Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBZLY:2010:BM1467

Instantie
Rechtbank Zwolle-Lelystad
Datum uitspraak
23-02-2010
Datum publicatie
21-06-2010
Zaaknummer
167432 - KG ZA 10-57
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Kort geding
Inhoudsindicatie

Onjuiste vermelding van woonplaats in dagvaarding.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Prg. 2010/173
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

vonnis

RECHTBANK ZWOLLE-LELYSTAD

Sector civiel recht

zaaknummer / rolnummer: 167432 / KG ZA 10-57

Vonnis in kort geding van 23 februari 2010

in de zaak van

de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid

HOMERO SUSSO BEHEER B.V.,

gevestigd te Surhuizum,

eiseres,

advocaat mr. F. van der Hoef te Burgum,

tegen

MR. W.M. LIMBERGER

in hoedanigheid van curator in het faillissement van de besloten vennootschap Duurzaam Verlichting Advies B.V.,

gevestigd en kantoorhoudende te Zwolle,

gedaagde,

advocaat mr. M.G.I.W. Teunis te Zwolle.

Partijen zullen hierna Homero Susso en Limberger q.q. genoemd worden.

1. De procedure

1.1. Het verloop van de procedure blijkt uit:

- de dagvaarding

- de brief d.d. 10 februari 2010 van Limberger q.q. met 7 producties

- de faxbrief d.d. 11 februari 2010 van Limberger q.q. met 1 productie

- de mondelinge behandeling

- de pleitnota van Homero Susso

- de pleitnota van Limberger q.q.

1.2. Ten slotte is vonnis bepaald.

2. De feiten

2.1. [A] Heerenveen B.V. (hierna: [A]) heeft op 14 september 2009 bij Duurzaam Verlichting Advies B.V. (hierna: DVA) een order geplaatst tot het leveren van 275 ledlampen.

2.2. DVA is op 21 oktober 2009 in staat van faillissement verklaard.

2.3. Op 12 november 2009 zijn er 275 ledlampen aan [A] geleverd en gefactureerd.

2.4. Op 24 november 2009 heeft een telefoongesprek plaatsgevonden tussen Limberger q.q. en de heer [B] (hierna: [B]) over de overname van activa uit de boedel van DVA door [B] Management B.V. (hierna: [B] Management). Naar aanleiding van dit gesprek heeft [B] op 25 november 2009 een brief aan Limberger q.q. verzonden. Deze brief vermeldt onder meer:

‘Hierbij doe ik u naar aanleiding van ons telefonisch onderhoud van vanmiddag ons mondeling overeengekomen voorstel tot overname van de boedel toekomen.

Voorstel tot overname van de boedel:

1. Overname 3 tal bedrijfauto’s EUR 2.000,00

2. Overname inventaris inclusief de server

apparatuur die in Steenwijk staat 3.950,00

3. Magazijnvoorraad 1.500,00

4. Handelsnamen HeijTech Services HeijTech Lightning 2.550,00

5. Debiteuren 0,00

Totaal exclusief de BTW EUR 10.000,00’

2.5. Limberger q.q. en [B] Management hebben vervolgens op 7 december 2009 een koopovereenkomst getekend. Deze overeenkomst vermeldt onder meer:

‘Artikel 1 Verkoop en koop van activa

1.1. Verkoper verkoopt en draagt bij deze over aan koper, gelijk koper van verkoper koopt en aanvaardt:

I. de inventaris, één en ander blijkens het taxatierapport (bijlage 1) opgemaakt door FDR & Associés B.V. d.d. 21 oktober 2009;

II. de voorraad welke zich bevindt in het pand [adres], één en ander blijkens het taxatierapport opgemaakt door FDR & Associés B.V. d.d. 21 oktober 2009;

III. rollend materieel, één en ander blijkens het taxatierapport opgemaakt door FDR & Associés B.V. d.d. 21 oktober 2009;

IV. de handelsnamen HeijTech Services en HeijTech Lightning, en voorzover overdraagbaar: domeinnamen en telefoon- en faxnummers;

(…)

Artikel 2 De koopprijs

2.1. De koopprijs voor de onder artikel 1 genoemde activa bedraagt in totaal EUR 10.000,-- (zegge: tienduizend euro). Dit bedrag is als volgt samengesteld:

I. inventaris ad EUR 2.570,--

II. voorraad ad EUR 650,--

III. rollend materieel ad EUR 1.950,--

IV. handelsnamen/telefoon ad EUR 4.830,-- ’

3. Het geschil

3.1. Homero Susso vordert Limberger q.q. te veroordelen om binnen twee dagen na dit vonnis bij aangetekend schrijven aan [A] te verklaren dat hij als curator in het faillissement van DVA geen aanspraak maakt op betaling van de openstaande factuur d.d. 12 november 2009 ten bedrage van EUR 19.392,84, onder verbeurte van een dwangsom van EUR 2.500,- voor iedere dag dat Limberger q.q. hiermee in gebreke blijft met een maximum van EUR 25.000,-. Voorts vordert Homero Susso Limberger q.q. te veroordelen in de proceskosten.

3.2. Limberger q.q. voert verweer. Op de stellingen van partijen wordt hierna, voor zover van belang, nader ingegaan.

4. De beoordeling

Geldige dagvaarding en bevoegdheid

4.1. Limberger q.q. stelt zich op het standpunt dat de dagvaarding nietig is, omdat de daarop vermelde vestigingsplaats van Homero Susso niet juist is en omdat Homero Susso geen woonplaats heeft gekozen in de gemeente waar de voorzieningenrechter zitting houdt (maar bij de griffie van de rechtbank te Leeuwarden). Voorts betoogt Limberger q.q. dat de voorzieningenrechter te Zwolle-Lelystad niet bevoegd is, nu de mondelinge last als bedoeld in artikel 254 lid 2 Rv door de voorzieningenrechter te Leeuwarden is verleend.

Homero Susso heeft erkend dat de genoemde punten onjuist zijn weergegeven in de dagvaarding. Deze onjuistheden worden echter gedekt door de aanwezigheid van Limberger q.q. ter zitting.

4.2. Vooropgesteld wordt dat het ontbreken van de woonplaats van de eisende partij op de dagvaarding tot nietigheid van de dagvaarding kan leiden, wanneer het aannemelijk is dat gedaagde door het gebrek onredelijk is benadeeld. Een onjuiste vermelding van de woonplaats kan echter, bij gebreke van een wettelijke grondslag daarvoor, niet tot nietigheid leiden. Immers, de dagvaarding vermeldt een woonplaats, zij het een verkeerde.

Op grond van artikel 111 lid 2 Rv dient de dagvaarding de door eiser gekozen woonplaats in Nederland te vermelden. In tegenstelling tot hetgeen Limberger q.q. stelt, is niet (langer) vereist dat deze woonplaats gelegen is in de gemeente waar de rechter zitting houdt. Nu de griffie van de rechtbank in Leeuwarden een bestaande woonplaats in Nederland is, heeft Homero Susso – daargelaten of zij deze keuze willens en wetens heeft gemaakt – aan het vereiste van artikel 111 lid 2 Rv voldaan.

Kortom, beide onjuistheden kunnen niet tot nietigheid van de dagvaarding leiden.

4.3. Ten aanzien van het bevoegdheidsverweer overweegt de rechtbank als volgt. Gelet op de vestigingsplaats van DVA is de voorzieningenrechter te Zwolle-Lelystad relatief bevoegd van de vordering kennis te nemen. De aanvraag als bedoeld in artikel 254 lid 2 Rv en artikel 2.1 van het procesreglement kort gedingen rechtbanken sector civiel/familie is ingediend bij de rechtbank te Zwolle-Lelystad. De voorzieningenrechter constateert dat de vermelding dat is gedagvaard “krachtens mondelinge last van de voorzieningenrechter bij de Rechtbank te Leeuwarden” niet overeenkomt met hetgeen daadwerkelijk is geschied, en daarmee – kennelijk – een verschrijving betreft. Deze verschrijving kan er evenwel niet toe leiden dat de voorzieningenrechter te Zwolle-Lelystad niet bevoegd is, temeer nu de aanwijzing van de rechter die van de zaak kennis neemt en het adres van de rechtbank wel juist zijn weergegeven.

4.4. Overigens geldt voor alle onjuistheden in de dagvaarding dat Limberger q.q. ter zitting is verschenen en dat hem bekend is door welke partij hij is gedagvaard, zodat deze in zoverre – klaarblijkelijk – niet tot verwarring hebben geleid.

Inhoudelijke beoordeling

4.5. Van een spoedeisend belang is in voldoende mate gebleken. Voorts valt niet in te zien, zoals door Limberger q.q. gesteld, dat de zaak zich niet leent voor een behandeling in kort geding.

4.6. Homero Susso heeft gesteld dat de order van [A] geen onderhanden werk is dat onderdeel uitmaakt van de boedel, omdat er geen overeenkomst tot stand is gekomen tussen DVA en [A]. DVA heeft de opdracht van [A] niet kunnen aanvaarden, omdat de medebestuurder van DVA ([C]) daar niet aan mee wilde werken.

Om de order toch te kunnen realiseren heeft [B] deze doorgegeven aan Homero Susso. Homero Susso heeft de ledlampen vervolgens besteld in China en geleverd aan [A]. Voorts heeft zij de leverancier in China betaald en de levering aan [A] in rekening gebracht, waardoor een overeenkomst tussen Homero Susso en [A] tot stand is gekomen.

Daarnaast heeft Homero Susso aangevoerd dat de order is overgenomen door [B] Management. Dit is overeengekomen tussen Limberger q.q. en [B] op 24 november 2009 in een telefoongesprek dat plaatsvond in het kader van de onderhandelingen over de overname van (een deel van) de activa van DVA door [B] Management. De koopprijs is in verband met de overname van de order verhoogd van EUR 5.500,- naar EUR 10.000,-. Ter onderbouwing van zijn standpunt heeft Homero Susso een aantal schriftelijke verklaringen overgelegd die de door [B] gestelde inhoud van het telefoongesprek bevestigen.

4.7. Limberger q.q. heeft de stellingen van Homero Susso gemotiveerd betwist. Zo heeft Limberger q.q. weersproken dat geen overeenkomst tot stand is gekomen tussen DVA en [A]. Ter onderbouwing hiervan heeft hij de order van [A] overgelegd. Voorts heeft hij de factuur van 12 november 2009 overgelegd, waarop in het briefhoofd “HeijTech Services” is vermeld. Dit was de handelsnaam van DVA, hetgeen impliceert dat Homero Susso de ledlampen namens DVA heeft geleverd.

Daarnaast heeft hij weersproken dat een overeenkomst tot stand is gekomen tussen Homero Susso en [A], nu dit niet door middel van enkel een levering kan geschieden en [B] ter zitting heeft verklaard dat hij [A] niet van het doorgeven van de order op de hoogte heeft gebracht.

Ook is door Limberger q.q. uitgebreid betwist dat de order van [A] is overgedragen aan [B] Management. Hij heeft bevestigd dat de koopprijs van de over te nemen activa in het telefoongesprek tussen hem en [B] verhoogd is, maar dit hield verband met het feit dat [B] naast de reeds in eerdere onderhandelingen besproken activa ook drie bedrijfsauto’s en de handelsnamen “Heijtech Services” en “Heijtech Lightning” wilde overnemen. Er is niet gesproken over de order van [A]. De curator was op dat moment ook niet op de hoogte van deze order. De door Limberger q.q. overgelegde bevestigingsbrief van [B] van 25 november 2009 en de koopovereenkomst van 7 december 2009 vermelden geen overname van onderhanden werk. Voorts zou Limberger q.q. nooit akkoord zijn gegaan (en daarvoor ook geen toestemming hebben gekregen van de rechter-commissaris) met een koopprijs van EUR 10.000,00 als de order onderdeel zou hebben uitgemaakt van de over te nemen activa. De order had immers een waarde van tenminste EUR 7.000,00.

4.8. De voorzieningenrechter overweegt als volgt. Het gevorderde is toewijsbaar indien met voldoende mate van zekerheid te verwachten is dat de bodemrechter – later oordelende – de vordering zal toewijzen.

In het licht van de gemotiveerde betwisting van Limberger q.q. is de voorzieningenrechter voorshands van oordeel dat zonder nadere bewijslevering – waarvoor in kort geding geen plaats is – thans niet met voldoende mate van zekerheid is vast te stellen dat de bodemrechter desgevraagd zal beslissen dat Limberger q.q. geen recht heeft op betaling van de openstaande factuur van 12 november 2009. Alleen dan zou immers van hem verlangd kunnen worden dat hij de gevorderde verklaring afgeeft. Het volgende is in dit verband van belang.

Niet is voldoende aannemelijk geworden dat geen overeenkomst tot stand is gekomen tussen DVA en [A]: het feit dat de bestuurders van DVA het niet met elkaar eens konden worden over de verwerking van de order wil niet zeggen dat er geen overeenkomst tot stand is gekomen met [A]. Bovendien is niet duidelijk geworden wat Homero Susso bedoeld met het “doorgeven” van de order aan Homero Susso. Zonder instemming van [A] heeft er in ieder geval geen overeenkomst tot stand kunnen komen tussen [A] en Homero Susso.

Voorts is evenmin voldoende komen vast te staan dat de order onderdeel uitmaakte van de overname van de activa door [B] Management. Homero Susso heeft weliswaar een aantal verklaringen overgelegd ter onderbouwing van zijn standpunt, maar bij de betrouwbaarheid daarvan kunnen vraagtekens geplaatst worden nu de bewoordingen van de verklaringen identiek zijn en [B] ter zitting heeft verklaard dat de getuigen deze samen hebben opgesteld. Een kort geding procedure leent zich niet voor een nadere toetsing van de betrouwbaarheid van deze verklaringen.

Tot slot dragen de tegenstrijdige stellingen van Homero Susso dat enerzijds geen sprake is van onderhanden werk en anderzijds dit onderhanden werk aan [B] Management is overgedragen niet bij aan de helderheid van zijn standpunt.

4.9. De vordering zal derhalve worden afgewezen.

4.10. Homero Susso zal als de in het ongelijk gestelde partij in de proceskosten worden veroordeeld. De kosten aan de zijde van Limberger q.q. worden begroot op:

- vast recht EUR  263,00

- salaris advocaat 904,00

Totaal EUR  1.167,00

5. De beslissing

De voorzieningenrechter

5.1. wijst de vorderingen af,

5.2. veroordeelt Homero Susso in de proceskosten, aan de zijde van Limberger q.q. tot op heden begroot op EUR 1.167,00,

Dit vonnis is gewezen door mr. T.R. Hidma en in het openbaar uitgesproken op 23 februari 2010.