Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBZLY:2010:BL4063

Instantie
Rechtbank Zwolle-Lelystad
Datum uitspraak
16-02-2010
Datum publicatie
16-02-2010
Zaaknummer
07.400122-08
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

De rechtbank veroordeelt 41-jarige man (verdachte C) tot een gevangenisstraf van 6 dagen en een werkstraf van 240 uren wegens onder meer het medeplegen van valsheid in geschrifte en dat door anderen te laten gebruiken om op een illegale manier een baby uit Sri Lanka te adopteren. Zie ook uitspraken LJN BL4061 en BL4062 voor de medeverdachten.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK ZWOLLE - LELYSTAD

Sector Strafrecht - Meervoudige Strafkamer

Parketnr.: 07.400122-08

Uitspraak: 16 februari 2010

Vonnis in de zaak van:

het openbaar ministerie

tegen

[verdachte C],

geboren op [1968, plaats],

wonende te [adres].

Het onderzoek ter terechtzitting heeft plaatsgevonden op 2 februari 2010. De verdachte is verschenen, bijgestaan door mr. C.S.P.M. de Kock, advocaat te Zwolle.

De officier van justitie, mr. A.E. Postma, heeft ter terechtzitting gevorderd de veroordeling van verdachte voor het ten laste gelegde tot:

• een gevangenisstraf van 6 dagen, met aftrek van het voorarrest en

• een werkstraf voor de duur van 240 uur, bij niet verrichten te vervangen door 120 dagen hechtenis.

TENLASTELEGGING

De verdachte is ten laste gelegd dat:

hij op één of meer tijdstippen in of omstreeks de periode van 1 november 2007 tot en met 15 januari 2008 te Hoogeveen, althans in Nederland en/of in Sri Lanka, tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen, meermalen, althans eenmaal, (telkens) meerdere, althans één brief/brieven van het Directoraat-Generaal Preventie, Jeugd en Sancties van de Directie Justitieel Jeugdbeleid van het Ministerie van Justitie, - (elk) zijnde een geschrift dat bestemd was om tot bewijs van enig feit te dienen – valselijk heeft/hebben opgemaakt of vervalst, immers heeft/hebben verdachte en/of één of meer van zijn mededader(s) (telkens) valselijk:

- het briefhoofd en/of de adresgegevens en/of het logo van het Directoraat-Generaal Preventie Jeugd en Sancties van de Directie Justitieel Jeugdbeleid van het Ministerie van Justitie en/of de naam van de heer [naam A] gebruikt en/of gekopieerd en/of overgenomen en/of

- (vervolgens) diverse alinea's tekst (in de Engelse taal) getypt en/of ingevoegd in die brief/brieven en/of document(en) met daarin – zakelijk weergegeven - de tekst(en) dat:

* de heer [naam A] (van het Directoraat-Generaal Preventie, Jeugd en Sancties van de Directie Justitieel Jeugdbeleid van het Ministerie van Justitie), namens de Minister van Justitie, aan [naam B] (van the Commissioner of Probation & Child Care Services te Sri Lanka) toestemming geeft voor de adoptie van het kind [naam kind] door het Nederlandse koppel/echtpaar en dat de/het "home study"/onderzoek door de Raad voor de Kinderbescherming bij terugkomst in Nederland kan plaatsvinden. (brief gedateerd 19 december 2007) en/of

* de heer [naam A] (van het Directoraat-Generaal Preventie, Jeugd en Sancties van de Directie Justitieel Jeugdbeleid van het Ministerie van Justitie), namens de Minister van Justitie, aan de heer [naam B] (van the Commissioner of Probation & Child Care Services te Sri Lanka) meldt dat het "home study report"/onderzoek door de Raad voor de Kinderbescherming is gecontroleerd/afgerond en/of dat toestemming wordt gegeven om dit rapport te gebruiken en/of dat de adoptie van het kind [naam kind] door het Nederlandse

koppel/echtpaar kan plaatsvinden (brief d.d. 4 januari 2008) en/of

- (vervolgens) - valselijk - de handtekening van die [naam A] nagemaakt en/of onder de brief/brieven gezet/aangebracht, zulks (telkens) met het oogmerk om die/dat geschrift(en) als echt en onvervalst te gebruiken of door anderen te doen gebruiken;

art 225 lid 1 Wetboek van Strafrecht

BEWIJS

De verdediging heeft betoogd dat verdachte van het ten laste gelegde vervalsen van de brief d.d. 4 januari 2008 van het Directoraat-Generaal Preventie Jeugd en Sancties van de Directie Justitieel Jeugdbeleid van het Ministerie van Justitie dient te worden vrijgesproken, omdat er onvoldoende wettig en overtuigend bewijs zou zijn terzake. Verdachte stelt de brief d.d. 4 januari 2008 niet eigenhandig te hebben vervalst en hieromtrent ook geen wetenschap te hebben gehad.

Anders dan de verdediging is de rechtbank van oordeel dat verdachte betrokken is bij de totstandkoming van twee valse brieven van het Directoraat-Generaal Preventie Jeugd en Sancties van de Directie Justitieel Jeugdbeleid van het Ministerie van Justitie, waaronder de naam en handtekening van [naam A] staan. Dit betreft zowel de brief van 19 december 2007 als de brief van 4 januari 2008.

De rechtbank leidt dit af uit de volgende omstandigheden.

Verdachte heeft zijn betrokkenheid bij de totstandkoming van de brief d.d. 19 december 2007 bekend en verder heeft medeverdachte [verdachte B] (hierna [verdachte B]) verklaard over het aandeel van verdachte bij de totstandkoming van dat document.

Voor wat betreft verdachtes betrokkenheid bij de totstandkoming van de brief van 4 januari 2008 acht de rechtbank het volgende van belang.

Uit de aangifte van [naam A] is gebleken dat valse brieven van het Directoraat-Generaal Preventie Jeugd en Sancties van de Directie Justitieel Jeugdbeleid van het Ministerie van Justitie d.d. 19 december 2007 en d.d. 4 januari 2008 zijn geadresseerd aan de heer [naam B], the Commissioner of Probation & Child Care Services te Sri Lanka, en ook bij voornoemde persoon en instelling zijn aangekomen.

Gebleken is dat de brief d.d. 19 december 2007 als bijlage is verzonden bij een emailbericht afkomstig van het emailadres [e-mailadres naam A].

Dit e-mailadres is blijkens het proces-verbaal van de digitaal rechercheur [verbalisant] van 3 november 2008 uitsluitend aangetroffen op de zich in Nederland bevindende laptop van medeverdachte [verdachte A] (hierna [verdachte A]). Op die computer is de inhoud van een welkomstbericht van 18 december 2007 van Gmail aangetroffen. Blijkens dat proces-verbaal is dat een aanwijzing dat een emailbericht van de Gmailaccount met de naam [naam A] op deze laptop computer geopend is geweest. [verdachte A] bevond zich op dat moment in Sri Lanka.

Uit de bevindingen van de digitaal rechercheur [verbalisant], zoals gerelateerd in het hiervoor genoemde proces-verbaal van onderzoek computers, blijkt dat vanaf de laptop van [verdachte A] het emailaccount [e-mailadres naam A] ook op 4 januari 2008 geopend is geweest. Ook toen bevond [verdachte A] zich in Sri Lanka. Verdachte heeft weliswaar gesteld dat hij de laptop van [verdachte A] toen niet (meer) in zijn bezit had maar de rechtbank acht die ontkenning niet overtuigend. Hierbij is van belang dat de getuige [getuige D] heeft verklaard dat verdachte de laptop van [verdachte A] in zijn bezit had gedurende de periode dat [verdachte A] in Sri Lanka verbleef en dat de laptop pas eind januari 2008/ begin februari 2008 naar de woning van [verdachte A] is teruggebracht. [getuige D] is in die verklaring specifiek over het moment van terugbezorgen en de rechtbank ziet daarin grond die verklaring voldoende betrouwbaar te achten. Daarbij komt nog dat uit het digitaal onderzoek tevens is gebleken dat op 4 januari 2008 ge-internet is met behulp van een USB stick van het merk Sandisk. Een USB stick met exact dezelfde hardwarekenmerken was, blijkens dat digitaal onderzoek, eerder aangesloten geweest op de computer toebehorende aan verdachte. Vanaf deze USB stick werden op 4 januari 2008 ook bestanden geopend met de bestandsnaam Home Study Report JH.

Door de verdediging is de stelling opgeworpen dat het feit dat dezelfde hardwarekenmerken van een USB-stick op meer computers zijn aangetroffen, niet hoeft te betekenen dat sprake is geweest van een en dezelfde USB-stick. De raadsman heeft zich hierbij beroepen op niet nader aangeduide gegevens die hij via Google heeft verkregen. De rechtbank is evenwel van oordeel dat dit standpunt daarmee onvoldoende onderbouwd is en hecht meer waarde aan het door een terzake deskundig digitaal rechercheur op ambtseed opgemaakt proces-verbaal waarin valt te lezen dat met behulp van deze hardwarekenmerken een memorystick kan worden geïdentificeerd.

Verder acht de rechtbank van belang dat [verdachte B] bij zijn verhoor op 4 juni 2008 heeft verklaard dat verdachte de tweede brief, met datum 4 januari 2008, op verzoek van [verdachte A] heeft gemaakt, waarbij hem is aangegeven dat er in de brief o.a. moest worden vermeld dat een Home Study Report naderhand kon worden gemaakt. [verdachte B] heeft onder meer verklaard dat verdachte daarop een brief heeft opgesteld en deze aan hem en [verdachte A] heeft verstuurd via de mail. Deze verklaring van [verdachte B] wordt ondersteund door hetgeen uit het hiervoor genoemde digitale onderzoek van de computers naar voren is gekomen.

Gelet op deze feiten en omstandigheden acht de rechtbank wettig en overtuigend bewezen dat de valse brieven van het Directoraat-Generaal Preventie Jeugd en Sancties van de Directie Justitieel Jeugdbeleid van het Ministerie van Justitie, met naam en handtekening van de heer [naam A], d.d. 19 december 2007 en 4 januari 2008 door een bewuste en nauwe samenwerking tussen verdachte en zijn mededaders tot stand zijn gekomen.

De rechtbank acht derhalve wettig en overtuigend bewezen hetgeen de verdachte ten laste is gelegd, met dien verstande dat:

hij op tijdstippen in de periode van 1 november 2007 tot en met 15 januari 2008 te Hoogeveen, althans in Nederland, tezamen en in vereniging met anderen, meermalen brieven van het Directoraat-Generaal Preventie, Jeugd en Sancties van de Directie Justitieel Jeugdbeleid van het Ministerie van Justitie, - zijnde een geschrift dat bestemd was om tot bewijs van enig feit te dienen – valselijk hebben opgemaakt of vervalst, immers heeft verdachte en één of meer van zijn mededader(s) (telkens) valselijk:

- het briefhoofd en de adresgegevens en het logo van het Directoraat-Generaal Preventie Jeugd en Sancties van de Directie Justitieel Jeugdbeleid van het Ministerie van Justitie en de naam van de heer [naam A] gebruikt en/of gekopieerd en/of overgenomen en

- diverse alinea's tekst (in de Engelse taal) getypt en ingevoegd in die brieven met daarin – zakelijk weergegeven - de teksten dat:

* de heer [naam A] (van het Directoraat-Generaal Preventie, Jeugd en Sancties van de Directie Justitieel Jeugdbeleid van het Ministerie van Justitie), namens de Minister van Justitie, aan de heer [naam B] (van the Commissioner of Probation & Child Care Services te Sri Lanka) toestemming geeft voor de adoptie van het kind [naam kind] door het Nederlandse koppel/echtpaar en dat het "home study"/onderzoek door de Raad voor de

Kinderbescherming bij terugkomst in Nederland kan plaatsvinden. (brief gedateerd 19 december 2007) en

* de heer [naam A] (van het Directoraat-Generaal Preventie, Jeugd en Sancties van de Directie Justitieel Jeugdbeleid van het Ministerie van Justitie), namens de Minister van Justitie, aan de heer [naam B] (van the Commissioner of Probation & Child Care Services te Sri Lanka) meldt dat het "home study report"/onderzoek door de Raad voor de Kinderbescherming is gecontroleerd/afgerond en dat toestemming wordt gegeven om dit rapport te gebruiken en dat de adoptie van het kind [naam kind] door het Nederlandse

koppel/echtpaar kan plaatsvinden (brief d.d. 4 januari 2008) en

- (valselijk) de handtekening van die [naam A] nagemaakt en onder de brieven gezet/aangebracht, zulks (telkens) met het oogmerk om die geschriften als echt en onvervalst te gebruiken of door anderen te doen gebruiken.

Van het meer of anders ten laste gelegde zal de verdachte worden vrijgesproken, aangezien de rechtbank dat niet wettig en overtuigend bewezen acht.

STRAFBAARHEID

Het bewezene levert op:

Medeplegen van valsheid in geschrift, meermalen gepleegd strafbaar gesteld bij artikel 225, eerste lid van het Wetboek van Strafrecht juncto artikel 47 van het Wetboek van Strafrecht.

De verdachte is strafbaar, nu geen feiten of omstandigheden gebleken zijn die die strafbaarheid zouden opheffen of uitsluiten.

OPLEGGING VAN STRAF OF MAATREGEL

De rechtbank overweegt ten aanzien van de op te leggen straf het navolgende:

Uit het dossier komt het beeld naar voren dat [verdachte A] de drijvende kracht is geweest achter de pogingen om baby [naam kind] op een illegale manier te adopteren, welke manier van handelen het welzijn van baby [naam kind] in gevaar heeft gebracht. Verdachte heeft zich niet van dit handelen gedistantieerd en dit valt hem aan te rekenen.

Door zijn handelen heeft verdachte het vertrouwen dat instanties in het maatschappelijk verkeer in de juistheid van bepaalde geschriften moeten kunnen stellen, geschonden. De rechtbank rekent verdachte zwaar aan dat hij onder andere door het vervalsen van het logo en het briefhoofd van het Directoraat-Generaal Preventie Jeugd en Sancties van de Directie Justitieel Jeugdbeleid van het Ministerie van Justitie een fundamenteel aandeel heeft geleverd aan het bewezenverklaarde, nu juist logo’s en briefhoofden kenmerken zijn waarop voornoemd vertrouwen van personen en instanties is gebaseerd.

Tevens zijn door het handelen van verdachte niet alleen de belangen van het Ministerie van Justitie en de heer [naam A] in diens functie ernstig geschonden, maar is ook het vertrouwen dat staten onderling moeten kunnen hebben in het functioneren van elkaars organen/diensten op het spel gezet. De rechtbank rekent het verdachte bovendien zwaar aan dat zijn handelwijze ook negatief van invloed kan zijn op anderen die met een officiële, meestal langdurige, adoptieprocedure bezig zijn.

Bij haar beslissing omtrent de op te leggen straf heeft de rechtbank verder rekening gehouden met:

- een voorlichtingsrapport Reclassering Nederland d.d. 18 september 2008 en

- de overige stukken van het de verdachte betreffende persoonsdossier.

De oplegging van straf of maatregel is, behalve op de reeds aangehaalde wettelijke voorschriften, gegrond op de artikelen 10, 22c, 22d, 27 en 57 van het Wetboek van Strafrecht.

BESLISSING

Het ten laste gelegde is bewezen zoals hiervoor aangegeven en levert de strafbare feiten op, zoals hiervoor vermeld. De verdachte is deswege strafbaar.

Het meer of anders ten laste gelegde is niet bewezen en de verdachte wordt daarvan vrijgesproken.

De rechtbank veroordeelt de verdachte tot een gevangenisstraf voor de duur van 6 dagen.

De tijd, door de verdachte vóór de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in verzekering en voorlopige hechtenis doorgebracht, zal bij de tenuitvoerlegging van de opgelegde gevangenisstraf in mindering worden gebracht.

De rechtbank legt aan verdachte op een taakstraf, te weten de werkstraf het verrichten van onbetaalde arbeid gedurende 240 uren.

De rechtbank beveelt dat voor het geval de veroordeelde de taakstraf niet of niet naar behoren verricht de taakstraf wordt vervangen door 120 dagen hechtenis, althans een aantal dagen hechtenis dat evenredig is aan het niet verrichte aantal uren taakstraf .

Aldus gewezen door mr. G.A. Versteeg, voorzitter, mrs. R.A.M. Elbers en S.M. Milani, rechters, in tegenwoordigheid van mr. M. van Nassau als griffier en uitgesproken ter openbare terechtzitting van 16 februari 2010.

Mr. Elbers voornoemd was buiten staat dit vonnis mede te ondertekenen.