Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBZLY:2010:BM0069

Instantie
Rechtbank Zwolle-Lelystad
Datum uitspraak
09-03-2010
Datum publicatie
06-04-2010
Zaaknummer
Awb 09/1060
Rechtsgebieden
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Beroep tegen weigering vergoeding toe te kennen voor kosten aanschaf hulpmiddel tegen stotteren (Speech Easy) gegrond verklaard.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK ZWOLLE-LELYSTAD

Sector Bestuursrecht, Enkelvoudige Kamer

Registratienummer: Awb 09/1060

Uitspraak

in het geding tussen:

Eiser te woonplaats,

gemachtigde: mr. E. Kort-Schenk,

en

de Raad van Bestuur van het Uitvoeringsinstituut Werknemersverzekeringen (UWV),

gevestigd te Amsterdam (kantoor Zwolle), verweerder.

1. Procesverloop

Bij besluit van 28 mei 2008 heeft verweerder aan eiser meegedeeld dat hij geen vergoeding krijgt voor de kosten van aanschaf van een hulpmiddel tegen stotteren.

Tegen dit besluit is op 14 juni 2008 een bezwaarschrift ingediend.

Bij het bestreden besluit van 24 juli 2008 is dit bezwaar ongegrond verklaard.

Op 1 september 2008 is hiertegen beroep ingesteld. Dit beroep is geregistreerd onder procedurenummer Awb 08/1494.

Bij uitspraak van 16 februari 2009 heeft de rechtbank het beroep gegrond verklaard, het besluit van 24 juli 2008 vernietigd en verweerder opgedragen een nieuwe besluit te nemen op het bezwaar.

Bij besluit van 12 juni 2009 heeft verweerder het bezwaar opnieuw ongegrond verklaard.

Tegen dit besluit is op 29 juni 2009 beroep ingesteld.

Verweerder heeft op 22 juli 2009 een verweerschrift ingediend.

Het beroep is op 22 januari 2010 ter zitting behandeld. Eiser is in persoon verschenen bijgestaan door zijn gemachtigde, voornoemd. Verweerder heeft zich doen vertegenwoordigen door M. van Leeuwen.

2. Overwegingen

In haar uitspraak van 16 februari 2009 heeft de rechtbank geoordeeld dat verweerder niet aan zijn hoorplicht had voldaan. Onvoldoende was gebleken dat eiser heeft afgezien van zijn recht om gehoord te worden.

De rechtbank stelt vast dat eiser op 23 april 2009 alsnog is gehoord, zodat moet worden geconcludeerd dat dit verzuim door verweerder is hersteld.

Tussen partijen is in geschil of verweerder in redelijkheid heeft kunnen besluiten de door eiser in het kader van de Wet werk en inkomen naar arbeidsvermogen (WIA) aangevraagde voorziening niet te verstrekken.

De rechtbank gaat bij de beoordeling uit van de volgende feiten en omstandigheden.

Eiser is in 2003 geopereerd aan een tumor in zijn hoofd waarbij gehoorverlies is opgetreden. Hierdoor is het reeds bij eiser bestaande stotterprobleem toegenomen. Eiser heeft in 2007 een hulpmiddel aangeschaft, een apparaat genaamd SpeechEasy, om het stotterprobleem te verminderen. Op 18 mei 2008 heeft eiser een aanvraag voor vergoeding van de kosten van aanschaf van de SpeechEasy ingediend. Vervolgens heeft besluitvorming plaatsgevonden zoals weergegeven in het procesverloop.

De rechtbank overweegt als volgt.

Ingevolge artikel 35, eerste lid van de Wet werk en inkomen naar arbeidsvermogen (WIA) kan het UWV aan de persoon met een naar het oordeel van het UWV structurele functionele beperking, en die arbeid in dienstbetrekking verricht of die arbeid in dienstbetrekking gaat verrichten doch niet werkzaam is of zal zijn als werknemer in de zin van de Wet sociale werkvoorziening, of die scholing of opleiding in het kader van de bevordering van de inschakeling in het arbeidsproces volgt of gaat volgen of arbeid op een proefplaats verricht of gaat verrichten, met uitzondering van de persoon, bedoeld in artikel 34, derde lid, op aanvraag voorzieningen toekennen die strekken tot behoud, herstel of bevordering van de mogelijkheid tot het verrichten van arbeid, het volgen van de scholing of opleiding of het verrichten van arbeid op die proefplaats.

Ingevolge het tweede lid van dit artikel worden onder voorzieningen als bedoeld in het eerste lid uitsluitend verstaan:

a. vervoersvoorzieningen die er toe strekken dat de persoon, bedoeld in het eerste lid, zijn werkplek of opleidingslocatie kan bereiken;

b. intermediaire activiteiten ten behoeve van personen met een visuele, auditieve of motorische handicap;

c. meeneembare voorzieningen ten behoeve van de inrichting van de arbeidsplaats, de productie- en werkmethoden, de inrichting van de opleidingsplaats of de proefplaats en de bij de arbeid of opleiding te gebruiken hulpmiddelen, die in overwegende mate op het individu van de persoon, bedoeld in het eerste lid, zijn afgestemd; en

d. noodzakelijk persoonlijke ondersteuning bij het verrichten van de aan de persoon opgedragen taken, indien die ondersteuning een compensatie vormt voor zijn beperkingen.

Ingevolge het vierde lid van dit artikel kunnen bij algemene maatregel van bestuur nadere regels worden gesteld met betrekking tot dit artikel.

Die regels van het vierde lid van artikel 35 van de WIA zijn neergelegd in het Reïntegratiebesluit (Besluit van 5 december 2005, Staatsblad 618, zoals dit besluit laatstelijk is gewijzigd per 1 januari 2007). In dat besluit zijn onder meer regels gegeven over de verstrekking van arbeidsplaatsvoorzieningen.

Ingevolge artikel 2, eerste lid, van het Reïntegratiebesluit, voor zover hier van belang wordt een subsidie als bedoeld in artikel 35 van de WIA, niet verstrekt, respectievelijk verleend, indien het kosten van een voorziening of een voorziening betreft:

a. die algemeen gebruikelijk is; of

b. waarvoor vergoeding op grond van een andere wettelijke regeling mogelijk is.

Uit het derde lid van artikel 2 van het Reïntegratiebesluit volgt dat bij de beoordeling en berekening van de kosten en de verlening van een voorziening als bedoeld in het eerste en tweede lid uitgegaan wordt van de goedkoopste adequate voorziening.

Aan de weigering een vergoeding toe te kennen ligt een landelijke mailinstructie van verweerder van 30 november 2007 ten grondslag. Deze mailinstructie is kennelijk een door verweerder ontwikkelde gedragslijn hoe om te gaan met (toekomstige) aanvragen van hulpmiddelen tegen stotteren. De conclusie van de mailinstructie is dat apparaten tegen stotteren, waaronder de SpeechEasy, niet als een adequate en specifieke werkvoorziening kunnen worden beschouwd, omdat het nut en effect van deze voorzieningen, bij gebrek aan onderzoek daarnaar, onvoldoende duidelijk is.

Blijkens de gedingstukken, waarvan met name het rapport van 11 juni 2009 van bezwaararbeidsdeskundige (…) heeft verweerder zich op het standpunt gesteld, dat geen aanleiding bestaat om in dit geval van deze gedragslijn af te wijken, aangezien geen sprake is van een bijzonder geval. Weliswaar is gebleken dat het gebruik van het SpeechEasy apparaat voor eiser heeft geleid tot vermindering van de belemmering die hij op zijn werk ondervindt in de communicatie door stotteren, maar dit zegt volgens verweerder niets over het lange termijn effect van de voorziening.

De rechtbank stelt voorop dat uit de gedingstukken valt af te leiden dat eiser zonder enige twijfel baat heeft bij het SpeechEasy apparaat. Ook de bezwaarverzekeringsarts heeft dit onderkend. Eiser heeft tijdens zijn onderzoek met gebruikmaking van het apparaat met hem gesproken en toen viel op dat het stotteren een vlotte communicatie nauwelijks belemmerde. Vanaf het moment dat eiser zonder gebruikmaking van het SpeechEasy apparaat met de bezwaarverzekeringsarts sprak was duidelijk dat hij geleidelijk aan meer stotterde, de innerlijke spanning wat toenam en de voortgang van de spraak geleidelijk afnam. De bezwaarverzekeringsarts is dan ook tot de conclusie gekomen dat het gebruik van het SpeechEasy apparaat tot een aanmerkelijke vermindering van de belemmeringen leidt die eiser in de communicatie op zijn werk ondervindt als gevolg van het stotteren.

Ten aanzien van de toename van het stotteren na de operatie, waarbij eiser het gehoor en het evenwichtsorgaan rechts kwijt is geraakt, heeft de bezwaarverzekeringsarts het aannemelijk geacht dat verlies van neuropsychologische compensatiemechanismen daarvoor van verklarende waarde is.

De door eiser overgelegde bescheiden, waaronder een verklaring van het Hoofd administratie van eisers werkgever en tweetal beoordelingen van eisers functioneren, vóór en na het tijdstip waarop hij over het SpeechEasy apparaat beschikte, bevestigen het door de bezwaarverzekeringsarts geschetste beeld. Er is veel verbetering te constateren en de communicatie verloopt veel vlotter en prettiger. Eiser kon zijn werk (chef van een afdeling met tien personen) weer aan en hem is in 2008 een functie aangeboden waarin hij aan 38 personen leiding moet geven, in het volle vertrouwen dat hij ook die functie naar tevredenheid kan uitvoeren.

Tegenover deze vaststaande feiten over eisers individuele situatie stelt verweerder uitsluitend de genoemde gedragslijn, waarin gesproken wordt over een lange termijn effect dat niet bekend zou zijn bij gebrek aan onderzoek. Over de duur van de “lange termijn” geeft de gedragslijn geen uitsluitsel en evenmin over de vraag of en zo ja wanneer onderzoek naar dat lange termijneffect plaats vindt c.q. zal plaats vinden en waar dit gebeurt c.q. zal gebeuren. Op dit punt biedt het standpunt van de vereniging Stottercentra Nederland, dat zich onder de gedingstukken bevindt, evenmin uitsluitsel. Ter zitting heeft de gemachtigde van verweerder ook geen duidelijkheid kunnen geven. Er is kennelijk (nog steeds) zelfs geen begin gemaakt met een onafhankelijk onderzoek naar het lange termijn effect sinds de totstandkoming van de gedragslijn. In het audiologisch centrum van de Vrije Universiteit wordt blijkbaar uitsluitend van geval tot geval gevraagd naar de ervaring met het SpeechEasy apparaat.

Nu er kennelijk geen uitzicht bestaat op een dergelijk onderzoek lijkt het begrip “lange termijn effect”, dat toch al niet was gedefinieerd, een volstrekt open einde te krijgen. Naar het oordeel van de rechtbank zou het van een zorgvuldige beleidsbepaling getuigen als de gedragslijn, die kennelijk de status van beleidslijn heeft, door verweerder aan een nadere kritische beschouwing wordt onderworpen.

De rechtbank wijst er daarbij op dat het SpeechEasy apparaat al een aantal jaren op de markt en in gebruik is, en dat er kennelijk vóór het op de markt kwam in de Verenigde Staten wél langdurig onderzoek naar is gedaan met een positieve uitkomst. Ook wordt het inmiddels door ten minste één ziektekostenverzekeraar vergoed tot een substantieel bedrag.

Het vorenstaande in aanmerking genomen en gezien de specifieke omstandigheden van het onderhavige geval, waar als vaststaand kan worden aangenomen dat eiser met behulp van het SpeechEasy apparaat de gevolgen van de zware medische ingreep zodanig te boven is gekomen dat hij zijn werkzaamheden weer goed kan vervullen, kan naar het oordeel van de rechtbank niet worden gezegd dat verweerder bij het gebruik maken van de hem toekomende bevoegdheid op grond van artikel 35 van de WIA onder verwijzing naar de gedragslijn in redelijkheid heeft kunnen besluiten dat er ten aanzien van eiser geen sprake is van een bijzonder geval dat afwijking van die gedragslijn rechtvaardigt.

Dit betekent dat het bestreden besluit om deze reden geen stand kan houden, omdat het een deugdelijke motivering ontbeert. Het beroep wordt derhalve gegrond verklaard en verweerder wordt opgedragen een nieuw besluit op bezwaar te nemen, met inachtneming van hetgeen in deze uitspraak is overwogen.

Nu het toekennen van een voorziening als de onderhavige een bevoegdheid is van verweerder en over de omvang van de te vergoeden kosten geen duidelijkheid bestaat acht de rechtbank het niet aangewezen om zelf in de zaak te voorzien.

Verweerder wordt met toepassing van het Besluit proceskosten bestuursrecht in de door eiser gemaakte kosten veroordeeld.

3. Beslissing

De rechtbank:

- verklaart het beroep gegrond;

- vernietigt het bestreden besluit;

- draagt verweerder op een nieuw besluit op bezwaar te nemen met inachtneming van hetgeen in deze uitspraak is overwogen;

- veroordeelt verweerder in de kosten, die eiser in verband met de behandeling van het beroep heeft moeten maken, tot op heden begroot op € 644,--, te betalen aan eiser;

- gelast dat verweerder aan eiser het door hem betaalde griffierecht ad € 41,- vergoedt.

Deze uitspraak is gedaan door mr. J.J. Szauer-Bos, als rechter, en door deze en W. Veldman als griffier ondertekend. Uitgesproken in het openbaar op

Afschrift verzonden op: