Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBZLY:2010:BL7175

Instantie
Rechtbank Zwolle-Lelystad
Datum uitspraak
16-02-2010
Datum publicatie
11-03-2010
Zaaknummer
07/653020-10
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

diefstal

verwerping verweer persoonsverwisseling

bewijsmotivering

strafmaatmotivering

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK ZWOLLE - LELYSTAD

Sector Strafrecht - Meervoudige Strafkamer

Parketnummer: 07.653020-10(P)

Uitspraak: 16 februari 2010

VONNIS IN DE STRAFZAAK VAN:

Het openbaar ministerie

tegen

(verdachte)

geboren op (geboortejaar),

wonende te (adres)

thans verblijvende verblijfplaats)

ONDERZOEK TER TERECHTZITTING

Het onderzoek ter terechtzitting heeft plaatsgevonden op 2 februari 2010 te Zwolle.

De verdachte is verschenen, bijgestaan door mr. J. Vlug, advocaat te Deventer.

Als officier van justitie was aanwezig mr. M. van Dijck.

Ter terechtzitting heeft de rechtbank op verzoek van de verdediging beslist deze zaak niet gevoegd te behandelen met de bij afzonderlijke dagvaarding onder parketnummer 07.440254-09 tegen de verdachte aangebrachte zaak. Ten aanzien van laatst gemelde dagvaaarding heeft bovendien splitsing plaatsgevonden van het tweede feit op die dagvaarding (parketnummer 07.440197-09).

TENLASTELEGGING

De verdachte is ten laste gelegd dat:

hij op of omstreeks 18 januari 2010 in de gemeente Deventer met het oogmerk

van wederrechtelijke toe-eigening heeft weggenomen een slof sigaretten, in elk

geval enig goed, geheel of ten dele toebehorende aan de Aldi, in elk geval aan

een ander of anderen dan aan verdachte;

art 310 Wetboek van Strafrecht

VOORVRAGEN

De rechtbank heeft vastgesteld dat de dagvaarding geldig is, dat zijzelf bevoegd is tot kennisneming van deze zaak, dat de officier van justitie ontvankelijk is in zijn vervolging en dat er geen redenen zijn voor schorsing van de vervolging.

BEWIJSMOTIVERING

Het standpunt van het openbaar ministerie

De officier van justitie heeft geconcludeerd tot bewezenverklaring van het ten laste gelegde, kort gezegd de diefstal van een slof sigaretten uit de Aldi op 18 januari 2010 te Deventer.

Het standpunt van de verdediging

De verdediging heeft –zakelijk weergegeven- bepleit dat verdachte dient te worden vrijgesproken nu niet verdachte doch zijn eeneiige tweelingbroer in de Aldi is geweest, zoals zij beiden verklaren. Zij zijn nagenoeg niet van elkaar te onderscheiden en met de herkenning van verdachte door een verbalisant aan de hand van de camerabeelden bij de Aldi, moet behoedzaam worden omgegaan.

Het oordeel van de rechtbank

Op maandag 18 januari 2010 zag de filiaalmanager van de Aldi, gevestigd aan (adres), in zijn winkel een man zich verdacht voor de kassa’s ophouden. Op de camerabeelden, waarvan foto’s bij de aangifte zijn gevoegd, ziet hij terug dat die man om 12.27 uur een slof sigaretten (Marlboro) pakt, deze onder zijn jas stopt en de winkel verlaat zonder de sigaretten af te rekenen. Het door aangever opgegeven signalement betreft een ongeveer 35-jarige man met licht getint uiterlijk, gekleed in een legerkleurige jas met capuchon, donkere broek en donkere schoenen. De filiaalmanager heeft meteen na het bekijken van de camerabeelden de hulp van de politie ingeroepen. Op basis van het signalement en de richting waarin de man ging toen hij de winkel verliet, heeft de aanhouding van verdachte plaatsgevonden om 12.39 uur, op het bij verbalisanten ambtshalve bekende (adres). Aldaar werden zowel verdachte als diens tweelingbroer aangetroffen. Gezien werd dat verdachte een groen gewatteerde jas met capuchon, bruinkleurige sportschoenen en een zwart t-shirt droeg en dat hij Marlborosigaretten rookte. Verdachtes tweelingbroer droeg daar onder andere een witte polo met licht groene strepen en witte sportschoenen.

In het proces-verbaal van bevindingen van 20 januari 2010 is beschreven dat bij het uitkijken van de camerabeelden werd gezien dat de man op de beelden een van de ambtshalve bekende broers Rijke betrof, gekleed in een legerkleurige jas met capuchon, en voorts dat op de bewegende beelden is te zien dat de man de slof sigaretten met zijn linkerhand horizontaal onder zijn jas schoof en deze niet afrekende.

Verdachte heeft gesteld dat niet hij maar zijn broer in de Aldi is geweest en dat er op het adres waar hij en zijn broer zijn aangehouden tussen hen een kledingwissel heeft plaatsgevonden.

De tweelingbroer van verdachte heeft verklaard dat hij zojuist bij de Aldi was geweest, daar niets gestolen had, en dat verdachte en hij zojuist van jas hadden gewisseld.

De rechtbank acht de door verdachte gesuggereerde kledingruil echter onaannemelijk. Hierbij is van belang dat verdachte bij zijn eerste verhoor gezegd heeft alleen van jas te hebben geruild met zijn broer, onder de opmerking “Dat zijn de enige kledingstukken die gewisseld zijn”. Pas bij zijn tweede verhoor heeft verdachte gezegd dat behalve de jas, ook de schoenen gewisseld zijn met zijn broer. Daarbij komt dat op de ter zitting getoonde afbeeldingen uit de camerabeelden, behorende bij de aangifte, is te zien dat de betreffende man een effen donker (t-)shirt draagt. Dat shirt is geheel anders dan het helder groen-wit gestreepte shirt dat de tweelingbroer van verdachte droeg bij diens aanhouding. Verdachtes tweelingbroer heeft bij zijn verhoor verklaard dat hij dat shirt ook aan had toen hij in de Aldi was.

Vast staat dat verdachte bij zijn aanhouding een zwartkleurig shirt droeg en dat de aanhouding van verdachte plaatsvond kort na de diefstal uit de Aldi. De rechtbank baseert haar overtuiging dat het verdachte is geweest en niet diens tweelingbroer die een slof sigaretten heeft gestolen bij de Aldi op het hierboven omschrevene in combinatie met de onaannemelijkheid dat naast bovenkleding (jas en schoenen) ook onderkleding verwisseld zou zijn, ook gezien het korte tijdsbestek tussen het bezoek aan de Aldi en de aanhouding.

De rechtbank deelt de mening van de verdediging dat in de concrete omstandigheden van verdachte, behoedzaam moet worden omgegaan met de herkenning door een verbalisant van verdachte ten opzicht van zijn tweelingbroer. Deze herkenning wordt in het onderhavige geval echter niet betrokken bij de bewezenverklaring.

BEWEZENVERKLARING

De rechtbank acht derhalve wettig en overtuigend bewezen hetgeen de verdachte ten laste is gelegd, met dien verstande dat:

hij op 18 januari 2010 in de gemeente Deventer met het oogmerk van wederrechtelijke toe-eigening heeft weggenomen een slof sigaretten toebehorende aan de Aldi.

Van het meer of anders ten laste gelegde zal de verdachte worden vrijgesproken, aangezien de rechtbank dat niet wettig en overtuigend bewezen acht.

DE STRAFBAARHEID VAN HET FEIT

Het bewezene levert op:

Diefstal,

strafbaar gesteld bij artikel 310 van het Wetboek van Strafrecht

Er zijn geen feiten of omstandigheden die de strafbaarheid van het bewezen verklaarde uitsluiten. Dit levert het genoemde strafbare feit op.

DE STRAFBAARHEID VAN DE VERDACHTE

Er zijn geen feiten of omstandigheden die de strafbaarheid van de verdachte uitsluiten. De verdachte is derhalve strafbaar.

OPLEGGING VAN STRAF EN/OF MAATREGEL

Het standpunt van het openbaar ministerie

De officier van justitie heeft op grond van hetgeen hij bewezen heeft geacht gevorderd het opleggen van de maatregel tot plaatsing van verdachte in een inrichting voor stelselmatige daders (ISD-maatregel) danwel schuldig verklaring zonder oplegging van straf of maatregel voor het geval de rechtbank aan verdachte een ISD-maatregel oplegt voor een der gesplitst behandelde zaken. Zulks omdat verdachte een veelpleger is en omdat uit de rapportage van Tactus blijkt dat verdachte niet gemotiveerd is zijn medewerking te verlenen aan een hulpverleningstraject.

Het standpunt van de verdediging

De raadsman stelt dat de rapportage van Tactus onvoldoende is om een ISD-maatregel op te baseren. Het niet terugsturen van een toestemmingsverklaring naar Tactus rechtvaardigt niet de conclusie dat verdachte zijn medewerking aan hulpverlening zou weigeren. Temeer niet, nu verdachte zegt een dergelijke brief nooit te hebben ontvangen. Voor het geval de rechtbank de rapportage van Tactus wel voldoende basis acht, bepleit de raadsman een voorwaardelijke ISD.

Het oordeel van de rechtbank

De rechtbank heeft bij de keuze tot het opleggen van een straf en bij de vaststelling van de duur daarvan het volgende in beschouwing genomen.

Verdachte heeft zich schuldig gemaakt aan een winkeldiefstal. Uit het Uittreksel Justitiële Documentatie van 12 januari 2010 blijkt dat verdachte eerder veelvuldig is veroordeeld voor soortgelijke feiten. Het kennelijke gemak waarmee verdachte desondanks is doorgegaan met het plegen van een dergelijk feit, zonder oog te hebben gehad voor de gevolgen voor het slachtoffer, rekent de rechtbank verdachte zwaar aan.

Door de reclassering is op 27 januari 2010 een brief gestuurd naar het arrondissementsparket Zwolle met de mededeling dat geen voorlichtingsrapportage kan worden uitgebracht omtrent de persoon van verdachte. Tactus schrijft dat verdachte door hen bij brief van 30 november 2009 is verzocht om een toestemmingsverklaring te ondertekenen en retourneren als hij wilde meewerken aan een rapportage. Deze toestemmingsverklaring zou verdachte voor 7 december 2009 terug moeten sturen, doch Tactus heeft niets ontvangen.

De rechtbank is van oordeel dat het enkele feit dat Tactus de hiervoor bedoelde toestemmingsverklaring niet terug heeft ontvangen, te mager is om daarop de conclusie te baseren dat verdachte weigerachtig is om zijn medewerking te verlenen aan een onderzoek in de zin van artikel 38m lid 4 Wetboek van Strafrecht (omtrent de wenselijkheid of noodzakelijkheid van een ISD-maatregel). Gegeven de verstrekkendheid van een ISD-maatregel acht de rechtbank in dit verband van belang dat niet gebleken is dat is gecontroleerd of de brief van Tactus van 30 november 2009 verdachte daadwerkelijk heeft bereikt of niet. Het feit dat in het schrijven van Tactus van 27 januari 2010 is vermeld dat verdachte een reeds moeizaam verlopen hulpverleningsgeschiedenis heeft, kan dit niet anders maken. Voor oplegging van de gevorderde ISD-maatregel acht de rechtbank dan ook onvoldoende grondslag aanwezig.

De rechtbank is in dit geval van oordeel dat een onvoorwaardelijke gevangenisstraf noodzakelijk is omdat aard en ernst van het bewezen en strafbaar verklaarde door lichtere strafrechtelijke afdoening van de zaak miskend zouden worden.

De oplegging van straf of maatregel is, behalve op de reeds aangehaalde wettelijke voorschriften, gegrond op de artikelen 10, 27, 57 van het Wetboek van Strafrecht.

BESLISSING

Het ten laste gelegde is bewezen zoals hiervoor aangegeven en levert het strafbare feit op, zoals hiervoor vermeld. De verdachte is deswege strafbaar.

Het meer of anders ten laste gelegde is niet bewezen en de verdachte wordt daarvan vrijgesproken.

De rechtbank veroordeelt de verdachte tot een gevangenisstraf voor de duur van één maand.

De tijd, door de verdachte vóór de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in verzekering en voorlopige hechtenis doorgebracht, zal bij de tenuitvoerlegging van de opgelegde gevangenisstraf in mindering worden gebracht.

Het bevel tot voorlopige hechtenis wordt opgeheven met ingang van het tijdstip waarop de duur van deze hechtenis gelijk wordt aan die van de opgelegde gevangenisstraf.

Aldus gewezen door mr. S.M. Milani, voorzitter, mrs. G.A. Versteeg en R.A.M. Elbers, rechters, in tegenwoordigheid van mr. M. van Nassau als griffier en uitgesproken ter openbare terechtzitting van 16 februari 2010.

Mr. Elbers is buiten staat dit vonnis mede te ondertekenen.