Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBZLY:2010:BL4504

Instantie
Rechtbank Zwolle-Lelystad
Datum uitspraak
19-02-2010
Datum publicatie
19-02-2010
Zaaknummer
Awb 09/1249
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Verzoek bestuurlijk rechtsoordeel over de vraag of een bedrijf al dan niet past binnen de voorschriften van een bestemmingsplan. Bezwaar is terecht niet-ontvankelijk verklaard. Een dergelijk bestuurlijk rechtsoordeel roept op zichzelf geen rechtsgevolg in het leven en houdt dus geen rechtshandeling in. Daarom is zo’n bestuurlijk rechtsoordeel in de regel geen besluit in de zin van artikel 1:3, eerste lid, van de Awb. In uitzonderingssituaties moet echter een bestuurlijk rechtsoordeel, ondanks het ontbreken van rechtsgevolg, als een besluit worden aangemerkt. Het enkele feit dat eisers bij de indiening van een bouwaanvraag kosten moeten maken, bijvoorbeeld voor een architect in verband met het maken van tekeningen, brengt naar het oordeel van de rechtbank niet mee dat het indienen van een dergelijke aanvraag onredelijk bezwarend is. Ook overigens is niet gebleken van feiten en omstandigheden, die meebrengen dat het indienen van een bouwaanvraag voor eisers onredelijk bezwarend is.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK ZWOLLE-LELYSTAD

Sector Bestuursrecht, Enkelvoudige Kamer

Registratienummer: Awb 09/1249

Uitspraak

in het geding tussen:

A en B,

wonende te Mariënberg, eisers,

gemachtigde: mr. S. Maakal,

en

het college van burgemeester en wethouders van Hardenberg,

verweerder.

1. Procesverloop

Bij brief van 28 maart 2008 hebben eisers verweerder verzocht een standpunt in de vorm van een bestuurlijk rechtsoordeel in te nemen met betrekking tot de vraag of een wellness- en squashclub past binnen de voorschriften van het bestemmingsplan “Bedrijvenpark Mercator” te Dedemsvaart en of verweerder, indien vrijstelling van de planvoorschriften nodig zou zijn, bereid is deze vrijstelling te verlenen.

Verweerder heeft eisers bij brief van 22 april 2008 bericht dat geen vrijstelling kan worden verleend voor het door eisers beoogde bedrijf op het bedrijvenpark Mercator.

Eisers hebben hiertegen bij brief van 30 mei 2008 bezwaar gemaakt.

Bij besluit van 9 juni 2009 (hierna ook: het bestreden besluit) heeft verweerder het bezwaar van eisers gegrond verklaard, het besluit van 22 april 2008 herroepen en een nieuwe beslissing op het verzoek van 28 maart 2008 genomen.

Eisers hebben bij brief van 21 juli 2009 beroep ingesteld tegen het bestreden besluit.

Verweerder heeft op 27 oktober 2009 een verweerschrift ingediend, waarin met toepassing van artikel 6:18 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) het bestreden besluit is gewijzigd in die zin dat het bezwaar niet-ontvankelijk wordt verklaard.

Het beroep is op 13 januari 2010 ter zitting behandeld. Namens eisers is de gemachtigde verschenen.

Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door de heer D. Doornweerd.

2. Overwegingen

2.1 Verweerder heeft in het verweerschrift, met toepassing van artikel 6:18 van de Awb, het bestreden besluit gewijzigd in die zin dat het bezwaar tegen de brief van 22 april 2008 niet-ontvankelijk wordt verklaard.

2.2 Ter zitting is namens eisers gesteld dat, nu verweerder op 9 juni 2009 op het bezwaar heeft beslist en dat bezwaar ontvankelijk en gegrond heeft geacht, het verweerder in beroep niet meer vrijstond met toepassing van artikel 6:18 van de Awb een nieuw besluit op het bezwaar te nemen. Van een los van het bezwaar of beroep reeds bestaande bevoegdheid tot wijziging van het besluit is immers geen sprake, aldus eisers.

Dit betoog faalt. In beginsel moet een bestuursorgaan bevoegd worden geacht een eerder genomen besluit dat naar zijn opvatting onjuist is alsnog in te trekken of te wijzigen. De rechtbank is niet gebleken dat verweerder in dit geval van die bevoegdheid in redelijkheid geen gebruik heeft kunnen maken. Daarbij is in aanmerking dat, zoals namens eisers terecht in het aanvullend beroepschrift is opgemerkt, verweerder in het bestreden besluit enerzijds stelt dat de brief van 22 april 2008 een besluit is en anderzijds stelt dat het in de brief van 22 april 2008 neergelegde bestuurlijk rechtsoordeel niet op rechtsgevolg is gericht zodat geen sprake is van een besluit, hetgeen innerlijk tegenstrijdig is. Het gewijzigde besluit van 27 oktober 2009 strekt ertoe die inconsequentie te herstellen.

2.3 Niet gebleken is dat eisers nog belang hebben bij een inhoudelijke beoordeling van het besluit van 9 juni 2009. Voor zover het beroep is gericht tegen dit besluit, wordt het niet ontvankelijk verklaard.

2.4 Gelet op het bepaalde in artikel 6:19 van de Awb wordt het beroep geacht mede te zijn gericht tegen het op 27 oktober 2009 genomen besluit. Bij dat besluit heeft verweerder het bezwaar tegen de brief van 22 april 2008 niet-ontvankelijk verklaard, omdat die brief geen besluit is in de zin van artikel 1:3, eerste lid, van de Awb.

2.5 Ten aanzien van het besluit van 27 oktober 2009 oordeelt de rechtbank als volgt.

De brief van 22 april 2008 houdt een reactie in op het verzoek van eisers van 28 maart 2008 om in de vorm van een bestuurlijk rechtsoordeel een standpunt in te nemen over de vraag of een bedrijf zoals eisers dat voor ogen staat al dan niet past binnen de voorschriften van het ter plaatse geldende bestemmingsplan. Voorts is gevraagd of, indien vrijstelling van de voorschriften van het bestemmingsplan nodig is, verweerder bereid is die te verlenen en zo ja, welke voorwaarden daarbij gelden.

De brief van 22 april 2008 bevat de visie van verweerder op de gevolgen van de geldende rechtsregels voor een bepaalde situatie. Een dergelijk bestuurlijk rechtsoordeel roept op zichzelf geen rechtsgevolg in het leven en houdt dus geen rechtshandeling in. Daarom is zo’n bestuurlijk rechtsoordeel in de regel geen besluit in de zin van artikel 1:3, eerste lid, van de Awb. In uitzonderingssituaties moet echter een bestuurlijk rechtsoordeel, ondanks het ontbreken van rechtsgevolg, als een besluit worden aangemerkt. Daarvoor is in ieder geval vereist dat het voor de betrokkenen onevenredig bezwarend is om het geschil over de interpretatie van rechtsregels via een beroepsprocedure over een daadwerkelijk besluit bij de bestuursrechter aan de orde te stellen (vgl. Afdeling bestuursrechtspraak Raad van State 8 juli 2009, LJN: BJ1862).

Eisers stellen dat het indienen van een bouwaanvraag, gecombineerd met een vrijstellingsverzoek, in verband met de daaraan verbonden kosten voor hen als startende ondernemers onredelijk bezwarend is. Met name hebben eisers verwezen naar de kosten van een architect in verband met het maken van constructieve tekeningen. Voorts stellen eisers dat via de weg van het indienen van een bouwaanvraag niet binnen redelijke termijn zekerheid kan worden verkregen over de gewenste vestigingsmogelijkheid.

Het enkele feit dat eisers bij de indiening van een bouwaanvraag kosten moeten maken, bijvoorbeeld voor een architect in verband met het maken van tekeningen, brengt naar het oordeel van de rechtbank niet mee dat het indienen van een dergelijke aanvraag onredelijk bezwarend is. Het risico dat kosten worden gemaakt, terwijl niet vaststaat dat de bouwaanvraag zal worden ingewilligd, geldt voor een ieder die een dergelijke aanvraag indient.

Voorts valt, gelet op de in de Woningwet neergelegde beslistermijnen die gelden bij een bouwaanvraag, niet in te zien dat eisers niet binnen redelijke termijn zekerheid kunnen verkregen over het te realiseren bouwplan.

Ook overigens is niet gebleken van feiten en omstandigheden, die meebrengen dat het indienen van een bouwaanvraag voor eisers onredelijk bezwarend is.

2.6 Gelet op hetgeen hiervoor is overwogen heeft verweerder zich in het besluit van 27 oktober 2009 terecht op het standpunt gesteld dat het bezwaar tegen de brief van 22 april 2008 niet-ontvankelijk is, omdat die brief niet kan worden aangemerkt als een besluit in de zin van artikel 1:3, eerste lid, van de Awb.

Het beroep, voor zover gericht tegen het besluit van 27 oktober 2009, is derhalve ongegrond.

2.7 De rechtbank ziet aanleiding verweerder met toepassing van het Besluit proceskosten bestuursrecht te veroordelen in de door eisers gemaakte kosten in verband met het instellen van beroep. Tevens bestaat aanleiding te bepalen dat verweerder aan eisers het door hen betaalde griffierecht vergoedt.

3. Beslissing

De rechtbank:

- verklaart het beroep, voor zover gericht tegen het besluit van 9 juni 2009, niet ontvankelijk;

- verklaart het beroep, voor zover gericht tegen het besluit van 27 oktober 2009, ongegrond;

- bepaalt dat verweerder aan eisers het door hen betaalde griffierecht ten bedrage van € 150,-- vergoedt;

- veroordeelt verweerder in de proceskosten van het geding ten bedrage van € 644,--, te voldoen aan eisers.

Deze uitspraak is gedaan door mr. G.P. Loman en in het openbaar uitgesproken in tegenwoordigheid van Y. van der Zaan-van Arnhem als griffier, op

Afschrift verzonden op: