Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBZLY:2010:BL6912

Instantie
Rechtbank Zwolle-Lelystad
Datum uitspraak
17-02-2010
Datum publicatie
09-03-2010
Zaaknummer
152979 / HA ZA 09-44
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Eiser koopt schuur en wenst daarin te gaan wonen. Gemeente doet dwangsomaanschrijving uitgaan omdat dit gebruik in strijd is met bestemmingsplan. Eiser verkoopt daarop de schuur aan derde. Eiser deelt vervolgens aan de gemeente mee dat deze derde in de schuur blijkt te zijn gaan wonen. Volgens hem heeft de gemeente onrechtmatig jegens hem door tegen deze derde niet of in onvoldoende mate op te treden.

Rechtbank: Geen strijd met vertrouwens- of gelijkheidsbeginsel. Geen onrechtmatig handelen gemeente.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

vonnis

RECHTBANK ZWOLLE-LELYSTAD

Sector civiel recht

zaaknummer / rolnummer: 152979 / HA ZA 09-44

Vonnis van 17 februari 2010

in de zaak van

[eiser],

wonende te [plaats],

eiser,

advocaat mr. F. Hoff,

tegen

de publiekrechtelijke rechtspersoon

GEMEENTE OMMEN,

zetelend te Ommen,

gedaagde,

advocaat mr. J.J. Jacobse.

Partijen zullen hierna Schutte en de Gemeente genoemd worden.

1. De procedure

1.1. Het verloop van de procedure blijkt uit:

- de dagvaarding

- de conclusie van antwoord

- de conclusie van repliek

- de conclusie van dupliek.

1.2. Ten slotte is vonnis bepaald.

2. De feiten

2.1. Schutte heeft op 11 januari 1999 de helft van de schuur gelegen aan de [adres] te Ommen, kadastraal bekend gemeente Stad-Ommen, [kadastrale gegevens], in eigendom verworven.

2.2. Bij Schutte is omstreeks oktober 2003 het idee ontstaan om – na zijn pensionering – in de schuur te gaan wonen.

2.3. Bij brief van 1 december 2003 heeft Schutte van de Gemeente een officiële (voor)aanschrijving ontvangen, waarin – voor zover van belang – staat:

“Op 17 november 2003 hebben wij geconstateerd dat de schuur nabij de woning op het perceel [adres] te Ommen door u wordt gebruikt voor recreatieve doeleinden.

Daar de illegale bouw binnen ons beleid niet te legaliseren valt zijn wij derhalve voornemens u onder oplegging van een dwangsom aan te schrijven tot het ontmantelen van de keuken-, douche- en wc-voorzieningen (en voorzover dat daarna nog nodig is:) tot het staken van het recreatieve gebruik van de schuur.”

Schutte heeft daarop gereageerd bij brief van 23 december 2003, inhoudende dat van recreatief gebruik geen sprake is.

2.4. Nadien heeft Schutte de Gemeente meermalen gevraagd of het mogelijk was de schuur voor recreatieve doeleinden te gebruiken. De Gemeente heeft Schutte laten weten, hetgeen onder andere blijkt uit de notitie van 24 augustus 2006 van de Gemeente (productie 4 bij de dagvaarding), dat dit gebruik niet is toegestaan, omdat de schuur als bijgebouw geregistreerd staat bij [adres].

2.5. Schutte is tot verkoop van de schuur overgegaan en deze is bij akte van 8 februari 2007 aan [A] geleverd. [A] is ook eigenaar van de woning aan de [adres].

2.6. Schutte heeft de Gemeente bij brief van 25 april 2007 medegedeeld dat hij heeft geconstateerd dat de schuur recreatief danwel permanent wordt bewoond. Bij brief van 1 augustus 2007 heeft de Gemeente [A] laten weten:

“Wij verzoek u om er op toe te zien dat het strijdig gebruik van de schuur uiterlijk op 1 september 2007 is beëindigd. Als alternatief staat het u vrij om voor deze datum met bewijsmiddelen aannemelijk te maken dat het huidig gebruik mag worden voortgezet op basis van de overgangsbepaling van het bestemmingsplan.”

2.7. Nadien is komen vast te staan dat recreatief danwel permanent gebruik van de schuur niet onder de beschermende werking van het overgangsrecht valt, aangezien de schuur omstreeks 1998/1999 is gebouwd terwijl het bestemmingsplan dateert van 1995.

3. Het geschil

3.1. Schutte vordert bij vonnis, voor zoveel mogelijk uitvoerbaar bij voorraad, een verklaring voor recht dat de Gemeente onrechtmatig jegens Schutte heeft gehandeld en veroordeling van de Gemeente tot betaling van de door Schutte geleden en nog te lijden schade, nader op te maken bij staat en te vereffenen volgens de wet, vermeerderd met de wettelijke rente ex artikel 6:119 BW vanaf de dag dat deze schade is geleden, althans vanaf de dag der dagvaarding, met veroordeling van de Gemeente in de kosten van de procedure, te voldoen binnen 14 dagen na dagtekening van het vonnis en – zonodig – te vermeerderen met de nakosten van EUR 131,-- danwel EUR 199,-- indien betekening van het vonnis heeft plaatsgevonden.

3.2. Ter onderbouwing van zijn vordering, dat de Gemeente onrechtmatig jegens hem heeft gehandeld, is door Schutte het navolgende aangevoerd. De Gemeente heeft Schutte laten weten dat handhavend zou worden opgetreden tegen recreatief danwel permanent gebruik van de schuur door Schutte, reden waarom Schutte uiteindelijk tot verkoop van de schuur is overgegaan. Door vervolgens niet handhavend op te treden tegen de nieuwe eigenaar die recreatief danwel permanent gebruik maakt van de schuur, handelt de Gemeente in strijd met het vertrouwens- en het gelijkheidsbeginsel. Aangezien het gelijkheidsbeginsel voortvloeit uit artikel 1 van de Grondwet, is er sprake van een nalaten in strijd met een wettelijke plicht. Voorts is de handelswijze van de Gemeente in strijd met hetgeen in het maatschappelijk verkeer betamelijk is. Schutte heeft door de handelswijze van de Gemeente schade geleden. Tussen de schade en de onrechtmatige handelswijze van de Gemeente bestaat een causaal verband. Ook aan de overige eisen voor het slagen van een vordering uit onrechtmatige daad is voldaan.

4. Het verweer

4.1. De Gemeente voert verweer, hetgeen strekt tot afwijzing van de vordering met veroordeling bij vonnis, voor zover mogelijk uitvoerbaar bij voorraad, van Schutte in de kosten van dit geding. Daartoe heeft zij het navolgende aangevoerd. Schutte heeft ter onderbouwing van zijn vordering aangevoerd dat ook jegens [A] handhavend moet worden opgetreden door de Gemeente. In de huidige procedure kan evenwel niet beoordeeld worden of de Gemeente gehouden is om tot handhaving jegens [A] over te gaan. Het behoort tot de exclusieve bevoegdheid van de bestuursrechter om op deze vraag een antwoord te geven. Van schending van het vertrouwensbeginsel is geen sprake. Er wordt betwist dat er sprake is van twee gelijke situaties, zodat er ook geen sprake is van schending van het gelijkheidsbeginsel. Voorts bestaat tussen de door de Gemeente verstrekte informatie – dat de schuur niet recreatief danwel permanent mag worden gebruikt – en de verkoop van de schuur door Schutte, geen causaal verband. Uit de inhoud en de data van de taxatierapporten valt op te maken dat Schutte het besluit tot verkoop van de schuur al eerder had genomen. In het kader van de voorgenomen verkoop heeft Schutte verzocht om de schuur recreatief danwel permanent te mogen gebruiken teneinde een hogere verkoopopbrengst te kunnen realiseren. Schutte is bovendien geen belanghebbende bij handhaving, hetgeen voor deze civielrechtelijke procedure tot gevolg heeft dat niet aan de relativiteitseis is voldaan. Tot slot betwist de Gemeente het causale verband tussen de onrechtmatige gedraging van de Gemeente en de schade die Schutte stelt te hebben geleden. Overigens lijdt Schutte in het geheel geen schade omdat ook ingeval Schutte de schuur niet zou hebben verkocht recreatief danwel permanent gebruik van de schuur niet was toegestaan.

5. De beoordeling

5.1. De kern van het verwijt van Schutte is dat de Gemeente jegens hem heeft gedreigd met handhavend optreden en dat thans niet handhavend wordt opgetreden tegen het recreatief danwel permanent gebruik van de schuur door de huidige bewoner. Aan de hand van dit verwijt zal de rechtbank beoordelen of de Gemeente onrechtmatig heeft gehandeld.

5.2. Vast staat dat op basis van het vigerende bestemmingsplan de schuur uitsluitend mag worden gebruikt als bijgebouw ten dienste van de woning [adres] en dat recreatief danwel permanent gebruik van de schuur niet is toegestaan. Met deze constatering staat echter niet vast dat de Gemeente ook gehouden is om handhavend op te treden tegen [A]. Een dergelijk oordeel is evenwel exclusief voorbehouden aan de bestuursrechter. Het vorenstaande neemt niet weg dat in de onderhavige procedure een oordeel kan worden gegeven over de vraag of de Gemeente onrechtmatig jegens Schutte handelt, nu Schutte – anders dan de Gemeente stelt – aan zijn vordering ten grondslag legt de door de Gemeente aan Schutte verstrekte informatie en in het verlengde daarvan de schending van het vertrouwens- en het gelijkheidsbeginsel.

5.3. De stelling van Schutte dat er sprake is van schending van het vertrouwensbeginsel door de Gemeente, dient als onvoldoende gemotiveerd te worden verworpen. Schutte heeft op geen enkele wijze onderbouwd waarom hij erop mocht vertrouwen dat de door de Gemeente verstrekte informatie dat recreatief danwel permanent gebruik van de schuur niet is toegestaan, onverkort voor alle opvolgende eigenaren van de schuur zou gelden. Het argument dat wanneer de Gemeente een dergelijk standpunt inneemt jegens Schutte, Schutte erop moet kunnen vertrouwen dat dit ook ten aanzien van ieder ander geldt, is daartoe in ieder geval onvoldoende.

5.4. Rest de vraag of het gelijkheidsbeginsel door de Gemeente is geschonden. Schutte heeft gesteld dat er sprake is van gelijke gevallen die ongelijk worden behandeld. De Gemeente heeft betwist dat er sprake is van gelijke gevallen, doch zij heeft nagelaten deze betwisting met kracht van argumenten te onderbouwen. De rechtbank gaat er dan ook vanuit dat er sprake is van gelijke gevallen. De vraag of er ook sprake is van een ongelijke behandeling, in dier voege dat een eventueel recreatief danwel permanent gebruik van de schuur door [A] wordt gedoogd, dient evenwel ontkennend te worden beantwoord. Daartoe kan het navolgende dienen.

5.5. De melding van Schutte bij de Gemeente dat er na verkoop van de schuur sprake was van een illegale situatie, heeft de Gemeente serieus behandeld en heeft ook geresulteerd in een aanschrijving van [A]. Dat [A] vervolgens in de gelegenheid is gesteld om zijn beroep op de overgangsregeling te staven, maakt dit niet anders.

Ten overvloede merkt de rechtbank op dat ook indien een beroep op de overgangsregeling was geslaagd, dit niet tot het oordeel had geleid dat de Gemeente onrechtmatig jegens Schutte handelt. Tegen de officiële (voor)aanschrijving van de Gemeente van 1 december 2003 had Schutte zelf ook de mogelijkheid om bezwaar te maken. Schutte heeft dit destijds nagelaten, hetgeen voor zijn rekening en risico dient te komen.

Ook het feit dat de Gemeente na aanschrijving van [A] – in eerste instantie – geen actie meer heeft ondernomen, aangezien zij in de veronderstelling verkeerde dat van een illegale situatie geen sprake meer was, doet aan het vorenstaande oordeel niet af. De Gemeente heeft immers nadien, gelet op de door Schutte in de gedingstukken ingenomen stelling dat er nog steeds sprake is van een illegale situatie zulks onder verwijzing naar de brievenbusnummers, de situatie opnieuw onderzocht.

Kortom, niet gezegd kan worden dat de Gemeente [A] “geen strobreed in de weg legt” en recreatief danwel permanent gebruik van de schuur gedoogt, zoals door Schutte gesteld. Nog daargelaten dat de Gemeente nimmer heeft aangegeven niet tot handhaving jegens [A] te zullen overgaan. Gelet op het vorenstaande dient de vordering van Schutte te worden afgewezen. De overige verweren behoeven dan ook geen verdere bespreking.

5.6. Schutte zal als de in het ongelijk gestelde partij in de proceskosten worden veroordeeld. De kosten aan de zijde van de Gemeente worden begroot op:

- vast recht 254,00

- salaris advocaat 904,00 (2,0 punten × tarief EUR 452,00)

Totaal EUR 1.158,00

6. De beslissing

De rechtbank

6.1. wijst de vorderingen af,

6.2. veroordeelt Schutte in de proceskosten, aan de zijde van de Gemeente tot op heden begroot op EUR 1.158,00, te vermeerderen met de wettelijke rente over dit bedrag vanaf 15 dagen na dagtekening van dit vonnis tot de dag van volledige betaling,

6.3. verklaart dit vonnis wat betreft de kostenveroordeling uitvoerbaar bij voorraad.

Dit vonnis is gewezen door mr. I.F. Clement en in het openbaar uitgesproken op 17 februari 2010.