Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBZLY:2010:BL8853

Instantie
Rechtbank Zwolle-Lelystad
Datum uitspraak
24-03-2010
Datum publicatie
25-03-2010
Zaaknummer
489139 HA 10-48
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

489139 Arbeidszaak. Ontbinding wegens bedrijfseconomische omstandigheden. Reflexwerking beleidsregels UWV. Anders dan het UWV heeft geoordeeld, is voldoende aannemelijk dat werknemer een unieke functie bekleedt, zodat uitwisselbaarheid van functies en (schending van) het afspiegelingsbeginsel niet aan de orde zijn. Beroep op 'habe wenig' slechts deels geaccepteerd.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
AR-Updates.nl 2010-0280
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK ZWOLLE – LELYSTAD

sector kanton – locatie Zwolle

zaaknr. : 489139 HA VERZ 10-48

datum : 24 maart 2010

Beschikking op een verzoek tot ontbinding van de arbeidsovereenkomst

in de zaak van:

de besloten vennootschap [VERZOEKENDE PARTIJ] B.V.,

gevestigd te [vestigingsplaats],

verzoekende partij, verder te noemen: ‘[verzoekende partij]’,

gemachtigde mw. mr. D.P. van Straten, advocaat te Rotterdam,

tegen

[VERWERENDE PARTIJ],

wonende te [woonplaats],

verwerende partij, verder te noemen: ‘[verwerende partij]’,

gemachtigde mr. M.C. Lips, verbonden aan ARAG Rechtsbijstand te Leusden.

De procedure

De kantonrechter heeft kennis genomen van:

- het op 4 februari 2010 binnengekomen verzoekschrift van die datum met bijlagen,

- het op 5 maart 2010 binnengekomen verweerschrift van 4 maart 2010 met bijlagen,

- de bij brief van 9 maart 2010 door [verzoekende partij] nader ingezonden producties en

- de ter zitting door [verzoekende partij] overgelegde productie.

De mondelinge behandeling is gehouden op 10 maart 2010. Verschenen zijn:

- namens [verzoekende partij] haar directeur [M], vergezeld van drs. [A], verbonden aan [T] Accountants te [gemeente], en van mw. mr. Van Straten voormeld;

- [verwerende partij], vergezeld van mr. Lips voormeld.

[verzoekende partij] en [verwerende partij] hebben bij gelegenheid van deze zitting hun standpunten doen toelichten ([verzoekende partij] aan de hand van pleitaantekeningen, die aan de kantonrechter zijn overgelegd) respectievelijk toegelicht en geantwoord op vragen van de kantonrechter.

Het geschil

[verzoekende partij] heeft verzocht om ontbinding van de arbeidsovereenkomst met [verwerende partij] wegens gewichtige redenen zonder toekenning van een vergoeding naar billijkheid.

[verwerende partij] heeft zich verzet tegen een ontbinding en de afwijzing van het verzoek bepleit. Subsidiair heeft hij aangevoerd dat bij een ontbinding aan hem een vergoeding naar billijkheid dient te worden toegekend ter grootte van € 116.889,39 bruto, onder inachtneming van de fictieve opzegtermijn.

Vaststaande feiten

Tussen partijen staat als gesteld en erkend dan wel niet (voldoende) gemotiveerd betwist, mede op grond van de overgelegde en in zoverre niet bestreden bescheiden, het volgende vast:

a. [verzoekende partij] drijft een onderneming gericht op de import en verkoop van hoogwaardige elektronische materialen, elektronicacomponenten en veiligheids- en codeersystemen en maakt als dochtermaatschappij deel uit van de [verzoekende partij] Groep. Bij [verzoekende partij] waren tot voor kort 24 werknemers werkzaam.

b. [verwerende partij], geboren op [datum] en derhalve thans 62 jaren oud, is op [datum] bij [verzoekende partij] in dienst getreden. [verwerende partij] is werkzaam in de functie van ‘Sales Engineer E&E (Elektrotechnische materialen en Elektronica componenten)’. Het laatst door hem verdiende salaris bedraagt € 3.491,32 bruto per maand, exclusief vakantietoeslag.

c. Vanwege de teruglopende omzet van € 11,0 miljoen in 2008 naar een (geschatte) omzet van € 9,2 miljoen in 2009 heeft [verzoekende partij] zich medio 2009 kostenbesparende maatregelen voorgenomen, waarbij zij haar personeelsomvang (verder) wil terugbrengen.

d. Vanwege dat voornemen heeft [verzoekende partij] op 6 augustus 2009 een aanvraag ingediend bij het UWV Werkbedrijf (verder: ‘het UWV’) voor een ontslagvergunning voor 6 werknemers, waaronder [verwerende partij], gegrond op bedrijfseconomische noodzaak.

e. Bij beslissing van 29 oktober 2009 heeft het UWV, voor zover het verzoek zag op [verwerende partij], haar toestemming onthouden, na te hebben overwogen - geparafraseerd - dat zij geen reden heeft om te twijfelen aan de bedrijfseconomische noodzaak tot het treffen van maatregelen, waaronder het aanpassen van de personeelsbezetting, doch dat in onvoldoende mate is gebleken dat de door [verwerende partij] beklede functie van ‘Sales Engineer E&E’ niet onderling uitwisselbaar zou zijn met de functie van ‘Key Accountmanager’, zodat niet kan worden aangenomen dat het afspiegelingsbeginsel correct is toegepast.

f. Op af te vloeien werknemers is geen sociaal plan toepasselijk. [verzoekende partij] heeft evenmin op andere basis aan [verwerende partij] een afvloeiingsregeling (outplacement daaronder begrepen) aangeboden.

g. Over 2009 heeft [verzoekende partij] een omzet behaald van € 9,0 miljoen met een verlies van € 172.961 na belastingen. [verzoekende partij] kent per ultimo 2009 een positief vermogen van € 355.032. Haar moedermaatschappij - [verzoekende partij] Holding B.V. - heeft geconsolideerd over 2009 een verlies geleden van € 431.445 waarbij het geconsolideerde eigen vermogen is afgenomen tot € 4,0 miljoen negatief.

Het verzoek

[verzoekende partij] vraagt ontbinding van de arbeidsovereenkomst wegens gewichtige redenen, bestaande uit een noodzakelijke sanering van haar loonkosten, zulks ter waarborging van de continuïteit van haar onderneming. Vanwege de terugloop in omzet heeft zij besloten om haar buitendienst in omvang terug te brengen tot één arbeidsplaats, waarbij zij de functie van ‘Sales Engineer E&E’ - aldus die van [verwerende partij] - heeft laten vervallen, onder behoud van de functie van ‘Key Accountmanager’. Deze functies zijn niet onderling uitwisselbaar en de functie van [verwerende partij] is evenmin uitwisselbaar met enige andere functie binnen [verzoekende partij]. Het afspiegelingsbeginsel is dan ook niet aan de orde. [verzoekende partij] heeft geen ander passend werk voorhanden; er zijn evenmin passende vacatures. Er moet dan ook een einde komen aan het dienstverband. [verzoekende partij] verkeert in een precaire financiële situatie, zodanig dat er geen ruimte is voor welke afvloeiingsregeling dan ook.

Verweer

[verwerende partij] heeft de aangevoerde bedrijfseconomische omstandigheden bestreden. Het verzoek is zijns inziens ter zake onvoldoende onderbouwd nu niet zozeer de situatie van [verzoekende partij] doch die van de moedermaatschappij zorgelijk is. Onduidelijk is waarom niet op te betalen ‘management fee’ wordt bespaard, waarom meer derden worden ingehuurd en waarom [verzoekende partij] ervoor kiest een buitendienstmedewerker te ontslaan, terwijl zo’n functionaris juist direct bijdraagt aan het behouden en vergroten van de omzet. In ieder geval past [verzoekende partij] het afspiegelingsbeginsel niet juist toe aangezien zijn functie uitwisselbaar is met die van ‘Key Accountmanager’. De verschillen tussen die functies zijn geen staand beleid en worden slechts aangedikt voor deze procedure, nu het gaat om buitendienstfuncties, waarbij salesbezoeken aan klanten worden verricht. [verzoekende partij] heeft niet onderbouwd dat de persoon die de functie van ‘Key Accountmanager’ bekleedt een onmisbare werknemer zou zijn. Er is dan ook geen grond voor een ontbinding van de arbeidsovereenkomst, te minder nu [verwerende partij], gelet op zijn leeftijd van 62 jaar en zijn opleidingsniveau, een zeer moeilijke arbeidsmarktpositie heeft. Er is bij een ontbinding dan ook aanleiding voor een vergoeding, die, gelet op de kantonrechtersformule onder toepassing van C = 2, op een bedrag van € 116.889,39 bruto moet worden gesteld, waarbij de fictieve opzegtermijn in acht dient te worden genomen. Aan het beroep van [verzoekende partij] op ‘habe wenig’ moet voorbij worden gegaan, nu zij geacht moet worden over voldoende financiële middelen te beschikken, zeker nu zij in 2008 in staat is geweest om dividend uit te keren.

De beoordeling

1.

[verzoekende partij] heeft verklaard dat haar verzoek geen verband houdt met het bestaan van enig verbod tot opzegging van de arbeidsovereenkomst. Nu [verwerende partij] die stelling niet heeft weersproken en ook overigens uit zijn verweer niet blijkt van enig verband tussen het verzoek tot ontbinding van de arbeidsovereenkomst enerzijds en een in de wet geregeld opzeggingsverbod anderzijds, gaat de kantonrechter ervan uit dat de stelling van [verzoekende partij] juist is.

2.

De kantonrechter stelt voorop dat er geen formeel of wettelijk beletsel bestaat om kennis te nemen van een verzoek tot ontbinding van de arbeidsovereenkomst met een werknemer indien tevoren het UWV een ontslagvergunning voor diezelfde werknemer heeft geweigerd. Daarbij geldt dat de kantonrechter op geen enkele wijze gebonden is aan het oordeel van het UWV en wat zij daaraan ten grondslag heeft gelegd.

2.1

Aangezien het verzoek van [verzoekende partij] is gegrond op bedrijfseconomische redenen komt naar het oordeel van de kantonrechter, hoewel hij daaraan niet rechtstreeks gebonden is, wel betekenis toe aan de criteria die door het UWV worden gehanteerd, zoals volgende uit het Buitengewoon Besluit Arbeidsverhoudingen 1945 (BBA) en het daarop gebaseerde Ontslagbesluit, in het bijzonder daarvan de artikelen 4:1 en volgende. Het UWV is immers het meest toegerust op de beoordeling van dergelijke verzoeken en mag geacht worden op dat gebied over het meeste overzicht en inzicht te beschikken.

2.2

Deze situatie brengt met zich dat aan het BBA en Ontslagbesluit wel reflexwerking toekomt, in die zin dat bij de beoordeling van een ontbindingsverzoek als het onderhavige nagegaan dient te worden of de waarborgen in acht zijn genomen die in het BBA zijn ingebouwd om een bedrijfseconomisch ontslag te toetsen, om een dergelijk ontslag voor zoveel mogelijk te voorkomen en om de gevolgen daarvan (voor de werknemer) te verzachten. In dat kader komt ook reflexwerking toe aan de beleidsregels die door het UWV worden gehanteerd bij de toetsing van een bedrijfseconomisch ontslag. Bedoelde reflexwerking komt erop neer dat bij de beoordeling door de kantonrechter van een verzoek tot ontbinding wegens bedrijfseconomische omstandigheden in beginsel aan dezelfde materiële bepalingen getoetst zal worden als bij een bedrijfseconomisch ontslag dat ter toetsing is voorgelegd aan het UWV.

2.3

Een en ander betekent dat [verzoekende partij] niet alleen voldoende aannemelijk dient te maken dat in redelijkheid tot de voorgenomen sanering is besloten, gelet op haar bedrijfseconomische omstandigheden, maar ook dat aanvaardbaar is dat de arbeidsplaats van [verwerende partij] als gevolg van die sanering zal vervallen en dat met in achtneming van het afspiegelingsbeginsel en andere redelijkerwijs te hanteren criteria, [verwerende partij] niet in aanmerking kan komen voor herplaatsing in enige andere functie binnen de organisatie van [verzoekende partij]. Daarbij dient [verzoekende partij] voldoende rekening te houden met naar de wet en overigens naar redelijkheid in aanmerking te nemen omstandigheden van [verwerende partij].

3.1

Op grond van de door [verzoekende partij] overgelegde stukken, waaronder de ter zitting overgelegde bedrijfseconomische kengetallen over de periode januari 2010 en februari 2010, is voldoende aannemelijk gemaakt dat [verzoekende partij] noodzakelijkerwijs een reorganisatie heeft doorgevoerd en dat in verband daarmee ook het dienstverband met werknemers behoort te eindigen. Uit bedoelde getallen blijkt dat de omzet sterk is gedaald, te weten van € 11,0 miljoen in 2008 naar € 9,0 miljoen in 2009, en [verzoekende partij] over 2009 een verlies heeft geleden, waarbij in de cijfers over de eerste twee maanden van 2010 nog geen omzetherstel is te zien. Bij een zo sterk afgenomen omzet en het ontstaan van een verliesgevende situatie ligt een reductie van het personeelsbestand voor de hand. Niet onaannemelijk is te achten dat de al genomen maatregelen (het niet verlengen van arbeidscontracten voor bepaalde tijd en besparing op auto- en vrachtkosten) onvoldoende soelaas hebben geboden.

3.2

Aan de beslissing van het UWV d.d. 29 oktober 2009 ontleent de kantonrechter het volgende:

Gelet op (...) al hetgeen in deze procedure is ingebracht, aangevoerd en bekend mag worden verondersteld, ben ik van oordeel dat u mij aan de hand van de door u overgelegde financiële gegevens genoegzaam aannemelijk heeft gemaakt dat bedrijfseconomische omstandigheden u noodzaken tot het nemen van kostenbesparende maatregelen, waarbij een besparing op de loonkosten onvermijdelijk is. Uw onderneming verkeert immers in liquiditeitsproblemen en zonder besparende maatregelen kunt u niet voldoen aan uw rente- en aflossingsverplichtingen.

Daaruit blijkt genoegzaam dat het UWV - met [verzoekende partij] - de mening was toegedaan dat het aantal werknemers binnen de onderneming verminderd dient te worden. De kantonrechter heeft in de overgelegde stukken onvoldoende aanleiding gevonden om die conclusie te passeren.

3.3

[verwerende partij] heeft gesteld dat [verzoekende partij] zijns inziens dient te besparen op de door haar te betalen ‘management fee’, dat uit de cijfers over 2008 blijkt dat er veel derden werden ingehuurd, dat de omzet inmiddels weer aantrekt en dat [verzoekende partij] juist met behulp van buitendienstmedewerkers als [verwerende partij] de benodigde omzet dient te behouden en te genereren. De door [verzoekende partij] overgelegde omzetcijfers tot en met februari 2010 laten echter geen wezenlijk ander beeld zien dan uit de stukken over 2009 blijkt. Daar komt bij dat zelfs indien de omzet zou zijn aangetrokken, zoals [verwerende partij] stelt maar [verzoekende partij] betwist, de jaaromzet nog steeds fors achterblijft bij de omzet over eerdere jaren. Voldoende is gebleken dat per 1 januari 2010 één van de directieleden van [verzoekende partij] met pensioen is gegaan, zodat (inmiddels) ook op de te betalen ‘management fee’ wordt bespaard, terwijl voorts voldoende aannemelijk is dat [verzoekende partij] inmiddels veel minder dan in 2008 gebruik maakt van de diensten van (ingehuurde) derden. De ideeën van [verwerende partij] over hoe [verzoekende partij] het bedrijfseconomische tij kan keren, kunnen geen maatstaf zijn aan de hand waarvan de vraag of ook [verwerende partij] als werknemer moet wijken, op juiste wijze kan worden beantwoord, nu een dergelijke (beleids)beslissing in beginsel aan [verzoekende partij] is voorbehouden. Wat hiervoor onder 2.3 is overwogen, maakt dat niet anders.

4.

Bij een ontbindingsverzoek dient voorts te worden getoetst aan het afspiegelingsbeginsel (reflexwerking art. 4:2 van het Ontslagbesluit). Volgens de beleidsregels van het UWV dient in dat kader door de werkgever per bedrijfsvestiging een personeelsoverzicht overgelegd te worden waarin per categorie uitwisselbare functies de daarin werkzame werknemers zijn ingedeeld naar leeftijdsgroepen.

4.1

[verzoekende partij] heeft betoogd dat [verwerende partij] een unieke functie bekleedt, zodat afspiegeling niet aan de orde is. [verwerende partij] heeft daarentegen aangevoerd dat zijn functie uitwisselbaar is met die van ‘Key Accountmanager’, zodat bij verval van één functie, gelet op de leeftijd en de duur van het dienstverband van die andere functionaris, niet zijn functie kan komen te vervallen.

4.2

Uitwisselbare functies zijn functies die naar functie-inhoud, vereiste kennis en vaardigheden en vereiste competenties vergelijkbaar en naar niveau en beloning gelijkwaardig zijn. Die factoren dienen in onderlinge samenhang te worden bezien.

4.2.1

Vast staat dat [verzoekende partij] voorafgaande aan de door haar voorgenomen reorganisatie de functies van ‘Sales Engineer E&E’ en ‘Key Accountmanager’ niet had beschreven en vastgelegd in zogenaamde functiebeschrijvingen. Het door [verzoekende partij] als productie 5 bij het verzoekschrift overgelegde overzicht van ‘taken, bevoegdheden, kennis en ervaring Key Account Manager versus Sales Engineer’ is kennelijk pas opgesteld nadat zij was geconfronteerd met het oordeel van het UWV dat ‘in onvoldoende mate is gebleken dat de functie van ‘Sales Engineer E&E’ niet onderling uitwisselbaar zou zijn met de functie van ‘Key Accountmanager’, zodat niet kan worden aangenomen dat het afspiegelingsbeginsel correct is toegepast’. Mede gelet op dat tijdstip van opstellen, is een dergelijk overzicht als weinig objectief te beschouwen.

4.2.2

Voorts staat vast dat binnen [verzoekende partij] geen zogenaamd loon-functiegebouw bestaat en dat zij haar medewerkers niet beloont conform een geldende salarisschaal. In dit geval is echter onomstreden dat [verwerende partij] met een brutomaandsalaris van € 3.491,32 exclusief vakantietoeslag een aanmerkelijk lager salaris ontvangt dan de ‘Key Account-manager’. Deze functionaris ontvangt een salaris van € 4.261,20 exclusief vakantietoeslag. Daardoor bestaat een beloningsverschil van 22%. Dit verschil levert een sterke aanwijzing op dat de functies niet gelijkwaardig zijn en daarmee waarschijnlijk ook niet vergelijkbaar.

4.2.3

Daarnaast is gebleken dat de positie van de functie van ‘Sales Engineer E&E’ binnen de organisatie van [verzoekende partij] afwijkt van die van ‘Key Accountmanager’. Beide functionarissen vallen weliswaar hiërarchisch onder de directeur ‘Marketing & Sales’ doch voldoende is gebleken dat de ‘Sales Engineer’ ten aanzien van bepaalde projecten en productgroepen (o.m. Band-It) functioneel rapporteert aan de ‘Key Accountmanager’. In dat kader is voorts van belang dat [verwerende partij] niet heeft weersproken dat hij niet en de ‘Key Accountmanager’ wel deelneemt aan het periodieke verkoopmanagementoverleg binnen [verzoekende partij]. Ook deze omstandigheden wijzen op een ander niveau van functioneren.

4.2.4

Voorts is in voldoende mate gebleken dat, hoewel in beginsel zowel de ‘Sales Engineer’ als de ‘Key Accountmanager’ regionaal werken (samengevat Oost-Nederland dan wel West-Nederland), laatstgenoemde functionaris wordt geacht landelijk te werken als het gaat om voor [verzoekende partij] grote klanten (‘key accounts’) en voorts, anders dan de ‘Sales Engineer’, de producten verkoopt van het merk ‘Alroc’. [verwerende partij] heeft voorts niet bestreden dat hij niet actief is op de vanaf 2009 door [verzoekende partij] betreden markt van ‘led-verlichting’, daar waar zijn collega een leidende (verkoop)rol heeft. Uit een en ander blijkt in voldoende mate dat de ‘Key Accountmanager’ over meer en andere kennis dient te beschikken dan de ‘Sales Engineer’ en dat de inhoud van de functies feitelijk in relevante mate van elkaar afwijkt. De onweersproken gebleven verkoopdoelstelling voor beide functionarissen (€ 1,41 miljoen en € 2,16 miljoen) wijst er ook op dat van de ‘Key Accountmanager’ een grotere prestatie wordt verwacht.

4.2.5

Al met al is naar het oordeel van de kantonrechter in voldoende mate aannemelijk geworden dat, hoewel vergelijkbare werkzaamheden worden verricht, de functie van ‘Sales Engineer E&E’ niet vergelijkbaar / uitwisselbaar is met die van ‘Key Acountmanager’.

4.3

Uit het vorenstaande volgt dat de functie van ‘Sales Engineer E&E’ binnen [verzoekende partij] een unieke functie betreft. Nu die unieke functie komt te vervallen, komt afspiegeling niet aan de orde.

5.

Tussen partijen staat vast dat voor [verwerende partij] elders in de organisatie van [verzoekende partij] geen passende functie voorhanden is dan wel gecreëerd kan worden.

6.

De slotsom is dat het verzoek van [verzoekende partij] tot ontbinding van de arbeidsovereenkomst kan worden toegewezen, zodat per 1 mei 2010 zal worden ontbonden. Anders dan door [verwerende partij] is bepleit, zal volgens vaste rechtspraak geen rekening worden gehouden met de volgens hem geldende (fictieve) opzegtermijn.

7.

Ter beoordeling van de vraag of er reden is om aan [verwerende partij] ten laste van [verzoekende partij] een vergoeding toe te kennen, zoals [verwerende partij] verzoekt en [verzoekende partij] bestrijdt, dient beoordeeld te worden of van het ontstaan van de situatie die tot ontbinding noopt een der partijen een verwijt moet worden gemaakt of die situatie geacht moet worden voor zijn of haar risico te komen. Daarbij wordt acht geslagen op alle feiten en omstandigheden van deze zaak.

8.

Vast staat dat de aanleiding voor de beëindiging van het dienstverband bedrijfseconomisch van aard is, welke aanleiding in de risicosfeer van [verzoekende partij] valt. Gesteld noch gebleken is dat [verwerende partij] ter zake een verwijt treft. In beginsel - aldus behoudens bijzondere omstandigheden - dient daardoor een vergoeding te worden bepaald aan de hand van de sinds 1 januari 2009 gebruikte kantonrechtersformule met toepassing van een op ‘1’ gestelde correctiefactor en rekening houdend met het aantal gewogen dienstjaren. Het aantal gewogen dienstjaren dient, gelet op [verwerende partij]s leeftijd van 62 jaar en de duur van zijn dienstverband (9 jaar), op ‘17’ te worden gesteld. Factor B ofwel de beloning van [verwerende partij] inclusief vakantietoeslag bedraagt € 3.770,63 bruto per maand. Een en ander zou in beginsel een vergoeding van € 64.100,00 bruto opleveren.

9.

In dit geval zijn echter zodanig bijzondere omstandigheden aan te wijzen dat die tot een afwijking van voormeld uitgangspunt moeten leiden.

9.1

In dit geval moet worden aangenomen dat de verwachte inkomstenderving van [verwerende partij] vanaf 1 mei 2010 tot het moment waarop hij zijn 65ste levensjaar zal bereiken - d.i. 25 december 2012, welke datum redelijkerwijs als de te verwachten pensioneringsdatum heeft te gelden - met een (geschat) bedrag van zo’n € 36.000,00 bruto aanmerkelijk lager is dan bovenvermelde uitkomst van de formule.

9.2

Voldoende aannemelijk is geworden dat [verzoekende partij] in een ‘habe wenig’-situatie verkeert. Uit de overgelegde financiële gegevens blijkt immers toereikend dat zowel [verzoekende partij] als de groep waartoe zij behoort in 2009 verliesgevend is geweest, dat die groep per ultimo 2009 een schuldenlast heeft van ruim € 7,7 miljoen en een negatief eigen vermogen van € 4,05 miljoen en dat thans nauwelijks te liquideren vermogensbestanddelen zijn aan te wijzen. Uit de brief van 28 juli 2009 van registeraccountant Akkermans blijkt dat de liquiditeitspositie penibel is, in ieder geval tot en met 2010, dat de groep in 2010 een rente- en aflossingsverplichting heeft van meer dan € 1 miljoen, dat uitbreiding van bancaire financiering niet haalbaar is en dat de groep haar financier al heeft gevraagd om de rente- en aflossingsverplichtingen tijdelijk te verlagen.

9.3

Het is dan ook niet denkbeeldig dat [verzoekende partij] bij een vergoeding van een omvang als hierboven berekend met een onoverkomelijk liquiditeitstekort wordt geconfronteerd, zodanig dat niet alleen haar voortbestaan doch ook de werkgelegenheid van de andere werknemers in het geding zou komen, zodat ook daarin aanleiding ligt voor een lagere vergoeding. Een en ander maakt dat de factor C naar het oordeel van de kantonrechter op 0,3 dient te worden gesteld.

9.4

Het zijn voorts voormelde penibele financiële omstandigheden van [verzoekende partij] die de kantonrechter tot de slotsom brengen dat een vergoeding deels in de vorm van een bedrag ineens van € 8.000,00 bruto en deels in de vorm van een suppletieregeling gedurende een periode van 15 maanden à € 750,00 bruto per maand als passend en billijk moet worden geoordeeld. Per saldo zal dat een vergoeding van circa € 19.250,00 bruto opleveren, dat [verzoekende partij] geacht moet worden te kunnen dragen. In deze vergoeding is tevens verdisconteerd dat niet is gebleken dat [verzoekende partij] de afgelopen jaren in (bij)scholing van [verwerende partij] heeft geïnvesteerd, dat voorts vast staat dat [verzoekende partij] tot het moment van indiening van het onderhavig verzoek niets heeft ondernomen om [verwerende partij] elders te herplaatsen en dat de arbeidsmarktpositie van [verwerende partij] als weinig hoopgevend moet worden aangemerkt.

10.

Nu zij geen vergoeding heeft aangeboden, zal aan [verzoekende partij], in overeenstemming met het bepaalde in lid 9 van artikel 7:685 BW, de gelegenheid worden geboden haar verzoek desgewenst in te trekken.

11.

In de omstandigheden van het geval vindt de kantonrechter aanleiding om de proceskosten tussen partijen te compenseren in die zin, dat iedere partij de eigen kosten draagt, behoudens het geval dat [verzoekende partij] haar verzoek intrekt.

De beslissing

De kantonrechter:

- stelt partijen in kennis van zijn voornemen de tussen [verzoekende partij] en [verwerende partij] bestaande arbeidsovereenkomst te ontbinden per 1 mei 2010, onder toekenning aan [verwerende partij] ten laste van [verzoekende partij] van een vergoeding deels in de vorm van een bedrag ineens van

€ 8.000,00 bruto en deels in de vorm van een aanvulling gedurende een periode van 15 maanden van het/de elders te genieten salaris/uitkering met een bedrag van € 750,00 bruto per maand;

- stelt [verzoekende partij] in de gelegenheid het verzoek in te trekken uiterlijk op 15 april 2010 door middel van een schriftelijke verklaring ter griffie van de sector kanton, onder onverwijlde mededeling daarvan aan de wederpartij;

voor het geval [verzoekende partij] het verzoek niet intrekt:

- ontbindt de tussen partijen bestaande arbeidsovereenkomst en bepaalt dat deze eindigt op 1 mei 2010 onder toekenning aan [verwerende partij] ten laste van [verzoekende partij] van een vergoeding deels in de vorm van een bedrag ineens van € 8.000,00 bruto en deels in de vorm van een aanvulling gedurende een periode van 15 maanden van het/de elders te genieten salaris/uitkering met een bedrag van € 750,00 bruto per maand;

- compenseert de kosten van het geding in die zin dat iedere partij de eigen kosten draagt;

voor het geval [verzoekende partij] het verzoek intrekt:

- veroordeelt [verzoekende partij] in de kosten van deze procedure, tot op heden aan de zijde van [verwerende partij] vastgesteld op € 400,00 voor salaris gemachtigde.

Aldus gegeven door mr. W.F. Boele, kantonrechter, en uitgesproken in de openbare terechtzitting van 24 maart 2010, in tegenwoordigheid van de griffier.