Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBZLY:2010:BM1200

Instantie
Rechtbank Zwolle-Lelystad
Datum uitspraak
22-02-2010
Datum publicatie
19-04-2010
Zaaknummer
166893 - KG ZA 10-26
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Kort geding
Inhoudsindicatie

IPR. Geldvordering. Opheffing beslag.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

vonnis

RECHTBANK ZWOLLE-LELYSTAD

Sector civiel recht

zaaknummer / rolnummer: 166893 / KG ZA 10-26

Vonnis in kort geding van 22 februari 2010

in de zaak van

1. [A],

wonende te [woonplaats],

2. de rechtspersoon naar het recht van Duitsland

KODEWA GMBH CO. KG,

gevestigd te [woonplaats], Duitsland

eisers in conventie,

verweerders in reconventie,

advocaat mr. K.A. Krikke,

tegen

1. de naamloze vennootschap

SPYKER CARS N.V.,

gevestigd te [woonplaats],

gedaagde in conventie

eiseres in reconventie

advocaat mr. R.G.J. de Haan

2. de rechtspersoon naar het recht van het Verenigd Koninkrijk

FORCE INDIA FORMULA ONE TEAM LIMITED,

gevestigd te [woonplaats], Groot-Brittannië,

gedaagde in conventie

advocaat mr. B.D. Craemer.

Partijen zullen hierna [A], Kodewa, Spyker en Force India genoemd worden.

1. De procedure

1.1. Het verloop van de procedure blijkt uit:

- de dagvaarding van 25 januari 2010 met producties

- de door mr. De Haan bij brief van 9 februari 2010 overgelegde producties alsmede de eis in reconventie

- de mondelinge behandeling ter openbare terechtzitting van 11 februari 2010

- de pleitaantekeningen van [A] c.s.

- de pleitnotities van Spyker

- de aantekeningen ter mondelinge behandeling van Force India.

1.2. Ten slotte is vonnis bepaald.

2. De feiten

2.1. [A] was teammanager van een Formule 1 team. Hij zette zich onder meer in voor fondsenwerving. Van januari 2005 tot september 2006 was dit Formule 1 team in handen van Jordan/Midland.

2.2. Genoemd Formule 1 team is in september 2006 overgenomen door Spyker. De onderneming werd als dochteronderneming van Spyker omgedoopt tot Spyker F 1 Team Limited. In de overeenkomst die [A] op 1 september 2006 met het Spyker F 1 Team Ltd heeft gesloten is onder meer bepaald:

Ҥ Remuneration

[…]

4.4 Mr. [A] is entitled to a commission if the Company or any other member of the Spyker Group enters into a commercial agreement (with cash equivalency) with one of the sponsors […] during the term of this Agreement as a direct result of an introduction effected by Mr. [A]. The commission shall be 3 % of the total sums irrevocably received or saved […] and shall be payable within two (2) weeks after receipt of a corresponding invoice by Mr. [A].

[…]

§ 10 General Provisions

[…]

10.5 This Agreement shall be governed by the laws of the United Kingdom. The applicable courts in the United Kingdom shall have the exclusive jurisdiction over any dispute arising from or in connection with this Agreement.”

2.3. In 2007 is het Formule 1 team overgenomen door Force India. De onderneming werd toen omgedoopt tot Force India One Team Limited.

2.4. In een emailbericht van 19 januari 2008 heeft [B], bestuurder van Force India, voormalig lid van de Raad van Commissarissen van Spyker (hierna: [B]), aan [A] geschreven:

“I do not have any files left from the Midland acquisition, but I fully recollect that the 3% fee arrangement was clearly documented during the acquisition process and that we discussed this several times with Spyker mangement one time we discussed this on the day CA married in the Amstel Hotel. In that meeting you, Victor, Michiel and me discussed your draft employment contract.

The last time we discussed it in Bahrein and I remember it was agreed to respect and to support the 3% fee, but that Spyker did not like to get involved in respect of the “10 equity” deal.”

2.5. Bij brief van 24 februari 2009 heeft [B] aan [A] onder meer geschreven, (waarbij met OIH wordt bedoeld: Orange India Holding S.a.r.l., de (indirecte) moedervennootschap van Force India):

“The only further real outstanding issue to be resolved is the outstanding 3% contractual agreed commission on sponsors you brought to the Company in the years 2006/2007 amounting to 1,200,000.00 Euros. This situation is complicated by the de-merger event of the F1 Spyker division and which has led to a ‘novation agreement’ between the parties FIF1 (OIH), Spyker and yourself. As there is still a dispute between OIH and Spyker on the completion account en therefore some ‘new’ outstanding issues, it appears there will be no quick solution on who is going to pay the 1,200,000.00 Euros to you. […]”

2.6. In een emailbericht van 7 september 2009 van [C], bestuurder van Spyker, aan [A] is het volgende te lezen:

“Let me make one thing clear. i never ever approved your alledged entitlement to whatever commission at bahrein or any where else for hat matter. on the contrary, at bahrein i made it blatantly clear that i dismissed all of your claims. we will discuss this matter with oih and come back to you with a formal point of view as soon as practically possible.”

3. Het geschil in conventie

3.1. [A] c.s. vorderen dat de voorzieningenrechter bij vonnis uitvoerbaar bij voorraad:

a. Spyker en Force India, dan wel Spyker of Force India, zal veroordelen om binnen twee weken na dagtekening van het vonnis aan [A] c.s. het per 19 april 2007 openstaande bedrag van EURO 1.200.000,- te betalen, dan wel een door de voorzieningenrechter te bepalen bedrag;

b. voornoemde hoofdsom te vermeerderen met de buitengerechtelijke incassokosten ter hoogte van EURO 6.422,-, dan wel een door de voorzieningenrechter te bepalen bedrag;

c. voornoemde hoofdsom tevens te vermeerderen met de wettelijke handelsrente over dit bedrag met ingang van het opeisbaar worden van de vordering, te weten 3 mei 2007, dan wel een door de voorzieningenrechter te bepalen datum;

d. Spyker en Force India dan wel Spyker of Force India, zal veroordelen in de kosten van dit geding alsmede bij een veroordeling van Spyker, haar tevens te veroordelen tot betaling van de beslagkosten, welke thans zijn begroot op EURO 184,30.

3.2. Spyker en Force India voeren verweer.

3.3. Op de stellingen van partijen wordt hierna, voor zover van belang, nader ingegaan.

4. Het geschil in reconventie

4.1. Spyker vordert dat de voorzieningenrechter bij vonnis, voor zover mogelijk uitvoerbaar bij voorraad, op de voet van artikel 705 Rv het conservatoir derdenbeslag op zal heffen dat door [A] c.s. ten laste van Spyker is gelegd en [A] c.s. zal veroordelen om binnen zeven dagen na het wijzen van dit vonnis aan Spyker te betalen de kosten van het geding, onder bepaling dat indien de gedingkosten niet binnen genoemde termijn zijn voldaan, hierover vanaf de achtste dag wettelijke rente verschuldigd is.

4.2. [A] c.s. voert verweer.

4.3. Op de stellingen van partijen wordt hierna, voor zover van belang, nader ingegaan.

5. De beoordeling

de vorderingen met betrekking tot Spyker

in conventie en in reconventie

5.1. Allereerst dient de vraag te worden beantwoord of de Nederlandse rechter bevoegd is van de onderhavige vorderingen in conventie en in reconventie kennis te nemen. Op basis van de Verordening nr. 44/2001 (hierna: de EEX-Vo) is de rechtbank ingevolge art. 2 EEX-Vo bevoegd van de vordering in conventie kennis te nemen, nu Spyker in Nederland is gevestigd. Voor de vordering in reconventie kan de bevoegdheid op art. 24 EEX-Vo worden gebaseerd, nu [A] c.s. wel verweer hebben gevoerd in reconventie en de bevoegdheid van de Nederlandse rechter niet hebben betwist. Hoewel de overeenkomst(en) waarop [A] c.s. hun vorderingen baseren een forumkeuzebeding bevatten, hebben zowel [A] c.s. als Spyker ter zitting meegedeeld dat zij zich daarop niet wensen te beroepen.

5.2. Daarmee komt de rechtbank toe aan de vraag welk recht op de onderhavige vorderingen van toepassing is. Nu uit de stellingen en weren van partijen blijkt dat zij van oordeel zijn dat het Nederlandse recht van toepassing is, neemt de rechtbank tot uitgangspunt dat zij het Nederlandse recht hebben gekozen als het toepasselijke recht.

voorts in conventie

5.3. [A] c.s. baseren hun vordering jegens Spyker op de stelling dat zij met de opeenvolgende eigenaren van het Formule 1 team overeenkomsten hebben gesloten waarin is bepaald dat zij 3% van de door [A] aangebrachte sponsorgelden zouden krijgen. Over de jaren 2005/2006 hebben zij die gelden niet ontvangen. Omdat Force India de contracten van de vorige eigenaren van het Formule 1 team heeft overgenomen, is Force India in principe gehouden de overeengekomen percentages van de sponsorgelden aan [A] c.s. te betalen. Tussen partijen ([A] c.s., Spyker, Force India) is echter in 2008 een ‘novation agreement’ gesloten, waarin is bepaald dat de vordering van [A] c.s. op Force India zou worden overgenomen door Spyker. Daarnaast hebben [C] en [D], destijds bestuurders van Spyker, en [B], destijds lid van de Raad van Commissarissen van Spyker, met [A] afgesproken dat [A] c.s. hun facturen ter zake konden indienen bij Spyker. Niet alleen op grond van de novation agreement, maar ook op grond van laatstgenoemde mondelinge afspraken is Spyker derhalve gehouden de facturen van [A] c.s. te voldoen.

5.4. De gevorderde voorziening strekt tot betaling van een geldsom. Voor toewijzing van een dergelijke vordering in kort geding is slechts dan plaats, als het bestaan en de omvang van de vordering in hoge mate aannemelijk zijn, terwijl voorts uit hoofde van onverwijlde spoed een onmiddellijke voorziening vereist is en het risico van onmogelijkheid van terugbetaling bij afweging van de belangen van partijen - aan toewijzing niet in de weg staat.

5.5. Spyker betwist dat zij gebonden is door de novation agreement. Zij voert aan dat zij de novation agreement niet heeft ondertekend, hetgeen ook door [A] c.s. in de dagvaarding is erkend. Partijen zijn het dus niet eens over de vraag of de novation agreement tussen hen van kracht is. Dat betekent dat in de onderhavige procedure, die zich niet leent voor bewijslevering, niet vast staat dat de novation agreement tussen partijen is overeengekomen. [A] c.s. kunnen daarom in dit kort geding aan deze overeenkomst geen rechten ontlenen.

5.6. Ter onderbouwing van hun stelling – dat mondeling is overeengekomen dat [A] c.s. hun facturen bij Spyker konden indienen en dat Spyker deze facturen zou voldoen –hebben [A] c.s. brieven (geciteerd in rechtsoverwegingen 2.4. en 2.5.) overgelegd van [B], die destijds lid was van de raad van commissarissen van Spyker.

Spyker heeft de stelling van [A] c.s. gemotiveerd betwist. Spyker merkt op dat [B] in de door [A] c.s. overgelegde brieven namens Force India sprak en niet namens Spyker. Spyker wijst voorts (onder meer) naar de email van [C] van 7 september 2009 (geciteerd in 2.6.).

Zonder nadere bewijslevering komt de stelling van [A] c.s. niet vast te staan. Voor nadere onderbouwing of bewijslevering leent de onderhavige kort gedingprocedure zich niet. Nu [A] c.s. ter onderbouwing van hun vordering geen andere feiten of omstandigheden hebben aangevoerd, acht de voorzieningenrechter het bestaan van de vordering niet in voldoende mate aannemelijk voor het toewijzen daarvan. De vordering zal worden afgewezen.

voorts in reconventie

5.7. De opheffing van een conservatoir beslag kan onder meer worden bevolen, indien op straffe van nietigheid voorgeschreven vormen zijn verzuimd, summierlijk blijkt van de ondeugdelijkheid van het door de beslaglegger ingeroepen recht of van het onnodige van het beslag, of, zo het beslag is gelegd voor een geldvordering, indien voor deze vordering voldoende zekerheid is gesteld.

5.8. Spyker baseert haar vordering tot opheffing van het conservatoir beslag op de stelling dat [A] c.s. onvoldoende aannemelijk hebben gemaakt dat Spyker de contractuele verplichtingen van Force India heeft overgenomen, en dat derhalve niet aannemelijk is dat [A] c.s. een deugdelijke vordering hebben op Spyker. Spyker betwist voorts de hoogte van de vordering van [A] c.s. Volgens Spyker hebben [A] c.s. over de periode tot 1 september 2006 überhaupt geen recht op enige commissie, omdat met Midland ter zake geen contract is gesloten. [A] c.s. hebben volgens haar bovendien niet duidelijk gemaakt hoeveel sponsorgeld er wanneer en van welke partij is gekregen.

5.9. Naar het oordeel van de voorzieningenrechter is in het onderhavige kort geding niet summierlijk gebleken van de ondeugdelijkheid van het door [A] c.s. ingeroepen recht. Daartoe wordt het volgende overwogen.

Uit de door [A] c.s. overgelegde brieven van [B] blijkt – los van de vraag of [B] die brieven schreef namens Spyker of namens Force India – dat [B] in elk geval de mening is toegedaan dat een commissie is overeengekomen van EUR 1.200.000,- en dat onduidelijk is of Force India dan wel Spyker dat bedrag dient te betalen.

Verder schrijft Spyker in haar eis van reconventie over het overnemen van de verplichtingen van Force India jegens [A] c.s. door Spyker:

Over het overnemen van vermeende contractuele verplichtingen van Force India jegens eisers door Spyker is wel gesproken tussen Spyker en Orange India Holdings S.a.r.l. (Orange India), de huidige (indirecte) moedervennootschap van Force India. Deze gesprekken vonden plaats in het kader van schikkingsonderhandelingen tussen Spyker en Orange India (…). De concept novation agreement is in het kader van deze schikkingonderhandelingen opgesteld. De voorgestelde overname door Spyker van de vermeende contractuele verplichtingen jegens eisers zou onderdeel zijn van een meer omvattende package deal, waarbij een aantal geschilpunten tussen Spyker en Orange India zou worden afgewikkeld.

[…]

Uit de brieven van [B] en uit het door Spyker in de dagvaarding gestelde wordt duidelijk dat de overname door Spyker van de verplichtingen van Force India jegens [A] c.s. onderwerp van onderhandelingen is (geweest). Verder blijkt dat een bedrag van EUR 1.200.000,- is genoemd. In het kader van dit kort geding komt weliswaar niet vast te staan dat de door [A] c.s. gestelde afspraken – omtrent de overname van de verplichtingen jegens [A] c.s. – zijn gemaakt, maar dat betekent nog niet dat (summierlijk) is gebleken dat het door [A] c.s. ingeroepen recht ondeugdelijk is. Dat zal in een bodemprocedure – waarin gelegenheid is voor bewijslevering en uitgebreidere onderbouwing van standpunten – moeten worden beoordeeld. Een afweging van de wederzijdse belangen dient uit te vallen in het voordeel van [A] c.s. Het belang van [A] c.s. om een mogelijkheid tot verhaal te hebben, indien zijn vordering deugdelijk zal blijken, weegt naar het oordeel van de voorzieningenrechter zwaarder dan het risico dat geen verhaal mogelijk zal zijn voor door een onterecht gelegd beslag bij Spyker ontstane schade. De vordering zal worden afgewezen.

de vordering met betrekking tot Force India

5.10. Force India heeft voor alle weren de exceptie van onbevoegdheid ingeroepen. Zij beroept zich op de forumkeuze ex artikel 23 EEX-Vo en wijst erop dat in de contracten waarop [A] c.s. zich jegens haar beroepen een forumkeuzebeding is opgenomen waarin de rechter van het Verenigd Koninkrijk wordt aangewezen als de bevoegde rechter.

5.11. [A] c.s. erkennen dat een forumkeuzebeding is overeengekomen, maar stellen dat de zaak tegen Force India zodanig verknocht is met de zaak tegen Spyker, dat op grond van artikel 7 Rv ook Force India in de onderhavige procedure wordt betrokken.

5.12. De voorzieningenrechter stelt voorop dat de vraag naar de bevoegde rechter te worden beantwoord aan de hand van de EEX-Vo, aangezien [A] c.s. in Duitsland zijn gevestigd en Force India in Groot-Brittannië. Op de voet van artikel 2 EEX-Vo is de rechter in Groot-Brittannië bevoegd van de vordering kennis te nemen, aangezien Force India gevestigd is in Groot-Brittannië. Alle overeenkomsten waarop [A] c.s. hun vordering baseren bevatten een forumkeuzebeding, hetzij voor de rechter te Guernsey, hetzij voor de Engelse rechter. Ingevolge artikel 23 EEX-Vo is de door partijen aangewezen rechter bij uitsluiting bevoegd. Dat betekent dat het beroep van Force India op het forumkeuzebeding slaagt.

5.13. Nu de vraag naar de bevoegde rechter dient te worden beantwoord aan de hand van de EEX-Vo, kunnen [A] c.s. zich niet beroepen op (het Nederlandse) artikel 7 lid 1 Rv. Dit artikel is in belangrijke mate ontleend aan (thans) artikel 6 aanhef en onder 1 EEX-Vo. Voor zover [A] c.s. zich op dit laatste artikel zouden willen beroepen, overweegt de voorzieningenrechter dat artikel 6 aanhef en onder 1 EEX niet kan worden ingeroepen tegen een verweerder die zich met succes heeft beroepen op een forumkeuzeovereenkomst als bedoeld in artikel 23 EEX-Vo (vgl HR 24 september 1999, NJ 2000, 552).

5.14. Uit het vorenstaande volgt dat het beroep van Force India op de onbevoegdheid van de Nederlandse rechter slaagt, zodat de voorzieningenrechter zich onbevoegd dient te verklaren van de vordering jegens Force India kennis te nemen.

6. De beslissing

De voorzieningenrechter

ten aanzien van Spyker

in conventie

6.1. wijst de vordering af;

6.2. veroordeelt [A] c.s. in de kosten van de procedure, aan de zijde van Spyker tot op heden begroot op EUR 904,00;

in reconventie

6.3. wijst de vordering af;

6.4. veroordeelt Spyker in de kosten van de procedure, aan de zijde van [A] c.s. tot op heden begroot op 452,-;

ten aanzien van Force India

6.5. verklaart zich onbevoegd van de vordering kennis te nemen;

6.6. veroordeelt [A] c.s. in de kosten van de procedure, aan de zijde van Force India tot op heden begroot op EUR 904,00.

Dit vonnis is gewezen door mr. Y. Telenga en in het openbaar uitgesproken op 22 februari 2010.