Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBZLY:2010:BL8555

Instantie
Rechtbank Zwolle-Lelystad
Datum uitspraak
18-03-2010
Datum publicatie
23-03-2010
Zaaknummer
07/400330-09
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

-poging afpersing, diefstal met geweld

-bewijsmotivering, strafmaatmotivering.

-strafmaatmotivering.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK ZWOLLE - LELYSTAD

Sector Strafrecht - Meervoudige Strafkamer

Parketnummers: 07.400330-09 (P)

Uitspraak: 18 maart 2010

VONNIS IN DE STRAFZAAK VAN:

het openbaar ministerie

tegen

(verdachte)

geboren op (geboortejaar)

(adres)

thans verblijvende in (verblijfplaats).

ONDERZOEK TER TERECHTZITTING

Het onderzoek ter terechtzitting heeft plaatsgevonden op 4 maart 2010.

De verdachte is verschenen, bijgestaan door mr. C.S.P.M. De Kock, advocaat te Zwolle.

Als officier van justitie was aanwezig mr. A.E.M. Doedens.

TENLASTELEGGING

De verdachte is ten laste gelegd dat:

1.

hij op of omstreeks 20 november 2009 te Zwolle omstreeks 23.30 uur ter

uitvoering van het door verdachte voorgenomen misdrijf om met het oogmerk om

zich en/of een ander wederrechtelijk te bevoordelen door geweld en/of

bedreiging met geweld (slachtoffer) te dwingen tot de afgifte van geld, in elk

geval van enig geldbedrag, geheel of ten dele toebehorende aan (naam bedrijf

, in elk geval aan een ander of anderen dan aan verdachte:

- zich op of omstreeks voornoemd tijdstip voorgedaan als bezoeker en/of

(daarbij) zich gemeld aan de balie van voornoemd (naam bedrijf)en/of (vervolgens)

- zich begeven aan de personeelszijde van de balie en/of (daarbij) die (slachtoffer)

krachtig bij haar hand heeft vastgepakt en/of vastgehouden en/of (daarbij)

voornoemde hand krachtig achterover heeft geduwd en/of gedrukt en/of

(daarbij) die (slachtoffer) op haar knieën heeft gedwongen en/of (vervolgens)

- die (slachtoffer) bij de bovenarm heeft vastgepakt/vastgehouden en/of

- die (slachtoffer), terwijl hij verdachte een zilverkleurig voorwerp in zijn hand

had, de woorden heeft toegevoegd: "Waar heb je het geld liggen",

althans woorden van gelijke aard en/of strekking,

terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid;

en/of

2.

hij op of omstreeks 20 november 2009 te Zwolle omstreeks 23.35 uur ter

uitvoering van het door verdachte voorgenomen misdrijf om met het oogmerk van

wederrechtelijke toe-eigening weg te nemen een handtas, geheel of ten dele

toebehorende aan (slachtoffer 2), in elk geval aan een ander of anderen dan aan

verdachte, terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is

voltooid, welke poging tot diefstal werd vergezeld en/of gevolgd van geweld

en/of bedreiging met geweld tegen (slachtoffer 2), gepleegd met het oogmerk om

die diefstal gemakkelijk te maken en/of om bij betrapping op heterdaad aan

zichzelf hetzij de vlucht mogelijk te maken, hetzij het bezit van het

gestolene te verzekeren, welk geweld en/of bedreiging met geweld hierin

bestond(en) dat hij, verdachte:

- die handtas vanaf de balie heeft vastgepakt en/of meegenomen en/of

(vervolgens) zich heeft begeven naar de uitgang van voornoemd (naam bedrijf)en/of

(daarbij) die (slachtoffer 2) van zich af heeft geduwd en/of gedrukt en/of (daarbij)

zich heeft losgetrokken en/of losgerukt en/of (daarbij) krachtig aan die

handtas is blijven trekken en/of rukken en/of tegen het gezicht van die

(slachtoffer 2) heeft geslagen/gemaaid;

art 317 lid 1 Wetboek van Strafrecht

art 45 lid 1 Wetboek van Strafrecht

De rechtbank heeft de verschillende onderdelen van de tenlastelegging genummerd als 1 respectievelijk 2.

VOORVRAGEN

De rechtbank heeft vastgesteld dat de dagvaarding geldig is, dat zijzelf bevoegd is tot kennisneming van deze zaak, dat de officier van justitie ontvankelijk is in zijn/haar vervolging en dat er geen redenen zijn voor schorsing van de vervolging.

BEWIJSMOTIVERING

Het standpunt van het openbaar ministerie

De officier van justitie heeft gevorderd dat verdachte zal worden veroordeeld voor het onder 1 en 2 ten laste gelegde, te weten - kort gezegd - de poging tot afpersing van (slachtoffer) en de poging diefstal met geweld tegen (slachtoffer 2).

Het standpunt van de verdediging

De raadsman van verdachte heeft geconcludeerd tot vrijspraak. Verdachte heeft de feiten ontkent en heeft een aannemelijk alternatief scenario gegeven voor wat er in de avond van 20 november 2009 is gebeurd. De verbalisanten hebben de man die zij achtervolgden enige tijd uit het oog verloren. Het is niet uitgesloten dat uiteindelijk de verkeerde man is aangehouden. Als verdachte al vanaf het (naam bedrijf)tot aan de plek van aanhouding had gerend moet hij buiten adem zijn geweest. Dat blijkt niet uit het proces-verbaal, terwijl een dergelijke omstandigheid in andere gevallen altijd wordt opgenomen. Het wondje op de hand van verdachte is volgens verdachte waarschijnlijk ontstaan door de handboeien. De meervoudige fotoconfrontatie kan niet bijdragen aan het bewijs nu het hokje vóór de zinsnede “ja volgens mij is het de persoon rechtsboven in” niet is aangekruist.

De enkelvoudige fotoconfrontatie voegt niets toe. De verklaringen van de jongens waar verdachte die avond mee op stap is geweest zijn niet in tegenspraak met de verklaring van verdachte.

Het oordeel van de rechtbank

De rechtbank overweegt, op grond van de hierna in voetnoten vermelde bewijsmiddelen , het navolgende.

Op 20 november 2009 omstreeks 23.43 uur kwam er een man in (naam bedrijf) te Zwolle. Aangeefster (slachtoffer) was daar werkzaam. De man stond opeens achter de balie. Hij greep (slachtoffer) bij de linkerhand en drukte deze pijnlijk achterover. Dit deed zo zeer dat (slachtoffer) door de knieën moest zakken om de druk aan te kunnen. Vervolgens toen (slachtoffer) door de knieën zakte liet de man haar hand los en pakte haar vast bij haar bovenarm. Dit deed ook zeer. (slachtoffer) hoorde dat de man zei:“Waar heb je het geld liggen” of woorden van gelijke strekking.

Vervolgens kwam een collega van (slachtoffer), te weten (slachtoffer 2), uit de keuken. De man liet (slachtoffer) toen los. Terwijl de man weg rende zag (slachtoffer) dat hij nog naar een tas greep die op de balie stond. Dit was de handtas van (slachtoffer 2). (slachtoffer 2) is achter de man aangerend en is op de trap bovenop de man gesprongen. Er ontstond een worsteling. Beneden wrikte de man zich los. Bij de deur heeft (slachtoffer 2) de man weer te pakken gekregen. De man heeft toen de tas van (slachtoffer 2) losgelaten. Beneden aan de trap had de man ook met zijn armen om zich heen gemaaid en (slachtoffer 2) daarbij op haar gezicht geraakt. De man rende vervolgens naar buiten richting de Voorstraat. (slachtoffer) en (slachtoffer 2) zagen buiten een politieauto en hebben de politie op de hoogte gesteld, waarna de politie onmiddellijk een achtervolging heeft ingezet .

Verbalisanten (naam verbalisant 1) en (naam verbalisant 2) hoorden een van de dames schreeuwen “wij zijn overvallen” en zagen dat de dame in de richting wees van de Korte Kamperstraat. Hierop zijn zij rennend de Korte Kamperstraat ingelopen. Zij zagen in de Voorstraat een man hardlopen en zijn achter de man aangerend. (naam verbalisant 1) gaf aan andere eenheden door dat de man liep in de richting van de Ossenmarkt. Verbalisanten Meijer en Kloek zijn in de richting van de Ossenmarkt gereden. Zij zagen ter hoogte van de Peperbus, gelegen aan de Ossenmarkt, een man hard rennen. Deze man hielden zij staande. (naam verbalisant 2) had de man om de Peperbus zien rennen en raakte hem uit het zicht. Vervolgens zag (naam verbalisant 2) zijn collega’s Meijer en Kloek bij de man staan die hij herkende als de man waar hij eerder achteraan had gelopen.

(naam verbalisant 1) en (naam verbalisant 2) zijn terug gegaan naar het plaats delict. Kloek zag dat de man op zijn rechterhand een verse wond had in de vorm van een kras. Meijer en Kloek hoorden via de portofoon dat de overvaller gekleed zou zijn in donkere kleding, een blank gelaat had, 25-30 jaar oud was, zou lopen op sportschoenen en een pet zou dragen. Meijer en Kloek zagen dat de man voldeed aan het opgegeven signalement, maar dat hij geen pet droeg. Zij hebben de man aangehouden. Bij de insluitingfouillering aan het hoofdbureau van de politie zagen zij dat de verdachte uit zijn broeksband een pet haalde.

Getuigen (naam getuige 1) en (naam getuige 2) hebben verklaard dat zij in de avond van 20 november 2010 samen met verdachte in Zwolle bij de auto van (naam getuige 2) stonden en dat verdachte toen heeft gezegd dat hij even geld moest ophalen bij een jongen. Zij zagen verdachte weglopen, waarop (naam getuige 1) nog heeft gezegd dat de tas van verdachte daar nog stond. Verdachte zou hebben gezegd dat hij zo terug zou komen, respectievelijk “hoe moet ik anders terug”. Verdachte was nog geen 10 minuten weg toen (naam getuige 1) en (naam getuige 2) zagen dat er politieauto’s langskwamen. Enige tijd later zagen zij verdachte in een van de politieauto’s zitten. (naam getuige 1) heeft verder verklaard dat verdachte de hele avond een pet op had, een donkere.

(slachtoffer 2) heeft op 21 november 2009 aan de hand van een zogenaamde full-body foto verdachte herkend als de man die haar de avond daarvoor had overvallen.

Aan (slachtoffer) op 16 december 2009 10 foto’s getoond. Zij herkende de persoon op foto 4, rechts bovenin op het bord als zijnde de man die haar op 20 november 2009 had overvallen. Het betrof de foto van verdachte.

Verdachte heeft ter terechtzitting kort samengevat verklaard, dat hij op 20 november 2009 omstreeks 23.30 uur in Zwolle was met (naam getuige 1) en (naam getuige 2). Hij wilde bij hen weg, omdat zij drugs hadden gebruikt. Hij heeft toen tegen hen gezegd dat hij geld moest ophalen, maar hij wilde de laatste trein naar Raalte nemen en is toen naar het station gerend. Hij heeft dit niet eerder bij de politie verteld, omdat hij (naam getuige 1) en (naam getuige 2) er buiten wilde houden.

De rechtbank acht voormelde verklaring van verdachte - mede ook gelet op de verklaringen van (naam getuige 1) en (naam getuige 2) - niet geloofwaardig. De verklaringen van verdachte worden bovendien uitgesloten door voormelde bewijsmiddelen.

Met betrekking tot de meervoudige fotoconfrontatie overweegt de rechtbank nog het volgende. De fotoconfrontatie voldoet aan de daarvoor ontwikkelde criteria.

De raadsman heeft betoogd, dat de meervoudige fotoconfrontatie niet kan bijdragen aan het bewijs nu het hokje vóór de zinsnede “ja volgens mij is het de persoon rechtsboven in” niet is aangekruist. De rechtbank stelt vast, dat op bladzijde twee van het proces-verbaal “tonen selectie bij simultane fotobewijsconfrontatie” d.d. 16 december 2009 vorenbedoeld hokje inderdaad niet is aangekruist. Echter vóór de daarboven vermelde vraag van de verbalisant “Bevond de door u bedoelde persoon zich in de selectie?” staat wél een kruisje. De rechtbank is van oordeel dat het hokje voor de zinsnede “ja volgens mij is het de persoon rechtsboven in” abusievelijk niet is aangekruist en dat het kruisje kennelijk voor de daarbovenstaande zinsnede is geplaatst. De rechtbank overweegt, dat de tekst “ja volgens mij is het de persoon rechtsboven in” geen standaardtekst betreft en die tekst naar het oordeel van de rechtbank is ingevoegd om de woorden van getuige (slachtoffer) tot uitdrukking te brengen. De rechtbank heeft in haar overwegingen betrokken dat uit het proces-verbaal van bevindingen van (naam verbalisant 3) d.d. 5 januari 2010 volgt, dat getuige (slachtoffer) de persoon van foto 4 rechts bovenin herkende, hetgeen ook past bij voormelde tekst “Ja, volgens mij is het de persoon rechtsboven in”. De rechtbank is op basis van het voorgaande van oordeel dat er daadwerkelijk een herkenning van verdachte als zijnde de overvaller door getuige (slachtoffer) heeft plaatsgevonden. De rechtbank gebruikt het proces-verbaal “tonen selectie bij simultane fotobewijsconfrontatie” d.d. 16 december 2009 in samenhang gelezen met het proces-verbaal van bevindingen (naam verbalisant 3) d.d. 5 januari 2010 dan ook tot het bewijs.

BEWEZENVERKLARING

De rechtbank acht derhalve wettig en overtuigend bewezen hetgeen de verdachte onder 1 en 2 ten laste is gelegd, met dien verstande dat

1.

hij op 20 november 2009 te Zwolle omstreeks 23.30 uur ter uitvoering van het door verdachte voorgenomen misdrijf om met het oogmerk om zich wederrechtelijk te bevoordelen door geweld (slachtoffer) te dwingen tot de afgifte van geld, toebehorende aan (naam bedrijf), in elk geval aan een ander dan aan verdachte:

- zich op voornoemd tijdstip voorgedaan als bezoeker en

(daarbij) zich gemeld aan de balie van voornoemd (naam bedrijf)en (vervolgens)

- zich begeven aan de personeelszijde van de balie en (daarbij) die (slachtoffer)

krachtig bij haar hand heeft vastgepakt en/of vastgehouden en (daarbij)

voornoemde hand krachtig achterover heeft geduwd en/of gedrukt en

(daarbij) die (slachtoffer) op haar knieën heeft gedwongen en (vervolgens)

- die (slachtoffer) bij de bovenarm heeft vastgepakt/vastgehouden en

- die (slachtoffer), de woorden heeft toegevoegd: "Waar heb je het geld liggen",

althans woorden van gelijke aard en/of strekking,

terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid;

en

2.

hij op 20 november 2009 te Zwolle omstreeks 23.35 uur ter uitvoering van het door verdachte voorgenomen misdrijf om met het oogmerk van wederrechtelijke toe-eigening weg te nemen een handtas, toebehorende aan (slachtoffer 2), terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid, welke poging tot diefstal werd gevolgd van geweld tegen (slachtoffer 2), gepleegd met het oogmerk om bij betrapping op heterdaad aan

zichzelf hetzij de vlucht mogelijk te maken, hetzij het bezit van het gestolene te verzekeren, welk geweld hierin bestond(en) dat hij, verdachte:

- die handtas vanaf de balie heeft vastgepakt en meegenomen en (vervolgens) zich heeft begeven naar de uitgang van voornoemd (naam bedrijf)en zich heeft losgetrokken en/of losgerukt en tegen het gezicht van die (slachtoffer 2) heeft geslagen/gemaaid;

Van het meer of anders ten laste gelegde zal de verdachte worden vrijgesproken, aangezien de rechtbank dat niet wettig en overtuigend bewezen acht.

DE STRAFBAARHEID VAN HET FEIT

Het bewezene levert op:

1.

Poging tot afpersing

strafbaar gesteld bij artikel 317 juncto artikel 47 Wetboek van Strafrecht.

2.

Poging diefstal gevolgd van geweld tegen personen, gepleegd met het oogmerk om bij betrapping op heterdaad aan zichzelf hetzij de vlucht mogelijk te maken, hetzij het bezit van het gestolene te verzekeren

strafbaar gesteld bij artikel 312 juncto artikel 47 Wetboek van Strafrecht.

Er zijn geen feiten of omstandigheden die de strafbaarheid van het bewezenverklaarde uitsluiten. Dit levert de genoemde strafbare feiten op.

DE STRAFBAARHEID VAN DE DADER

Er zijn geen feiten of omstandigheden die de strafbaarheid van de verdachte uitsluiten. De verdachte is derhalve strafbaar.

OPLEGGING VAN STRAF EN/OF MAATREGEL

Het standpunt van het openbaar ministerie

De officier van justitie heeft op grond van hetgeen zij bewezen heeft geacht gevorderd dat verdachte zal worden veroordeeld tot een gevangenisstraf van 20 maanden met aftrek van voorarrest.

Het standpunt van de verdediging

De raadsman heeft - gelet op zijn conclusie tot vrijspraak – geen strafmaatverweer gevoerd.

Het oordeel van de rechtbank

Gelet op de aard en de ernst van het bewezen en strafbaar verklaarde, op de omstandigheden

waaronder verdachte zich daaraan heeft schuldig gemaakt en op de persoon van verdachte,

zoals van een en ander uit het onderzoek ter terechtzitting is gebleken, acht de rechtbank de

na te noemen beslissing passend.

De rechtbank heeft kennis genomen van het door psycholoog Wierenga d.d. 6 april 2009 – in het kader van een andere strafzaak – opgemaakte rapport. Genoemd rapport houdt als conclusies in – zakelijk weergegeven – dat er bij verdachte onder meer sprake is van een chronische posttraumatische stress stoornis (PTSS), depersonalisatiestoornis, sociale fobie en cocaïnemisbruik. De PTSS, sociale fobie en depersonalisatiestoornis zijn ontstaan als reacties op het seksueel misbruik dat verdachte op zijn 9e onderging. Verdachtes sterke neiging om verslavende middelen te gebruiken komen voort uit de afweer van ernstige stoornissen voortkomend uit het seksueel trauma in zijn kindertijd. De stoornissen zijn ernstig en hebben verdachtes emotionele ontwikkeling en ontplooiing ontwricht. Een behandeling is noodzakelijk. Verdachte moet als licht verminderd toerekeningsvatbaar worden beschouwd.

De rechtbank neemt deze conclusies over maakt deze tot de hare.

De rechtbank heeft voorts kennis genomen van het vroeghulpinterventierapport d.d. 23 november 2009 en het reclasseringsadvies van 29 januari 2010. Laatst vermelde rapportage houdt onder meer als conclusies in, dat verdachte zeer gemotiveerd lijkt voor behandeling en dat reclassering het wenselijk acht dat verdachte de nodige ondersteuning krijgt en toezicht van reclassering. Op korte termijn zou een behandeling gericht op het verwerken en leren omgaan met het seksueel misbruik geïndiceerd zijn, bij voorkeur in een klinische setting waarbij ook aandacht is voor zijn drugsverslaving. Verdachte is aangemeld bij Dimence in Zwolle om een behandeltraject uit te kunnen zetten. Geadviseerd is om verdachte een (gedeeltelijk) voorwaardelijke gevangenisstraf op te leggen met de bijzondere voorwaarden dat verdachte zich moet houden aan de aanwijzingen van reclassering en dat verdachte zich moet laten behandelen bij de verslavingskliniek van Dimence te Zwolle. Het plan van aanpak kan ook gestart worden bij een onvoorwaardelijke gevangenisstraf in het kader van het programma Terugdringen Recidive.

De rechtbank stelt vast, dat er nog geen intake bij Dimence heeft plaatsgevonden, noch dat reclassering naar aanleiding daarvan een concreet behandelplan voor wat betreft de setting (klinisch of ambulant) en de duur daarvan heeft kunnen voorstellen.

Hoewel het naar het oordeel van de rechtbank wenselijk is dat verdachte een behandeling ondergaat acht de rechtbank het niet noodzakelijk om het onderzoek ter terechtzitting te heropenen teneinde nadere informatie omtrent de duur en aard van een (eventuele) behandeling van verdachte te verkrijgen, aangezien reclassering heeft overwogen dat het voorgestelde plan van aanpak ook gestart kan worden bij een onvoorwaardelijke gevangenisstraf in het kader van het programma Terugdringen Recidive. De rechtbank heeft in haar overwegingen bovendien betrokken het belang van verdachte - gelet ook op zijn ontkenning - op een spoedige berechting van zijn zaak, waarop hij ter terechtzitting ook expliciet een beroep heeft gedaan. De rechtbank houdt bij haar strafoplegging wel rekening met de persoonlijke omstandigheden van verdachte zoals deze blijken uit voormelde rapportages en de omstandigheid dat verdachte gemotiveerd is om aan zichzelf te werken.

De rechtbank overweegt voorts het volgende.

Verdachte heeft in de late avond van 20 november 2009 geprobeerd een medewerker van een (naam bedrijf)te overvallen en een tas met inhoud te stelen. Hij heeft daarbij het gebruik van geweld niet geschuwd. Verdachte had kennelijk niets anders voor ogen dan geldelijk gewin ten koste van anderen. Voor de slachtoffers moet deze gebeurtenis zeer beangstigend zijn geweest. Dat blijkt ook uit de door (slachtoffer) ingediende slachtofferverklaring. Ook voor de samenleving in het algemeen geldt dat dergelijke misdrijven gevoelens van onrust en onveiligheid veroorzaken. De rechtbank rekent dat verdachte zwaar aan.

Blijkens een ten name van verdachte gesteld uittreksel uit het justitieel documentatieregister van 5 januari 2010 is verdachte eerder voor soortgelijke feiten veroordeeld. Aan verdachte zijn toen gevangenisstraffen van aanzienlijke duur opgelegd. Het onderhavige feit heeft verdachte bovendien gepleegd tijdens detentie toen hij met weekendverlof was.

Bij deze stand van zaken is ook in het onderhavige geval een onvoorwaardelijke gevangenisstraf van na te melden duur passend.

De oplegging van straf of maatregel is, behalve op de reeds aangehaalde wettelijke voorschriften, gegrond op de artikelen 10, 27 van het Wetboek van Strafrecht.

BESLISSING

Het onder 1 en 2 ten laste gelegde is bewezen zoals hiervoor aangegeven en levert de strafbare feiten op, zoals hiervoor vermeld. De verdachte is deswege strafbaar.

Het onder 1 of 2 meer of anders ten laste gelegde is niet bewezen en de verdachte wordt daarvan vrijgesproken.

De rechtbank veroordeelt de verdachte tot een gevangenisstraf voor de duur van 20 maanden.

De tijd, door de verdachte vóór de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in verzekering en voorlopige hechtenis doorgebracht, zal bij de tenuitvoerlegging van de opgelegde gevangenisstraf in mindering worden gebracht.

Aldus gewezen door mr. F.E.J. Goffin, voorzitter, mrs. F. Koster en J.N. Bartels, rechters, in tegenwoordigheid van mr. H. Lageveen als griffier en uitgesproken ter openbare terechtzitting van 18 maart 2010.

Mr. F.E.J. Goffin voornoemd was buiten staat dit vonnis mede te ondertekenen.