende aan die [aangever 2] en/of [aangeefster 2], met voormeld oogmerk tezamen en in vereniging met een ander tegen die [aangever 2] en [aangeefster 2] dreigend heeft gezegd: “Als je me binnen een week geen geld regelt ga ik je kapot schieten, met je wijf d’r bij” en “Hé binnen een week ga ik tien ruggen van je krijgen, anders schiet ik jou en wijf…….kapotschieten”en “Eind van de week wil ik tien ruggen hebben, moet jou en je wijf kapot schieten, alle twee, allebei, alle twee, allebei”, terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid;

3.

hij in de periode van 4 augustus 2009 tot en met 5 augustus 2009 in de gemeente Lelystad een wapen van categorie III, te weten een vuurwapen, merk Browning, type .22, voorhanden heeft gehad;

4.

hij op 02 juni 2009 in de gemeente Lelystad [aangeefster ] en [aangeefster ] heeft bedreigd met enig misdrijf tegen het leven gericht, en/of met enig misdrijf waardoor gevaar voor de algemene veiligheid van personen en/of goederen ontstaat, immers heeft verdachte opzettelijk voornoemde [aangeefster ] dreigend de woorden toegevoegd: "Ik weet waar je woont" en "We komen je opzoeken en dan blazen we de boel op" en "Ik leg zo een bom onder die grijze personenauto", opzettelijk voornoemde [aangeefster ] dreigend de woorden toegevoegd: "Jouw kenteken heb ik ook genoteerd, dus ik weet waar je woont. Jouw huis blaas ik ook op”;

5.

hij in de periode van 01 augustus 2009 tot en met 31 augustus 2009 in de gemeente Lelystad opzettelijk mishandelend een persoon (te weten [aangever 5], in het gezicht heeft geslagen, waardoor deze pijn heeft ondervonden.

Van het meer of anders ten laste gelegde zal verdachte zal worden vrijgesproken, aangezien de rechtbank dat niet wettig en overtuigend bewezen acht.

5 De strafbaarheid van het bewezenverklaarde

Er zijn geen feiten of omstandigheden aannemelijk geworden die de strafbaarheid van het feit uitsluiten. Dit levert de volgende strafbare feiten op:

Feit 1:

Poging tot afpersing, terwijl het feit wordt gepleegd door twee of meer verenigde personen, strafbaar gesteld bij artikel 317 juncto de artikelen 45 en 312 van het Wetboek van Strafrecht.

Feit 2:

Poging tot afpersing, terwijl het feit wordt gepleegd door twee of meer verenigde personen, strafbaar gesteld bij artikel 317 juncto de artikelen 45 en 312 van het Wetboek van Strafrecht.

Feit 3:

Handelen in strijd met artikel 26 eerste lid van de Wet Wapens en Munitie, strafbaar gesteld bij artikel 55 van de Wet Wapens en Munitie.

Feit 4:

Bedreiging met enig misdrijf tegen het leven gericht dan wel waardoor gevaar voor de algemene veiligheid van personen en/of goederen ontstaat, strafbaar gesteld bij artikel 285 van het Wetboek van Strafrecht.

Feit 5:

Mishandeling, strafbaar gesteld bij artikel 300 van het Wetboek van Strafrecht.

6 De strafbaarheid van de verdachte

Verdachte is strafbaar, omdat niet is gebleken van een omstandigheid die zijn strafbaarheid uitsluit.

7 De strafoplegging

7.1 De vordering van de officier van justitie

De officier van justitie heeft gevorderd dat verdachte ter zake van de door hem bewezen feiten zal worden veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van drie jaren met aftrek van voorarrest waarvan één jaar voorwaardelijk met een proeftijd van twee jaar met de bijzondere voorwaarde zich gedurende de proeftijd te onthouden van middelijk noch onmiddellijk contact met [aangever 2] en [aangeefster 2].

7.2 Het standpunt van de verdediging

De raadsman heeft ter terechtzitting geen opmerkingen aangaande de op te leggen straf gemaakt.

7.3 Het oordeel van de rechtbank

De rechtbank overweegt wat de straf betreft, dat op grond van de aard en ernst van het bewezen verklaarde, de omstandigheden waaronder verdachte zich daaraan heeft schuldig gemaakt en de persoon van verdachte, zoals één en ander uit het onderzoek ter terechtzitting is gebleken, aan verdachte de straf behoort te worden opgelegd, zoals deze hierna zal worden bepaald, waarbij nog het volgende wordt overwogen.

Verdachte heeft zich schuldig gemaakt aan een vijftal ernstige strafbare feiten, die, gelet op de dreiging die daarvan uitgaat, zeer traumatisch zijn geweest voor de slachtoffers daarvan en grote gevoelens van angst en onveiligheid in de maatschappij teweeg hebben gebracht. Het gemak waarmee verdachte geweld aanwendt, baart de rechtbank zorgen.

De rechtbank is in dit geval dan ook van oordeel dat een onvoorwaardelijke vrijheidsstraf noodzakelijk is, omdat aard en ernst van het bewezen en strafbaar verklaarde, gelet ook op het strafrechterlijke verleden van de verdachte, door een lichtere strafrechterlijke afdoening van de zaak miskend zouden worden.

Bijzondere omstandigheden die tot een ander oordeel zouden moeten voeren, acht de rechtbank niet aanwezig.

Bij haar beslissing heeft de rechtbank rekening gehouden met een de verdachte betreffend uittreksel justitiële documentatie d.d. 19 januari 2010.

8 De benadeelde partij

De benadeelde partij [aangeefster] vordert een schadevergoeding van € 225,00 voor het onder 1 ten laste gelegde feit.

8.1 De vordering van de officier van justitie

De officier van justitie heeft geconcludeerd tot toewijzing van het gehele bedrag van

€ 225,00. Voor het toe te wijzen bedrag heeft hij verzocht de schadevergoedings-maatregel op te leggen.

8.2 Het standpunt van de verdediging

De raadsman heeft geconcludeerd tot niet-ontvankelijk verklaring van de benadeelde partij in verband met de door hem betoogde vrijspraak.

8.3 Het oordeel van de rechtbank

De rechtbank is van oordeel dat de gevorderde schade van € 225, 00 een rechtstreeks gevolg is van het onder 1 bewezen verklaarde feit en acht verdachte aansprakelijk voor die schade.

Het gevorderde acht zij tot dat bedrag voldoende aannemelijk gemaakt en zij zal de vordering hoofdelijk toewijzen.

Met betrekking tot de toegekende vordering van de benadeelde partij zal de rechtbank tevens de schademaatregel opleggen.

9 De wettelijke voorschriften

De beslissing berust op de artikelen 10, 27, 36f, 45, 57, 91, 285, 300, 312 en 317 van het Wetboek van Strafrecht en de artikelen 26 en 55 van de Wet Wapens en Munitie, zoals deze artikelen luidden ten tijde van het bewezen verklaarde.

.

10 De beslissing

De rechtbank:

Bewezenverklaring

- verklaart het ten laste gelegde bewezen, zodanig als hierboven onder 4.5 is omschreven;

- spreekt verdachte vrij van wat meer of anders is ten laste gelegd;

Strafbaarheid

- verklaart het bewezen verklaarde feit strafbaar;

- verklaart verdachte strafbaar;

Strafoplegging

- veroordeelt verdachte tot een gevangenisstraf voor de duur van 18 (achttien) maanden;

- bepaalt dat de tijd die verdachte voor de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in voorarrest heeft doorgebracht in mindering wordt gebracht bij de tenuitvoerlegging van de opgelegde gevangenisstraf;

Benadeelde partij

- veroordeelt verdachte tot betaling aan de benadeelde partij [aangeefster] van € 225,00 ter zake immateriële en materiële schade vermeerderd met de wettelijke rente sinds de dag waarop de thans bewezen verklaarde feiten jegens de benadeelde partij werden gepleegd, te weten 24 augustus 2009, tot die van voldoening, hoofdelijk met dien verstande, dat indien en voor zover zijn mededader betaalt, verdachte in zoverre van deze verplichting zal zijn bevrijd;

- veroordeelt verdachte in de kosten van de benadeelde partij tot nu toe gemaakt en ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog te maken, tot op heden begroot op nihil;

- legt aan verdachte de verplichting op aan de Staat, ten behoeve van het slachtoffer [aangeefster] € 225,00 te betalen, bij niet betaling te vervangen door 4 dagen hechtenis, met dien verstande dat toepassing van de vervangende hechtenis de betalingsverplichting niet opheft;

- bepaalt dat indien verdachte en/of zijn mededader heeft voldaan aan de verplichting te betalen aan de Staat, daarmee verdachtes verplichting tot betaling aan de benadeelde partij [aangeefster] in zoverre komt te vervallen en andersom dat, indien verdachte en/of zijn mededader hebben voldaan aan de verplichting tot betaling aan de benadeelde partij, daarmee verdachtes verplichting tot betaling aan de Staat in zoverre komt te vervallen.

Dit vonnis is gewezen door mr. A.P. de Jong- de Goede, voorzitter, mrs. G.H. Meijer en C.P. Lunter, rechters, in tegenwoordigheid van mr. J.E. Doornwaard, griffier, en is uitgesproken ter openbare terechtzitting op 2 maart 2010