Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBZLY:2010:BL9856

Instantie
Rechtbank Zwolle-Lelystad
Datum uitspraak
19-02-2010
Datum publicatie
01-04-2010
Zaaknummer
Awb 09/467
Rechtsgebieden
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Subjectief geen verwijt te maken van het niet nakomen van de inlichtingenplicht door beginnend zelfstandige. Beroep gegrond.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK ZWOLLE-LELYSTAD

Sector Bestuursrecht, Meervoudige Kamer

Registratienummer: Awb 09/467

Uitspraak

in het geding tussen:

Eiser te woonplaats,

gemachtigde mr. G.J.A.M. Gloudi

en

de Raad van Bestuur van het Uitvoeringsinstituut Werknemersverzekeringen,

gevestigd te Amsterdam, verweerder.

1. Procesverloop

Bij besluit van 31 oktober 2008 heeft verweerder besloten tot herziening van de aan eiser toegekende uitkering ingevolge de Werkloosheidswet (WW) over de periode 1 januari 2007 tot en met 12 oktober 2008 en terugvordering van het over deze periode betaalde bedrag aan uitkering van € 9.444,22 bruto. Bij besluit van 14 november 2008 is eiser een boete opgelegd van € 900,-.

Tegen beide besluiten is bezwaar gemaakt.

Bij besluit van 16 maart 2009 zijn de bezwaren ongegrond verklaard.

Tegen dit besluit is op 1 april 2009 beroep ingesteld.

Verweerder heeft op 5 mei 2009 een verweerschrift ingediend.

Het beroep is op 1 december 2009 ter zitting behandeld. Eiser is verschenen met zijn gemachtigde. Verweerder heeft zich doen vertegenwoordigen door E. van den Brink.

2. Overwegingen

Eiser ontvangt sinds 3 januari 2005 een WW-uitkering. Op 18 februari 2005 heeft eiser zich ingeschreven bij de Kamer van Koophandel onder de naam (…).

Na een bestandsvergelijking met de belastingdienst is verweerder gebleken dat eiser over de jaren 2005 en 2006 de zogeheten zelfstandigenaftrek heeft geclaimd. Verweerder heeft een onderzoek ingesteld, in het kader waarvan eiser verklaringen heeft afgelegd. De bevindingen van het onderzoek zijn neergelegd in een rapport van 3 oktober 2008. Verweerder heeft uit het onderzoek de conclusie getrokken dat eiser in ieder geval in het jaar 2007 als zelfstandige heeft gewerkt. Vervolgens heeft verweerder bij besluit van 31 oktober 2008 de WW-uitkering van eiser met ingang van 1 januari 2007 herzien. De over de periode 1 januari 2007 tot en met 12 oktober 2008 onverschuldigd betaalde WW-uitkering is tot een bedrag van bruto € 9444,22 teruggevorderd. Ook is bij besluit van 14 november 2008 een boete opgelegd van € 900,-.

Deze besluiten zijn bij het bestreden besluit van 16 maart 2009 gehandhaafd.

Verweerder heeft aan het besluit ten grondslag gelegd, dat eiser in jaar 2007 indirecte uren als zelfstandige heeft gewerkt. Door hiervan geen melding te maken op de daartoe bestemde werkbriefjes heeft eiser volgens verweerder in strijd met de inlichtingenplicht gehandeld.

Als gevolg hiervan acht verweerder zich gehouden hetgeen onverschuldigd aan WW-uitkering is betaald tot een bedrag van € 9.444,22 van eiser terug te vorderen. Er zijn volgens verweerder geen dringende redenen gebleken op grond waarvan van terugvordering zou moeten worden afzien en evenmin is er aanleiding de opgelegde boete te verlagen of kwijt te schelden.

De rechtbank overweegt met betrekking tot de herziening en de terugvordering het volgende.

Verweerder heeft aan het besluit artikel 20, tweede lid, van de WW ten grondslag gelegd. Hierin is bepaald dat het recht op uitkering eindigt ter zake van het aantal uren gedurende welke de werknemer werkzaamheden verricht uit hoofde waarvan hij niet als werknemer in de zin van de WW kan worden beschouwd.

Het is vaste jurisprudentie van de Centrale Raad van Beroep (CRvB, zie bijvoorbeeld LJN: BC1480) dat de verplichting tot het opgeven van de aan werkzaamheden als zelfstandige bestede uren niet slechts ziet op de declarabele uren, maar op alle uren die worden besteed aan activiteiten die direct verband houden met het werk als zelfstandige. Daartoe behoren ook acquisitie, administratie en dergelijke.

Eiser heeft op zijn werkbriefjes over de in geding zijnde periode geen melding gemaakt van als zelfstandige gewerkte uren, omdat hij, volgens de verklaring zoals weergegeven in het rapport van 3 oktober 2008, in de (onjuiste) veronderstelling verkeerde dat het ging om activiteiten die niet van betekenis waren voor zijn recht op uitkering. Hieruit volgt dat eiser de op hem rustende inlichtingenplicht heeft geschonden.

Op verzoek van verweerder heeft eiser alsnog opgave gedaan van zijn activiteiten als zelfstandige. Verweerder heeft de door eiser opgegeven uren d.d. 24 september 2008 onderverdeeld in uren ten behoeve van acquisitie, reizen en administratie. De rechtbank is van oordeel dat verweerder van deze opgave van eiser uit mocht gaan. Ter zitting is namens eiser aangevoerd dat de activiteiten van eiser bij nader inzien uitsluitend hebben bestaan uit activiteiten in het kader van oriëntatie. Gelet op de toelichting die eiser ter zitting op zijn activiteiten heeft gegeven, ziet de rechtbank geen aanleiding eiser hierin te volgen. Het aanwezig zijn in de showroom van een keukenzaak is gericht op het verwerven van klanten en daarmee aan te merken als acquisitie. Dat er geen opdrachten uit zijn voortgekomen maakt, dit niet anders. Ook de daarmee gemoeide reistijd en de administratie zijn van belang voor het recht op uitkering. Naar het oordeel van de rechtbank kunnen de hier in geding zijnde activiteiten van eiser redelijkerwijs niet anders worden aangemerkt dan als activiteiten ten behoeve van zijn bedrijf (…).

Naar het oordeel van de rechtbank heeft verweerder op goede gronden het recht op uitkering met ingang van het jaar 2007 herzien. Met betrekking tot de periode waarover het recht is herzien merkt de rechtbank het volgende op.

Ingevolge de vaste jurisprudentie van de CRvB (onder meer de uitspraak van 8 december 1992, LJN AK9198, RSV 1993/106) kan een beginnende zelfstandige het werknemerschap slechts herkrijgen indien de werkzaamheden als zelfstandige volledig worden beëindigd.

Eiser heeft betoogd -kort weergegeven- alleen in het jaar 2007 op bescheiden basis werkzaamheden te hebben verricht. Eiser heeft na week 44 van 2007 geen activiteiten meer ontplooid. Eiser is om die reden van mening, dat hij feitelijk zijn bedrijf al in het laatste kwartaal van 2007 heeft beëindigd en dus met ingang van 2008 zijn werknemerschap had dienen te herkrijgen. De herziening over 2008 is volgens eiser dan ook niet terecht.

Naar het oordeel van de rechtbank is niet komen vast te staan dat eiser al eind 2007 zijn werkzaamheden als zelfstandige volledig heeft beëindigd. De rechtbank acht daarvoor met name van belang dat eiser in zijn brief van 29 december 2008 aan de belastingdienst heeft aangegeven per 31 december 2008 zijn bedrijf te willen stoppen. Ter zitting heeft eiser aangegeven ook eerst in die periode zijn inschrijving bij de Kamer van Koophandel te hebben beëindigd. Op grond van deze gegevens acht de rechtbank de conclusie gerechtvaardigd dat eiser weliswaar na week 44 van 2007 feitelijk geen werkzaamheden meer heeft verricht, maar ook dat hij hieraan nog geen volledig einde heeft gemaakt. Eiser heeft ook in 2008 de mogelijkheid gehad zijn werkzaamheden weer op te pakken. Dat hij dit niet daadwerkelijk heeft gedaan, staat aan vorenvermelde conclusie niet in de weg. De rechtbank verwijst in dit verband naar de uitspraak van de CRvB van 11 oktober 2006 (LJN: AY9751), waaruit de rechtbank afleidt dat zolang iemand de mogelijkheid open houdt zijn werkzaamheden als zelfstandige weer op te pakken, niet kan worden gesproken van een volledige beëindiging van de werkzaamheden als zelfstandige.

Verweerder heeft in het licht van het voorgaande de uitkering van eiser over de periode

1 januari 2007 tot en met 12 oktober 2008 terecht herzien. Gelet op artikel 36, eerste lid, van de WW, is op goede gronden van eiser teruggevorderd hetgeen onverschuldigd aan hem is betaald over de periode 1 januari 2007 tot en met 12 oktober 2008. Dringende redenen om geheel of gedeeltelijk van terugvordering af te zien zijn niet gesteld noch gebleken.

Met betrekking tot de opgelegde boete overweegt de rechtbank als volgt.

Artikel 27a van de WW verplicht het UWV een boete op te leggen aan - kort gezegd - de werknemer die de inlichtingenplicht niet nakomt. Hiervan wordt in elk geval afgezien indien elke vorm van verwijtbaarheid ontbreekt. Onder verwijzing naar rechtspraak van de CRvB (onder meer LJN: BK0177 en BH7780) overweegt de rechtbank dat het enkele feit dat eiser de inlichtingenplicht van artikel 25 van de WW heeft overtreden niet voldoende is voor het opleggen van een boete. Daartoe is ook vereist dat eiser ter zake van die overtreding subjectief een verwijt kan worden gemaakt. Namens eiser is in dat verband betoogd dat de informatieverstrekking op het punt van de indirecte uren tekortschiet. Eiser heeft verweerder steeds gewezen op zijn plannen en het was eiser niet duidelijk hoe hij diende te handelen.

Naar het oordeel van de rechtbank had eiser wel redelijkerwijs behoren te beseffen dat de indirecte uren van belang waren voor de omvang van zijn recht op uitkering, maar de rechtbank heeft geen aanleiding om aan te nemen dat eiser dit wist en die uren niettemin bewust niet heeft opgegeven. Eiser heeft verweerder zijn plannen en intenties immers niet onthouden maar daarop steeds gewezen.

Op grond van het vorenstaande komt de rechtbank tot het oordeel dat eiser subjectief geen verwijt kan worden gemaakt van het niet nakomen van de inlichtingenplicht. Dit betekent dat verweerder eiser ten onrechte een boete heeft opgelegd.

Het beroep zal gegrond worden verklaard en het bestreden besluit komt voor vernietiging in aanmerking voor zover ziend op de boete. Het primaire besluit van 14 november 2008, waarbij de boete is opgelegd, kan evenmin in stand blijven, zodat de rechtbank dat besluit zal herroepen.

De rechtbank ziet aanleiding verweerder te veroordelen in de kosten, die eiser in verband met de behandeling van het bezwaar heeft gemaakt. Deze kosten worden met toepassing van het Besluit proceskosten bestuursrecht begroot op € 644,- voor verleende rechtsbijstand (1 punt voor het bezwaarschrift en 1 punt voor de hoorzitting x € 322,-).

Tevens zal de rechtbank verweerder veroordelen in de proceskosten van eiser, die op basis van het Besluit proceskosten bestuursrecht worden vastgesteld op € 644,- (1 punt voor het beroepschrift en 1 punt voor de zitting x € 322,-).

Nu het beroep gegrond wordt verklaard, dient het griffierecht aan eiser te worden vergoed.

3. Beslissing

De rechtbank:

- verklaart het beroep gegrond;

- vernietigt het besluit van 16 maart 2009 voor zover dit ziet op de boete;

- herroept het besluit van 14 november 2008;

- veroordeelt verweerder in de kosten van eiser in dit geding ten bedrage van € 644,-, te betalen aan de griffier van de rechtbank;

- veroordeelt verweerder in de door eiser in bezwaar gemaakte kosten ten bedrage van

€ 644,-;

- bepaalt dat verweerder het door eiser betaalde griffierecht ad € 41,- vergoedt.

Deze uitspraak is gedaan door mr. L.G. Wijma, voorzitter, mr. A.I. van der Kris en

mr. G.M.J. Vijftigschild, rechters, en door de voorzitter en door mr. F. Ernens als griffier ondertekend. In het openbaar uitgesproken op

Afschrift verzonden op: