Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBZLY:2010:BL6834

Instantie
Rechtbank Zwolle-Lelystad
Datum uitspraak
01-02-2010
Datum publicatie
09-03-2010
Zaaknummer
166958 / JZ RK 10-46
Rechtsgebieden
Personen- en familierecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Ondertoezichtstelling vanwege geestelijk geweld.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK ZWOLLE-LELYSTAD

Sector civiel recht

Locatie Zwolle

zaak/rolnr.: 166958 / JZ RK 10-46

datum: 1 februari 2010

beschikking van de meervoudige familiekamer

In de zaak van

RAAD VOOR DE KINDERBESCHERMING,

gevestigd te Zwolle,

vertegenwoordigd door R. Verstegen,

hierna als de Raad aangeduid,

verzoeker,

met betrekking tot de minderjarigen:

1. [minderjarige 1], hierna als [minderjarige 1] aangeduid, geboren op [datum] 1993 in de gemeente [plaats];

2. [minderjarige 2], hierna als [minderjarige 2] aangeduid, geboren op [datum] 1995 in de gemeente [plaats],

kinderen van:

1. [moeder],

wonende te [plaats],

hierna als de moeder aangeduid,

2. [vader],

wonende te [plaats],

advocaat mr. L.E. Nijk,

hierna als de vader aangeduid,

belanghebbenden.

De moeder en de vader zijn belast met het gezag.

Het procesverloop

De Raad heeft op 20 januari 2010 onder bovenvermeld zaaknummer een verzoekschrift ingediend tot ondertoezichtstelling.

De kinderrechter heeft de behandeling van de zaak naar deze kamer verwezen.

De rechtbank heeft kennis genomen van:

- een AMK melding met bijlagen van 21 september 2009;

- een reactie van de moeder naar aanleiding van het conceptrapport van de Raad

van 13 januari 2010;

- een rapport van de Raad van 18 januari 2010;

- een brief van de advocaat van de vader met bijlagen van 29 januari 2010;

- een verklaring van de vader van 1 februari 2010.

De zaak is behandeld ter terechtzitting met gesloten deuren op 1 februari 2010.

Verschenen zijn:

- de moeder;

- de vader, bijgestaan door zijn advocaat;

- W.J. Steenbergen namens Bureau Jeugdzorg Overijssel, hierna als de gezinsvoogdijinstelling aangeduid;

- A. Uit den Bogaard en M.A.S. Roelofs namens de Raad.

[minderjarige 1] en [minderjarige 2] hebben gebruik gemaakt van de geboden gelegenheid te worden gehoord.

Vaststaande feiten

[minderjarige 1] en [minderjarige 2] verblijven bij de vader.

Beoordeling van de zaak

De Raad verzoekt [minderjarige 1] en [minderjarige 2] voor de duur van een jaar onder toezicht te stellen van de gezinsvoogdijinstelling.

Ter onderbouwing van zijn verzoek verwijst de Raad naar de overgelegde stukken. De Raad voert met name aan dat de ontwikkeling van [minderjarige 1] en [minderjarige 2] wordt bedreigd omdat zij zich in een opvoedingssituatie bevinden waarin zij geen ruimte krijgen om een eigen persoonlijke identiteit te ontwikkelen. Zij krijgen in het geheel geen ruimte van de vader eigen keuzes te maken.

Ook is er sprake van vervreemding van de moeder. Er is nauwelijks contact met haar en van uit hun omgeving krijgen [minderjarige 1] en [minderjarige 2] louter negatieve signalen, op grond waarvan zij hun beeld over de moeder moeten bepalen. Positieve signalen krijgen geen ruimte. Omdat zij loyaal zijn aan de vader, kunnen zij niet anders dan de moeder afwijzen. Een negatief moederbeeld zal voor hen op latere leeftijd complicerend werken op het gebied van het aangaan van partnerrelaties en op het moment dat zij eigen kinderen krijgen.

Verder blijkt uit niets dat [minderjarige 1] behandeling krijgt voor haar eczeem. De Raad voert tenslotte aan dat hulpverlening noodzakelijk is en dat deze hulpverlening in een vrijwillig kader niet te verwachten valt.

De moeder schaart zich achter de stellingen van de Raad. Zij heeft haar zorgen over het zeer gesloten gezinssysteem geuit. Zij voert nog aan dat [minderjarige 1] en [minderjarige 2] slechts dan goed kunnen worden geholpen indien zij uit dit systeem worden gehaald.

De vader betwist de stellingen van de Raad. Hij voert aan dat het goed gaat met [minderjarige 1] en [minderjarige 2]. Hij hanteert wel een consequente opvoedingsstijl. [minderjarige 1] en [minderjarige 2] hebben echter wel voldoende mogelijkheden hun eigen identiteit te ontwikkelen. Hij respecteert hun keuze om geen contact met hun moeder te willen hebben. Het ontbreken van contact met de moeder mag voorts niet de enige basis zijn voor een ondertoezichtstelling. De vader wijst er tenslotte nog op dat het eczeem van [minderjarige 1] met goed gevolg wordt behandeld met een verzachtende zalf.

De rechtbank overweegt als volgt:

Ouders zijn primair verantwoordelijk voor de verzorging en opvoeding van hun kinderen. Zij hebben daarbij in beginsel een grote mate van vrijheid. Dit belangrijke recht van ouders wordt ondermeer beschermd door artikel 8 van het Verdrag tot bescherming van de Rechten van de Mens en de fundamentele vrijheid. Het past de overheid niet om in de wijze van verzorging en opvoeding door ouders te treden.

Naast de vrijheid van ouders hun kinderen naar eigen inzicht te verzorgen en op te voeden staat evenwel de plicht van de overheid om kinderen te beschermen tegen aantasting van hun lichamelijke en geestelijke integriteit waaronder kindermishandeling. Zo bepaalt artikel 19 van het Verdrag inzake de Rechten van het Kind (IVRK) dat de overheid alle passende maatregelen neemt om het kind te beschermen.

Artikel 5 van het IVRK bepaalt als uitgangspunt dat ouders hun kinderen leiden en begeleiden bij de uitoefening door het kind van de in het IVRK erkende rechten ,waarbij zij rekening dienen te houden met de zich ontwikkelende vermogens van die kinderen.

Artikel 1:247 van het Burgerlijk Wetboek (BW) geeft aan hoe gezaghebbende ouders aan hun gezag invulling dienen te geven. Deze bepaling luidt voor zover van belang:

“1. Het ouderlijk gezag omvat de plicht en het recht van de ouder zijn minderjarig kind te verzorgen en op te voeden.

2. Onder verzorging en opvoeding worden mede verstaan de zorg en de verantwoordelijkheid voor het geestelijk en lichamelijk welzijn en de veiligheid van het kind alsmede het bevorderen van de ontwikkeling van zijn persoonlijkheid. In de verzorging en opvoeding van het kind passen de ouders geen geestelijk of lichamelijk geweld of enige andere vernederende behandeling toe.

3. Het ouderlijk gezag omvat mede de verplichting van de ouder om de ontwikkeling van de banden van zijn kind met de andere ouder te bevorderen.”

Aan de hand van het in artikel 1:254, eerste lid, BW, neergelegde criterium wordt bepaald of ten aanzien van minderjarige kinderen een beschermingsmaatregel op zijn plaats is.

Artikel 1:254, eerste lid, BW, luidt als volgt:

“Indien een minderjarige zodanig opgroeit, dat zijn zedelijke of geestelijke belangen of zijn gezondheid ernstig worden bedreigd, en andere middelen ter afwending van deze bedreiging hebben gefaald of, naar is te voorzien, zullen falen, kan de kinderrechter hem onder toezicht stellen van een stichting als bedoeld in artikel 1, onder f, van de Wet op de jeugdzorg (in deze beschikking als gezinsvoogdijinstelling aangeduid).”

De rechtbank mag als zodanig niet beoordelen of een bepaalde verzorgings- en opvoedingsstijl meer of minder wenselijk of gebruikelijk is. De rechtbank dient thans wel de verzorgings- en opvoedingsstijl van de vader, mede gelet op de gezinssituatie, aan dat criterium te toetsen en op die wijze na te gaan of de ontwikkeling van [minderjarige 1] en [minderjarige 2] ernstig wordt bedreigd.

De vader, die reeds 6 jaar gescheiden is, woont met 5 kinderen, waarvan [minderjarige 1] en [minderjarige 2] de jongsten en thans nog minderjarig zijn, in het buitengebied. Hij hanteert een strenge verzorgings- en opvoedingsstijl, waarbij de muzikale vorming centraal staat. Het zijn begaafde kinderen.

Ouders dienen rekening te houden met de toenemende mondigheid van kinderen en met hun behoefte zich naar eigen inzicht te ontwikkelen tot een persoonlijkheid. Deze toenemende mondigheid vereist, mede gelet op de leeftijd van [minderjarige 1] (16 jaar) en [minderjarige 2] (bijna 15 jaar), een toenemende keuzevrijheid voor hen. De vader houdt hun een toekomst in de muziek voor waarvan hij denkt dat die voor hen het meest passend is, waarbij hij bepaalt wat ze moeten doen en laten. De vader wil [minderjarige 1] en [minderjarige 2] beschermen tegen fouten en tegen naar zijn opvatting ongewenste beïnvloeding van buitenaf. Hij ziet daarbij niet in dat hij hun groei naar volwassenheid daarmee ondermijnt. Pas als ze 18 jaar zijn, mogen zij zelf kiezen, aldus de vader. De vader ziet niet in dat zij te weinig ruimte hebben om hun eigen keuzes te maken. Daardoor komen zij naar het oordeel van de rechtbank niet toe aan het ontwikkelen van een eigen persoonlijkheid.

De vader is niet in staat zijn eigen handelen kritisch onder ogen te zien dan wel zich in anderen die kritische opmerkingen over zijn verzorgings- en opvoedingsstijl maken, te verplaatsen. Een verklaring van een zangpedagoog, die zich bij de stukken bevindt, wordt zondermeer terzijde geschoven, nu die verklaring niet strookt met zijn eigen opvattingen. Het ontbreken van toestemming van school om van verlof afwezig te mogen zijn in verband met een muziekoptreden, wordt zonder meer gepasseerd. Uit het antwoord van de vader op een daartoe strekkende vraag tijdens de zitting of hij zich zorgen maakt over de ontwikkeling van [minderjarige 1] en [minderjarige 2] zoals kennelijk anderen wel doen, blijkt dat hij zich dat niet kan voorstellen.

Het contact tussen de moeder en [minderjarige 1] en [minderjarige 2] is de afgelopen jaren steeds minder geworden. Op dit moment is ieder contact verbroken. [minderjarige 1] en [minderjarige 2] zitten overduidelijk in een loyaliteitsspagaat en kunnen slechts overeind blijven door -onbewust- de zijde van de vader te kiezen. Uit de stukken en tijdens de zitting is gebleken dat deze gedwongen keuze leidt tot spanningen bij het contact met de moeder. Het kan naar het oordeel van de rechtbank niet anders zijn dan dat deze vervreemding van [minderjarige 1] en [minderjarige 2] van hun moeder voor hen schadelijk is.

Het is naar het oordeel van de rechtbank verontrustend dat er geen medische zorg voorhanden is voor [minderjarige 1] en [minderjarige 2]. Tijdens de zitting heeft de vader bevestigd dat zij niet zijn aangemeld bij een huisarts omdat hij dat niet nodig vindt. Het is daarom ook niet duidelijk of het eczeem van [minderjarige 1] op medisch juiste wijze wordt behandeld.

Het is de medewerkster van het Advies & Meldpunt Kindermishandeling en de raadsonderzoekster niet gelukt in het aan dit verzoek van de Raad tot ondertoezichtstelling voorafgaande traject met [minderjarige 1] en [minderjarige 2] zonder aanwezigheid van derden in gesprek te komen.

De reactie die de vader hierop tijdens de zitting heeft gegeven, inhoudende dat hij had voorgesteld dat de vragen zouden worden opgesteld alvorens het gesprek zou plaatsvinden en dat hij daar niets meer op heeft gehoord, overtuigt niet. De zienswijze van de vader wordt door de Raad betwist. Zo deze al juist zou zijn, lag het op de weg van de vader om initiatief te nemen voor een dergelijk geënsceneerd gesprek. Dat de vader aan [minderjarige 1] en [minderjarige 2] geen toestemming heeft gegeven is naar het oordeel van de rechtbank symptomatisch voor het gesloten gezinssysteem waarin zij zich bevinden. De rechtbank acht het noodzakelijk dat een raadsonderzoekster in een persoonlijk gesprek met [minderjarige 1] en [minderjarige 2] kon nagaan of een zeer dwingende en sterk op het gezinssysteem geconcentreerde verzorgings- en opvoedingsstijl bedreigend is voor de ontwikkeling van [minderjarige 1] en [minderjarige 2]. Naar het oordeel van de rechtbank is het afhouden van de vader van contact tussen [minderjarige 1] en [minderjarige 2] enerzijds en de raadsonderzoekster anderzijds, gegeven het feit dat er twijfels bestaan over de kwaliteit van de verzorgings- en opvoedingsstijl van de vader, al een sterke aanwijzing dat er sprake is van een onveilige gezinssituatie voor [minderjarige 1] en [minderjarige 2].

Op grond van bovenstaande feiten en omstandigheden, zeker in onderling samenhang bezien, en hetgeen tijdens de zitting over en weer naar voren is gebracht komt de rechtbank tot de slotsom dat [minderjarige 1] en [minderjarige 2] zodanig opgroeien dat hun zedelijke of geestelijke belangen of hun gezondheid ernstig worden bedreigd en dat andere maatregelen in een vrijwillig kader ter afwending van deze bedreiging hebben gefaald of naar is te voorzien, zullen falen. Het verzoek ten aanzien van de ondertoezichtstelling zal worden toegewezen.

Beslissing

De rechtbank:

Stelt [minderjarige 1] en [minderjarige 2] voornoemd onder toezicht met ingang van 1 februari 2010 tot

1 februari 2011.

Benoemt BUREAU JEUGDZORG OVERIJSSEL tot gezinsvoogdijinstelling.

Verklaart deze beschikking uitvoerbaar bij voorraad.

Aldus gegeven door mr. W. Miltenburg, mr. A. Smedes en mr. K. van Leeuwen, rechters, tevens kinderrechters, in tegenwoordigheid van de griffier en uitgesproken ter openbare terechtzitting van 1 februari 2010.

Hoger beroep

Mocht u, verzoeker of belanghebbende, zich niet met de beslissing van de rechtbank kunnen verenigen, dan kunt u daartegen hoger beroep instellen bij het gerechtshof te Leeuwarden, als nevenzittingsplaats van het gerechtshof te Arnhem. Hoger beroep dient binnen een bepaalde termijn te worden ingesteld, tenzij een ander dat al heeft gedaan. Die termijn is voor verzoeker en voor de belanghebbende, aan wie een afschrift van deze beschikking is verstrekt of verzonden, drie maanden na de datum van de uitspraak.

Voor het instellen van hoger beroep is tussenkomst van een procureur/advocaat verplicht.