Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBZLY:2010:BM0819

Instantie
Rechtbank Zwolle-Lelystad
Datum uitspraak
10-03-2010
Datum publicatie
14-04-2010
Zaaknummer
152299 - HA ZA 08-1508
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Leverancier van huisbrandolie wordt aangesproken door bodemeigenaar in verband met bodemverontreiniging. Vast staat dat olieleverancier bij één gelegenheid heeft gemorst, maar is gevonden bodemverontreiniging daar op terug te voeren?

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

vonnis

RECHTBANK ZWOLLE-LELYSTAD

Sector civiel recht

zaaknummer / rolnummer: 152299 / HA ZA 08-1508

Vonnis van 10 maart 2010

in de zaak van

de stichting

[eiser],

gevestigd te [woonplaats],

eiseres,

advocaat mr. R.K.E. Buysrogge,

tegen

de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid

FUELPLAZA B.V.,

gevestigd te Staphorst,

gedaagde,

advocaat mr. D. Meulenberg.

Partijen zullen hierna [eiser] en Fuelplaza genoemd worden.

1. De procedure

1.1. Het verloop van de procedure blijkt uit:

- de dagvaarding

- de akte overlegging producties

- de conclusie van antwoord

- de conclusie van repliek tevens akte van wijziging eis

- de conclusie van dupliek

- de akte (houdende uitlating producties) van [eiser].

1.2. Ten slotte is vonnis bepaald.

2. De feiten

2.1. Sinds december 2002 is [eiser], een woningbouwcoöperatie, eigenaar van een perceel grond met daarop een voormalig bejaardenhuis, het Heymanshuis, gelegen aan de [adres] te [woonplaats]. Het Heymanshuis wordt verwarmd door een op huisbrandolie (verder olie) gestookte CV installatie. De olie wordt opgeslagen in de twee ondergrondse tanks, elk met een inhoud van 15.000 liter.

2.2. [eiser] had het perceel aangeschaft met de bedoeling het Heymanshuis te slopen en er eensgezins (koop)woningen te ontwikkelen. In dat kader heeft Ingenieursbureau Van Limborgh B.V. (verder: Van Limborgh) in 2001 de bodem onderzocht. Bij dat onderzoek is gebleken dat in zeer beperkte mate sprake was van bodemverontreiniging en wel bij de twee tanks, het ontluchtingspunt en de vulpunten.

2.3. In afwachting van de benodigde vergunningen laat [eiser] het Heymanshuis beheren door Bureau CareX B.V., een bedrijf dat leegstaande panden beheert en er tijdelijk mensen laat wonen ter voorkoming van kraak. De door CareX aangestelde hoofdbewoner in het Heymanshuis is [A].

2.4. [eiser] schakelt Fuelplaza, die dat vanaf oktober 2002 ook ten behoeve van de vorige eigenaar maandelijks olie voor het Heymanshuis levert, in voor de leverantie van olie. [eiser] ontvangt in april en in juni 2003 een factuur van Fuelplaza; op die facturen staat onder meer dat op verzoek een exemplaar van haar algemene voorwaarden wordt toegezonden.

2.5. Op 27 oktober 2003 vult Fuelplaza, na een daartoe strekkend telefoontje van [A] de tanks met olie. Haar medewerker [B] peilt eerst met behulp van een peilstok de beide tanks om te weten met hoeveel liter hij de tanks kan vullen. (Volgens [eiser] wijzen zijn peilingen uit dat de ene tank met 6000 liter moet worden bijgevuld en de tweede met 7000 liter en volgens Fuelplaza beide tanks met 6800). Omdat de tankinstallatie geen overvulbeveiliging heeft, neemt hij daarbij een veiligheidsmarge in acht (1000 liter per tank volgens [eiser] en 1500 volgens Fuelplaza). De lossnelheid van de pomp is 440 liter per minuut. In verband met het ontbreken van de overvulbeveiliging controleert [B] samen met de bij het vullen aanwezige [A] met enige regelmaat de ontluchtingspijpen: beiden lopen tijdens het vullen een aantal keren naar die ontluchtingspijpen om te kijken of er olie vrijkomt. De ontluchtingpijpen bevinden zich achter een uitbouw en op enige afstand van de vulopening. Zij zijn vanaf de vulopening noch vanaf de tankauto te zien.

2.6. Nadat de eerste tank is gevuld, begint [B] met het vullen van de tweede tank. Ook tijdens het vullen van de tweede tank gaan beiden met enige regelmaat kijken of er geen olie bij de ontluchtingspunten uitstroomt. [B] en [A] staan ook een (geruime) tijd samen bij de tankauto of de vulopening te praten. Op enig moment tijdens het vullen van de tweede tank ziet [A] olie bij de ontluchtingspunten en de olie loopt over het aangrenzende pad. Hij rent naar de tankauto en roept [B] toe te stoppen met vullen. [B] draait de pomp dicht en [A] ziet op de teller van de tankauto dat er op dat moment 6.500 liter olie in de tweede tank is gepompt. Om te voorkomen dat de olie op de openbare weg stroomt, veegt [A] op suggestie of verzoek van [B] met een bezem de olie van het pad op het gras.

2.7. [B] meldt het voorval telefonisch bij Fuelplaza en zegt tegen [A] dat er de volgende dag iemand komt om een en ander te reinigen. [A] informeert [C] van CareX. CareX noch Fuelplaza informeert [eiser] over het voorval.

2.8. De volgende dag komt in opdracht van Fuelplaza een bij haar gedetacheerde medewerker van de Sociale Werkvoorziening om de olieverontreiniging met behup van stoom en ontvetter te verhelpen.

2.9. In november 2003 laat [eiser] in het kader van de voorgenomen sloop een nieuw bodemonderzoek uitvoeren door Van Limborgh. De onderzoeker A. Schriemer van dat bureau constateert in zijn rapport van 26 februari 2004 dat de bodem over een oppervlakte van 1000 m2 is verontreinigd, waarvan 500 m2 ernstig en wel in zodanige mate dat sanering op de korst mogelijke termijn noodzakelijk is. Hij acht zeer onwaarschijnlijk dat de verontreiniging is ontstaan door één calamiteit en volgens hem zijn de tanks meerdere keren overvuld geweest.

2.10. [eiser] stelt Fuelplaza bij brief van 19 april 2004 aansprakelijk voor de saneringskosten, haar interne kosten en de kosten voor juridische bijstand. Fuelplaza en haar verzekeraar, AON Verzekeringen, wijzen aansprakelijkheid van de hand. GAB Robbins Takkenberg B.V. doet in hun opdracht onderzoek naar de verontreining. Zij schrijft in een rapport van 12 september 2005 onder meer: “Wat de exacte oorzaak is geweest van het vrijkomen van huisbrandolie is niet bekend. Het is niet uitgesloten dat een van de ondergrondse tanks te vol is gemaakt, waardoor er via de ontluchtingsleiding huisbrandolie is vrijgekomen. Uit een later uitgevoerd onderzoek blijkt dat de onderhavige tanks op afschot hebben gelegen conform de richtlijnen. …Na ontdekking van de lekkage zijn er beperkte maatregelen genomen…..Door het uitblijven van acties direct na het voorval is het niet uitgesloten, dat de grondverontreiniging groter is geworden. Wij zijn van mening dat de eigenaar hiervoor verantwoordelijk blijft. Het vrijkomen van olie op 27 oktober 2003 zou in lichte mate kunnen hebben bijgedragen tot een bodemverontreiniging..

2.11. [eiser] laat in augustus 2004 de bodem saneren voor een bedrag van

EUR 73.677,95.

2.12. Artikel 10.1 van de algemene voorwaarden van Fuelplaza bepaalt dat deze niet aansprakelijk is voor “fouten of onrechtmatige daden” tenzij sprake is van “een fout of onrechtmatige daad van personen die aangemerkt kunnen worden als organen van diens vennootschap of als leidinggevende functionarissen, en koper tevens aantoont dat er sprake is van opzet of grove schuld”.

Artikel 11 van die voorwaarden bepaalt dat klachten binnen acht dagen schriftelijk moeten worden gemeld.

3. Het geschil

3.1. [eiser] vordert samengevat en na wijziging van eis- veroordeling van Fuelplaza tot betaling van EUR 76.741,72, vermeerderd met rente en kosten.

3.2. Fuelplaza voert verweer. Op de stellingen van partijen wordt hierna, voor zover van belang, nader ingegaan.

4. De beoordeling

4.1. [eiser] stelt dat de verontreiniging geheel aan Fuelplaza is te wijten en dat deze jegens haar toerekenbaar tekort is geschoten dan wel onrechtmatig heeft gehandeld. Zij wijst erop dat Fuelplaza de tankinstallatie kende en dat [B] of bij het peilen een fout heeft gemaakt of bij het vullen de tanks als het ware heeft verwisseld en de grootste hoeveelheid olie in de tank heeft gebracht waar juist de kleinere hoeveelheid in moest. De ontluchtingspijp liep, aldus [eiser], immers al over toen slechts met 6500 liter was bijgevuld. Voor het vullen van de tweede tank had [B] opnieuw moeten peilen. Ook had [B] beter moeten controleren of de olie niet bij de ontluchtingspijpen overstroomde. Verder heeft Fuelplaza na de verontreiniging niet adequaat gehandeld door [A] te vragen de olie op het gras te vegen, door niet een gekwalificeerd reinigingsbedrijf in te schakelen en door [eiser] niet te informeren. Ook heeft Fuelplaza in strijd met de toepasselijke regelgeving de vervuiling niet gemeld aan het bevoegd gezag. Verder komt Fuelplaza geen beroep toe op de exoneratie omdat de algemene voorwaarden niet van toepassing zijn. Bovendien roept [eiser] de nietigheid van die voorwaarden in omdat zij niet aan haar ter hand zijn gesteld. De exoneratie is ook nietig omdat zij jegens haar onredelijk bezwarend is.

4.2. Fuelplaza voert samengevat het volgende aan.

[eiser] heeft pas op 19 april 2004 geklaagd en dat is niet tijdig gelet op het bepaalde in artikel 6: 89 Burgerlijk Wetboek en de toepasselijk algemene voorwaarden. Zij heeft bovendien geen fout gemaakt, want [B] heeft gepeild en door [A] laten controleren of er olie overstroomde. Ook na het voorval heeft zij adequaat gehandeld. De vermeende fout heeft bovendien niet tot schade geleid, want er kan maar hooguit enkele tientallen liters olie uit de tank zijn gestroomd en de tankinstallatie was gebrekkig. Er lekte onder meer olie langs de pakkingsring van het peilglas en sommige leidingen lagen los.

Ook zonder het voorval van 27 oktober 2003 had [eiser] de grond moeten saneren.

Fuelplaza voert aan dat er sprake is van eigen schuld. [eiser] was op de hoogte van de gebrekkigheid van haar tankinstallatie maar veranderde daar niets aan en [A] heeft de ontluchtingspunten onvoldoende in de gaten gehouden.

Verder doet Fuelplaza een beroep op de exoneratie van artikel 10 van haar algemene voorwaarden.

4.3. Een eerste geschilpunt betreft de toepasselijkheid van de algemene voorwaarden. Fuelplaza heeft zich beroepen op het bestaan van een bestendige handelsrelatie tussen partijen en bij dupliek geeft zij een overzicht van de aan [eiser] door haar verzonden facturen. [eiser] handhaaft bij haar laatste akte dat zij vóór 27 oktober 2003 slechts in april en juni 2003 een factuur van Fuelplaza heeft ontvangen. De andere facturen, waar Fuelplaza zich op beroept, zijn gericht aan de Stichting Woonzorg Nederland, de vorige eigenaar. Fuelplaza heeft op die laatste stellingname niet meer kunnen reageren, maar de facturen zijn inderdaad niet gericht aan [eiser]. De rechtbank wil daarover echter nog een reactie van Fuelplaza.

4.4. Indien zou blijken dat inderdaad vóór 27 oktober 2003 maar twee facturen naar [eiser] zijn verzonden, dan is geen sprake van een bestendige handelsrelatie. Het zijn dan zo weinig contracten en de verwijzing naar de voorwaarden is zo weinig expliciet dat Fuelplaza er niet van uit mocht gaan dat die enkele verwijzing voldoende was voor de toepasselijkheid van de voorwaarden. Hetgeen partijen hebben aangevoerd over het ontbreken van de ter hand stelling en de onredelijkheid van het exoneratiebeding, kan in dat geval buiten beschouwing blijven. Dat geldt ook voor de klachttermijn van 8 dagen.

4.5. Het verweer dat [eiser] niet binnen bekwame tijd heeft geklaagd, faalt. Pas na de rapportage van Van Limborgh in februari 2004 werd voor [eiser] duidelijk dat sprake was van een mogelijke tekortkoming of onrechtmatige daad van Fuelplaza. Bovendien is het niet onredelijk dat, ook als [eiser] al eerder bekend mocht zijn met een verontreining, zij de uitkomsten van het onderzoek van een deskundige zou afwachten en wel om te kunnen beoordelen hoe ernstig de verontreiniging was en wat de oorzaak was. Door het rapport bleek immers pas de omvang en mogelijke oorzaak van de verontreiniging. De aansprakelijkheidstelling van april 2004 is dan ook binnen bekwame tijd gedaan.

4.6. Dat de bodem ter plaatse van het Heymanshuis met olie is verontreinigd, staat tussen partijen wel vast en ook dat er op 27 oktober 2003 olie op en in die bodem is gestroomd. Niet staat vast, want Fuelplaza betwist dat en het rapport van Van Limburgh meldt met zo veel woorden dat de verontreiniging hoogstwaarschijnlijk niet alleen aan dat voorval is te wijten, dat de verontreiniging (in zijn geheel) is veroorzaakt door het overstromen van 27 oktober 2003. Bovendien wijst de rapportage van 2001 uit dat de grond toen ook al, zij het licht, was verontreinigd met olie.

4.7. De rechtbank begrijpt het rapport van Van Limburgh thans zo, dat deze meent dat de verontreiniging is veroorzaakt door meerdere gevallen van oliemorsingen bij het vullen van de tanks, onder andere op 27 oktober 2003. Onduidelijk is in hoeverre [eiser] aan Fuelplaza die eerdere oliemorsingen verwijt: uit haar stellingen lijkt te volgen dat zij haar vordering alleen grondt op het voorval van 27 oktober 2003.

[eiser] dient zich daarover uit te laten. Indien [eiser] (toch) eventuele eerdere morsingen aan Fuelplaza wil toerekenen, dient daarover uiteraard wel meer gesteld en onderbouwd te worden, bijvoorbeeld met informatie van de vorige eigenaar of CareX.

4.8. Van een redelijk bekwaam handelend olieleverancier mag verwacht worden dat hij op veilige wijze olie levert. Dat betekent dat Fuelplaza zich informeert over de wijze waarop de tanks veilig gevuld kunnen worden en dat vullen vervolgens op een zo veilig mogelijke wijze uitvoert en als er toch wat fout gaat, zij adequate maatregelen neemt of laat nemen om de fout te herstellen. Fuelplaza was er van op de hoogte dat de tanks geen overvulbeveiliging hadden, dat eerst gepeild moest worden, dat een marge in acht moest worden genomen bij de bepaling van de hoeveelheid die in de tanks gebracht kon worden en dat controle op overlopen bij de ontluchtingspijpen noodzakelijk was. Duidelijk is in ieder geval dat die laatste controle niet voldoende was, zeker naarmate meer olie in de tank is gebracht, diende er bij de ontluchtingspijpen constant toezicht te zijn. Dat was er niet en daardoor kon het gebeuren dat er olie op en in de grond terecht kwam.

4.9. Naar het oordeel van de rechtbank is minder relevant of [A] wel of niet op verzoek of in opdracht van [B] heeft gehandeld. Het was immers [B]s verantwoordelijkheid dat het lossen van de olie veilig gebeurde, niet die van [A]. [B] had [A] moeten vragen bij de ontluchtingspijpen te blijven staan, andere maatregelen moeten nemen zodat daar constant toezicht was of moeten stoppen met het lossen van olie zolang dat toezicht ontbrak.

4.10. Dat er een andere oorzaak is voor de vervuiling stelt Fuelplaza wel, de tankinstallatie was gebrekkig en lekte, maar dat vindt geen steun in de rapportage van GAB Robbins noch in die van Van Limburgh.

4.11. Fuelplaza mocht ook veronderstellen dat [A] [eiser] zou informeren, het contact over de leveringen verliep immers via [A]. Niet valt in te zien dat Fuelplaza dan zelf nog [eiser] had moeten informeren over het voorval van 27 oktober 2003. [A] heeft bovendien CareX geïnformeerd en deze heeft [eiser] ook niet geïnformeerd. Beide partijen hebben kennelijk tot aan het rapport van februari 2004 van Van Limburgh gedacht dat het met de vervuiling van 27 oktober 2003 wel mee viel en dat er toen geen andere schoonmaakwerkzaamheden hebben plaatsgevonden valt in ieder geval niet aan [eiser] toe te rekenen, zoals GAB Robbins min of meer doet.

4.12. Vooralsnog lijkt het er dus op dat Fuelplaza wel jegens [eiser] toerekenbaar is tekortgeschoten, alleen al door bij het lossen niet te zorgen voor voldoende toezicht op overstromen bij de ontluchtingspijpen, en dat dit enige verontreiniging en dus schade heeft veroorzaakt. Anderzijds is niet aannemelijk dat alleen het overstromen van 27 oktober 2003 tot de gestelde schade heeft geleid.

4.13. Zoals uit het bovenstaande blijkt, heeft de rechtbank dan ook behoefte aan meer informatie. Bovendien lijkt het nodig een onafhankelijk deskundige in te schakelen die op grond van dossieronderzoek een oordeel kan geven over de vraag in hoeverre de morsing van 27 oktober 2003 tot schade heeft geleid, eventueel in hoeverre Fuelplaza een verwijt valt te maken over eerdere lossingen bij het Heymanshuis en in hoeverre een eventuele gebrekkigheid van de installatie een rol heeft gespeeld.

4.14. De rechtbank zal een comparitie bevelen om inlichtingen over de zaak te vragen en om te onderzoeken of partijen het op een of meer punten met elkaar eens kunnen worden.

4.15. De rechtbank wijst erop dat zij uit een niet verschijnen van een partij ter comparitie de gevolgtrekkingen - ook in het nadeel van die partij - kan maken die zij geraden zal achten.

4.16. Ter zitting kan aan de orde komen of een deskundigenonderzoek noodzakelijk is, welke vragen beantwoord moeten worden en wie partijen als deskundige benoemd willen zien.

5. De beslissing

De rechtbank

5.1. beveelt een verschijning van partijen, bijgestaan door hun advocaten, voor het geven van inlichtingen en ter beproeving van een minnelijke regeling op de terechtzitting van mr. M. Zomer in het gerechtsgebouw te Zwolle aan de Luttenbergstraat 5 op een door de rechtbank vast te stellen datum en tijd,

5.2. bepaalt dat de partijen dan vertegenwoordigd moeten zijn door iemand die van de zaak op de hoogte is en hetzij rechtens hetzij op grond van een bijzondere schriftelijke volmacht bevoegd is haar te vertegenwoordigen,

5.3. bepaalt dat de zaak weer op de rol zal komen van 24 maart 2010 voor het opgeven van de verhinderdagen van de partijen en hun advocaten in de maanden april tot en met juni 2010, waarna dag en uur van de comparitie zullen worden bepaald,

5.4. bepaalt dat bij gebreke van de gevraagde opgave(n) de rechtbank het tijdstip van de comparitie zelfstandig zal bepalen,

5.5. bepaalt dat na de vaststelling van het tijdstip van de comparitie dit in beginsel niet zal worden gewijzigd,

5.6. wijst partijen er op, dat voor de zitting twee uur zal worden uitgetrokken,

5.7. houdt iedere verdere beslissing aan.

Dit vonnis is gewezen door mr. M. Zomer en in het openbaar uitgesproken op 10 maart 2010.