Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBZLY:2010:BL4062

Instantie
Rechtbank Zwolle-Lelystad
Datum uitspraak
16-02-2010
Datum publicatie
16-02-2010
Zaaknummer
07.400120-08
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

De rechtbank veroordeelt 46-jarige man (verdachte B) tot een gevangenisstraf van 134 dagen, waarvan 90 voorwaardelijk, met een proeftijd van twee jaar en een werkstraf van 240 uren wegens onder meer het medeplegen van valsheid in geschrifte en dat te gebruiken om op een illegale manier een baby uit Sri Lanka te adopteren. Zie ook uitspraken LJN BL4061 en BL4063 voor de medeverdachten.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK ZWOLLE - LELYSTAD

Sector Strafrecht - Meervoudige Strafkamer

Parketnr.: 07.400120-08

Uitspraak: 16 februari 2010

Vonnis in de zaak van:

het openbaar ministerie

tegen

[verdachte B],

geboren op [1963, plaats],

wonende te [adres].

Het onderzoek ter terechtzitting heeft plaatsgevonden op 2 februari 2010. De verdachte is verschenen, bijgestaan door mr. V. Wolting, advocaat te Zwolle.

De officier van justitie, mr. A.E. Postma, heeft ter terechtzitting gevorderd de veroordeling van verdachte voor het onder 1 en 2 ten laste gelegde tot:

• een gevangenisstraf van 44 dagen, met aftrek van het voorarrest en

• een werkstraf voor de duur van 240 uur, bij niet verrichten te vervangen door 120 dagen hechtenis.

TENLASTELEGGING

De verdachte is ten laste gelegd dat:

1.

hij op één of meer tijdstippen in of omstreeks de periode van 1 november 2007 tot en met 15 januari 2008 te Hoogeveen, althans in Nederland en/of in Sri Lanka, tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen, meermalen, althans eenmaal, (telkens) meerdere, althans één brief/brieven van het Directoraat-Generaal Preventie, Jeugd en Sancties van de Directie Justitieel Jeugdbeleid van het Ministerie van Justitie, - (elk) zijnde een geschrift dat bestemd was om tot bewijs van enig feit te dienen – valselijk heeft/hebben opgemaakt of vervalst, immers heeft/hebben verdachte en/of één of meer van zijn mededader(s) (telkens) valselijk:

- het briefhoofd en/of de adresgegevens en/of het logo van het Directoraat-Generaal Preventie Jeugd en Sancties van de Directie Justitieel Jeugdbeleid van het Ministerie van Justitie en/of de naam van de heer [naam A] gebruikt en/of gekopieerd en/of overgenomen en/of

- (vervolgens) diverse alinea's tekst (in de Engelse taal) getypt en/of ingevoegd in die brief/brieven en/of document(en) met daarin – zakelijk weergegeven - de tekst(en) dat:

* de heer [naam A] (van het Directoraat-Generaal Preventie, Jeugd en Sancties van de Directie Justitieel Jeugdbeleid van het Ministerie van Justitie), namens de Minister van Justitie, aan de heer [naam B] (van the Commissioner of Probation & Child Care Services te Sri Lanka) toestemming geeft voor de adoptie van het kind [naam kind] door het Nederlandse koppel/echtpaar en dat de/het "home study"/onderzoek door de Raad voor de

Kinderbescherming bij terugkomst in Nederland kan plaatsvinden. (brief gedateerd 19 december 2007) en/of

* de heer [naam A] (van het Directoraat-Generaal Preventie, Jeugd en Sancties van de Directie Justitieel Jeugdbeleid van het Ministerie van Justitie), namens de Minister van Justitie, aan de heer [naam B] (van the Commissioner of Probation & Child Care Services te Sri Lanka) meldt dat het "home study report"/onderzoek door de Raad voor de Kinderbescherming is gecontroleerd/afgerond en/of dat toestemming wordt gegeven om dit rapport te gebruiken en/of dat de adoptie van het kind [naam kind] door het Nederlandse

koppel/echtpaar kan plaatsvinden (brief d.d. 4 januari 2008) en/of

- (vervolgens) - valselijk - de handtekening van die [naam A] nagemaakt en/of onder de brief/brieven gezet/aangebracht, zulks (telkens) met het oogmerk om die/dat geschrift(en) als echt en onvervalst te gebruiken of door anderen te doen gebruiken;

art 225 lid 1 Wetboek van Strafrecht

2.

hij op één of meer tijdstippen in of omstreeks de periode van 1 november 2007 tot en met 15 januari 2008 in Sri Lanka tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen, meermalen, althans eenmaal, toen aldaar (telkens) opzettelijk gebruik heeft gemaakt van (een) vals(e) of vervalst(e) brief/brieven van het Directoraat-Generaal Preventie, Jeugd en Sancties van de Directie Justitieel Jeugdbeleid van het Ministerie van Justitie, (elk) zijnde (een) geschrift(en) die/dat bestemd was/waren om tot bewijs van enig feit te dienen - als ware die/dat geschrift(en) (telkens) echt en onvervalst, bestaande dat gebruikmaken hierin dat hij, verdachte en/of één of meer van zijn mededader(s) deze brief/brieven heeft/hebben aangeboden en/of verstuurd aan de heer [naam B] en/of aan The Commissioner of Probation & Child Care Services teneinde de adoptie van het kind [naam kind] te bewerkstelligen en bestaande die valsheid of vervalsing hierin dat hij, verdachte, en/of één of meer van zijn mededader(s) toen, aldaar (telkens) valselijk:

- het briefhoofd en/of de adresgegevens en/of het logo van het Directoraat-Generaal Preventie Jeugd en Sancties van de Directie Justitieel Jeugdbeleid van het Ministerie van Justitie en/of de naam van de heer [naam A] heeft gebruikt en/of gekopieerd en/of overgenomen en/of

- (vervolgens) diverse alinea's tekst (in de Engelse taal) heeft getypt en/of ingevoegd in die brief/brieven en/of document(en) met daarin – zakelijk weergegeven - de tekst(en) dat:

* de heer [naam A] (van het Directoraat-Generaal Preventie, Jeugd en Sancties van de Directie Justitieel Jeugdbeleid van het Ministerie van Justitie), namens de Minister van Justitie, aan de heer [naam B] (van the Commissioner of Probation & Child Care Services te Sri Lanka) toestemming geeft voor de adoptie van het kind [naam kind] door het Nederlandse koppel/echtpaar en dat de/het "home study"/onderzoek door de Raad voor de

Kinderbescherming bij terugkomst in Nederland kan plaatsvinden. (brief gedateerd 19 december 2007) en/of

* de heer [naam A] (van het Directoraat-Generaal Preventie, Jeugd en Sancties van de Directie Justitieel Jeugdbeleid van het Ministerie van Justitie), namens de Minister van Justitie, aan de heer [naam B] (van the Commissioner of Probation & Child Care Services te Sri Lanka) meldt dat het "home study report"/onderzoek door de Raad voor de Kinderbescherming is gecontroleerd/afgerond en/of dat toestemming wordt gegeven om dit rapport te gebruiken en/of dat de adoptie van het kind [naam kind] door het Nederlandse

koppel/echtpaar kan plaatsvinden (brief d.d. 4 januari 2008) en/of

- (vervolgens) - valselijk - de handtekening van die [naam A]

heeft/hebben nagemaakt en/of onder de brief/brieven gezet/aangebracht;

art 225 lid 2 Wetboek van Strafrecht

BEWIJS

De verdediging heeft ten aanzien van het onder 1 ten laste gelegde betoogd dat verdachte niet wist dat het om twee brieven ging. Hij zou in de veronderstelling hebben verkeerd dat het slechts om één brief ging.

Met betrekking tot het onder 2 ten laste gelegde is aangevoerd dat verdachte van het verzenden van de brief/brieven niet op de hoogte is geweest, zodat hij om die reden van dit feit vrijgesproken dient te worden.

De rechtbank verwerpt beide verweren. Hierbij is het navolgende van belang.

Uit de aangifte van [naam A] is gebleken dat valse brieven van het Directoraat-Generaal Preventie Jeugd en Sancties van de Directie Justitieel Jeugdbeleid van het Ministerie van Justitie d.d. 19 december 2007 en d.d. 4 januari 2008, voorzien van zijn naam en handtekening, zijn geadresseerd aan de heer [naam B], the Commissioner of Probation & Child Care Services te Sri Lanka, en ook bij voornoemde persoon en instelling zijn aangekomen.

Verdachte heeft in zijn verhoren bij de politie zijn betrokkenheid bij het vervalsen van deze twee brieven bekend. Met name in zijn verhoor op 4 juni 2008 omstreeks 13:10 uur is hij dermate specifiek geweest in zijn verklaringen over deze afzonderlijke brieven en zijn eigen rol bij de totstandkoming van elk daarvan, dat de rechtbank voorbij gaat aan de stelling dat

- zoals door de verdediging is betoogd – verdachte in de veronderstelling verkeerde dat het om (slechts) één brief ging. Onder meer wordt verdachtes specifieke opmerking dat hij de tweede brief heeft gelezen op een internetcafé op de Malediven gesteund door de verklaring van getuige [getuige A] dat verdachte en medeverdachte [verdachte A] (hierna: [verdachte A]) rond Kerst 2007 twee weken naar de Malediven waren geweest. Ook volgt uit het in deze zaak verrichte computeronderzoek dat het om twee afzonderlijke brieven ging.

Dat verdachte niet wist dat de twee brieven daadwerkelijk zijn verzonden, kan de rechtbank niet volgen. Hierbij is van belang dat verdachte samen met [verdachte A] naar Sri Lanka is gegaan juist met het doel om baby [naam kind] te adopteren. Verdachte heeft verklaard dat hij met het oog op die adoptie zelfs een huwelijksakte heeft vervalst. Die adoptieprocedure is mislukt en verdachte en [verdachte A] zijn in verband daarmee in Sri Lanka in de gevangenis terecht gekomen. Na hun vrijlating zijn verdachte en [verdachte A] in Sri Lanka samen gebleven. Met name [verdachte A] is toen actie gaan ondernemen om via medeverdachte [verdachte C] (hierna: [verdachte C]) aan documenten te komen die de Sri Lankaanse autoriteiten moesten overtuigen dat zij [naam kind] konden adopteren. Verdachte is van de contacten tussen [verdachte A] en [verdachte C] op de hoogte geweest en heeft zich, zoals hiervoor al is overwogen, actief bemoeid met de inhoud van de op deze wijze tot stand gekomen zijnde valse brieven. Verder blijkt uit de verklaring van getuige [naam B] dat verdachte en [verdachte A] drie à vier maal bij hem zijn geweest, dat met name [verdachte A] zich dwingend opstelde in die gesprekken maar dat verdachte daar steeds bij was en dat ook hij zich in de gesprekken mengde.

Kortom: verdachte kende de zeer sterke adoptiewens van [verdachte A], is om die reden met haar meegegaan naar Sri Lanka, is daar bij haar gebleven, was van de gang van zaken steeds op de hoogte en wist met welk doel de brieven werden opgemaakt. Dat verdachte als (pseudo)adoptiepartner van [verdachte A] niet ook het oogmerk op het gebruik van de – mede door zijn inspanningen tot stand gekomen - brieven zou hebben gehad en niet op de hoogte is geweest van de verzending van de brieven, acht de rechtbank dan ook niet geloofwaardig. Dit geldt te meer nu verdachte in zijn verhoor op 4 juni 2008 in elk geval over de verzending van de eerste brief heeft verteld dat dit heeft plaatsgevonden door [verdachte C] via een onbeveiligd netwerk in de [nieuw]bouw van Hoogeveen. In het in deze zaak uitgevoerde computeronderzoek is steun te vinden voor deze wijze van verzending.

De rechtbank is van oordeel dat er in het geval van verdachte sprake is geweest van een dusdanige nauwe en bewuste samenwerking met zijn medeverdachte(n) dat medeplegen op zowel het vervalsen alsook op het gebruik van de valse brieven wettig en overtuigend kan worden bewezen. Nu voorts dit gebruik erop zag om de heer [naam B] te misleiden is het gebruik tevens opzettelijk te achten.

Hetgeen de verdachte onder 1 en 2 ten laste is gelegd zal dan ook bewezen worden verklaard, met dien verstande dat:

1.

hij op tijdstippen in de periode van 1 november 2007 tot en met 15 januari in Nederland en in Sri Lanka, tezamen en in vereniging met anderen, meermalen brieven van het Directoraat-Generaal Preventie, Jeugd en Sancties van de Directie Justitieel Jeugdbeleid van het Ministerie van Justitie, - zijnde een geschrift dat bestemd was om tot bewijs van enig feit te dienen - heeft vervalst, immers heeft verdachte en één of meer van haar mededader(s) (telkens) valselijk:

- het briefhoofd en de adresgegevens en het logo van het Directoraat-Generaal Preventie Jeugd en Sancties van de Directie Justitieel Jeugdbeleid van het Ministerie van Justitie en de naam van de heer [naam A] gebruikt en/of gekopieerd en/of overgenomen en

- diverse alinea's tekst (in de Engelse taal) getypt en ingevoegd in die brieven met daarin – zakelijk weergegeven - de teksten dat:

* de heer [naam A] (van het Directoraat-Generaal Preventie, Jeugd en Sancties van de Directie Justitieel Jeugdbeleid van het Ministerie van Justitie), namens de Minister van Justitie, aan de heer [naam B] (van the Commissioner of Probation & Child Care Services te Sri Lanka) toestemming geeft voor de adoptie van het kind [naam kind] door het Nederlandse koppel/echtpaar en dat het "home study"/onderzoek door de Raad voor de

Kinderbescherming bij terugkomst in Nederland kan plaatsvinden. (brief gedateerd 19 december 2007) en

* de heer [naam A] (van het Directoraat-Generaal Preventie, Jeugd en Sancties van de Directie Justitieel Jeugdbeleid van het Ministerie van Justitie), namens de Minister van Justitie, aan de heer [naam B] (van the Commissioner of Probation & Child Care Services te Sri Lanka) meldt dat het "home study report"/onderzoek door de Raad voor de Kinderbescherming is gecontroleerd/afgerond en dat toestemming wordt gegeven om dit rapport te gebruiken en dat de adoptie van het kind [naam kind] door het Nederlandse

koppel/echtpaar kan plaatsvinden (brief d.d. 4 januari 2008) en

- ( valselijk) de handtekening van die [naam A] nagemaakt en onder de brieven gezet/aangebracht, zulks (telkens) met het oogmerk om die geschriften als echt en onvervalst te gebruiken of door anderen te doen gebruiken;

2.

hij op tijdstippen in de periode van 1 november 2007 tot en met 15 januari 2008 in Sri Lanka tezamen en in vereniging met anderen, meermalen, toen aldaar (telkens) opzettelijk gebruik heeft gemaakt van vervalste brieven van het Directoraat-Generaal Preventie, Jeugd en Sancties van de Directie Justitieel Jeugdbeleid van het Ministerie van Justitie, - (elk) zijnde een geschrift bestemd om tot bewijs van enig feit te dienen - als ware die geschriften telkens echt en onvervalst, bestaande dat gebruikmaken hierin dat zij, verdachte en één of meer van haar mededader(s) deze brieven hebben aangeboden aan de heer [naam B] en aan The Commissioner of Probation & Child Care Services teneinde de adoptie van het kind [naam kind] te bewerkstelligen, en bestaande die valsheid of vervalsing hierin dat hij, verdachte, en/of één of meer van haar mededader(s) toen, aldaar (telkens) valselijk:

- het briefhoofd en de adresgegevens en het logo van het Directoraat-Generaal Preventie Jeugd en Sancties van de Directie Justitieel Jeugdbeleid van het Ministerie van Justitie en de naam van de heer [naam A] heeft gebruikt en/of gekopieerd en/of overgenomen en

- diverse alinea's tekst (in de Engelse taal) heeft getypt en/of ingevoegd in die brieven met daarin – zakelijk weergegeven - de teksten dat:

* de heer [naam A] (van het Directoraat-Generaal Preventie, Jeugd en Sancties van de Directie Justitieel Jeugdbeleid van het Ministerie van Justitie), namens de Minister van Justitie, aan de heer [naam B] (van the Commissioner of Probation & Child Care Services te Sri Lanka) toestemming geeft voor de adoptie van het kind [naam kind] door het Nederlandse koppel/echtpaar en dat het "home study"/onderzoek door de Raad voor de

Kinderbescherming bij terugkomst in Nederland kan plaatsvinden. (brief gedateerd 19 december 2007) en

* de heer [naam A] (van het Directoraat-Generaal Preventie, Jeugd en Sancties van de Directie Justitieel Jeugdbeleid van het Ministerie van Justitie), namens de Minister van Justitie, aan de heer [naam B] (van the Commissioner of Probation & Child Care Services te Sri Lanka) meldt dat het "home study report"/onderzoek door de Raad voor de Kinderbescherming is gecontroleerd/afgerond en dat toestemming wordt gegeven om dit rapport te gebruiken en dat de adoptie van het kind [naam kind] door het Nederlandse koppel/echtpaar kan plaatsvinden (brief d.d. 4 januari 2008) en

- (valselijk) de handtekening van die [naam A] hebben nagemaakt en onder de brieven gezet/aangebracht.

Van het onder 1 en onder 2 meer of anders ten laste gelegde zal de verdachte worden vrijgesproken, aangezien de rechtbank dat niet wettig en overtuigend bewezen acht.

STRAFBAARHEID

Het bewezene levert op:

1.

Medeplegen van valsheid in geschrift, meermalen gepleegd, strafbaar gesteld bij artikel 225, eerste lid van het Wetboek van Strafrecht juncto artikel 47 van het Wetboek van Strafrecht.

2.

Medeplegen van het opzettelijk gebruik maken van een vals of vervalst geschrift als bedoeld in artikel 225, eerste lid van het Wetboek van Strafrecht, als ware het echt en onvervalst, meermalen gepleegd, strafbaar gesteld bij artikel 225, tweede lid van het Wetboek van Strafrecht juncto artikel 47 van het Wetboek van Strafrecht.

De verdachte is strafbaar, nu geen feiten of omstandigheden gebleken zijn die die strafbaarheid zouden opheffen of uitsluiten.

OPLEGGING VAN STRAF OF MAATREGEL

De rechtbank overweegt ten aanzien van de op te leggen straf het navolgende:

Uit het dossier komt het beeld naar voren dat [verdachte A] de drijvende kracht is geweest achter de pogingen om baby [naam kind] op een illegale manier te adopteren, welk handelen het welzijn van baby [naam kind] in gevaar heeft gebracht. Verdachte heeft zich echter op geen enkele manier van dit handelen van [verdachte A] gedistantieerd, hetgeen de rechtbank verdachte aanrekent.

Door zijn handelen heeft verdachte het vertrouwen dat instanties in het maatschappelijk verkeer in de juistheid van bepaalde geschriften moeten kunnen stellen, geschonden.

Tevens zijn door het handelen van verdachte niet alleen de belangen van het Ministerie van Justitie en van de heer [naam A] in diens functioneren ernstig geschonden, maar is ook het vertrouwen dat staten onderling moeten kunnen hebben in het functioneren van elkaars organen/diensten op het spel gezet.

De rechtbank rekent het verdachte bovendien zwaar aan dat zijn handelwijze ook negatief van invloed kan zijn op anderen die met een officiële, meestal langdurige, adoptieprocedure bezig zijn.

Tevens neemt de rechtbank in ogenschouw dat verdachte tot de bewezen verklaarde handelingen is gekomen, omdat hij zich in zijn relatie met [verdachte A] beïnvloedbaar en afhankelijk opstelde en geen weerstand kon bieden aan haar eisen en wensen. Nu verdachte eerder in 2006 samen met [verdachte A] valsheid in geschrift heeft gepleegd en verdachte zich in relaties beïnvloedbaar en afhankelijk opstelt, valt te vrezen dat verdachte in de toekomst dezelfde fout kan maken. Dit betekent dat de op te leggen vrijheidsstraf niet alleen vanuit het oogpunt van vergelding aanzienlijk moet zijn – in welk verband de door de officier van justitie gevorderde straf reeds volstrekt passend en geboden is te achten - maar dat er ook een belangrijke preventieve werking vanuit zal moeten gaan, zodat verdachte – als hij al niet uit zichzelf tot het nodige besef weet te komen – door de strafrechtelijke afdoening in de toekomst weerhouden zal worden om in herhaling te vervallen.

De rechtbank acht derhalve naast het opleggen van een onvoorwaardelijke gevangenisstraf het opleggen van een voorwaardelijke gevangenisstraf noodzakelijk, zodat om die reden de straf hoger uitvalt dan door de officier van justitie is geëist.

Bij haar beslissing heeft de rechtbank rekening gehouden met:

- een de verdachte betreffend uittreksel justitiële documentatie d.d. 28 mei 2008;

- een beknopt adviesrapport van Reclassering Nederland d.d. 29 januari 2010;

- een adviesrapport Reclassering Nederland d.d. 24 oktober 2008;

- een reclasseringsadvies van Reclassering Nederland d.d. 26 augustus 2008;

- een adviesrapport Reclassering Nederland d.d. 28 mei 2008 en

- de overige stukken van het de verdachte betreffende persoonsdossier.

De oplegging van straf of maatregel is, behalve op de reeds aangehaalde wettelijke voorschriften, gegrond op de artikelen 10, 14a, 14b, 14c, 22c, 22d, 27, 57 van het Wetboek van Strafrecht.

BESLISSING

Het onder 1 en onder 2 ten laste gelegde is bewezen zoals hiervoor aangegeven en levert de strafbare feiten op, zoals hiervoor vermeld. De verdachte is deswege strafbaar.

Het onder 1 en onder 2 meer of anders ten laste gelegde is niet bewezen en de verdachte wordt daarvan vrijgesproken.

De rechtbank veroordeelt de verdachte tot een gevangenisstraf voor de duur van 134 dagen.

De tijd, door de verdachte vóór de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in verzekering en voorlopige hechtenis doorgebracht, zal bij de tenuitvoerlegging van de opgelegde gevangenisstraf in mindering worden gebracht.

Van de gevangenisstraf zal een gedeelte, groot 90 dagen niet worden tenuitvoergelegd, tenzij de rechter later anders mocht gelasten op grond dat de verdachte zich voor het einde van een proeftijd van twee jaar aan een strafbaar feit heeft schuldig gemaakt.

De rechtbank legt aan verdachte op een taakstraf, te weten de werkstraf het verrichten van onbetaalde arbeid gedurende 240 uren.

De rechtbank beveelt dat voor het geval de veroordeelde de taakstraf niet of niet naar behoren verricht de taakstraf wordt vervangen door 120 dagen hechtenis, althans een aantal dagen hechtenis dat evenredig is aan het niet verrichte aantal uren taakstraf .

Het (geschorste) bevel tot voorlopige hechtenis wordt opgeheven.

Aldus gewezen door mr. G.A. Versteeg, voorzitter, mrs. R.A.M. Elbers en S.M. Milani, rechters, in tegenwoordigheid van mr. M. van Nassau als griffier en uitgesproken ter openbare terechtzitting van 16 februari 2010.

Mr. Elbers voornoemd was buiten staat dit vonnis mede te ondertekenen.