Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBZLY:2010:BL3717

Instantie
Rechtbank Zwolle-Lelystad
Datum uitspraak
16-01-2010
Datum publicatie
12-02-2010
Zaaknummer
471078 CV 09-5909
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Civiel Overig. Veiling motorfiets via veilingsite 'eBay'. Aanbieder gehouden om na afloop van de veilingtermijn het hoogste bod te accepteren, ook al ligt dat beneden de marktwaarde. Beroep van aanbieder op dwaling stuit af op het gerechtvaardigde vertrouwen bij bieder van dat hoogste bod. Wegens verkoop van de motorfiets aan een derde, is aanbieder gehouden om aan bieder hoogste bod schade te vergoeden. Matiging van die schadevergoeding.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
NJF 2010/485

Uitspraak

RECHTBANK ZWOLLE – LELYSTAD

sector kanton – locatie Zwolle

Zaaknr. : 471078 CV EXPL 09-5909

Datum : 16 februari 2010

Vonnis in de zaak van

[EISENDE PARTIJ],

wonende te [woonplaats],

eisende partij,

verder te noemen [eisende partij],

gemachtigde mr. R. Gardeslen,

tegen

[GEDAAGDE PARTIJ],

wonende te [woonplaats],

gedaagde partij,

verder te noemen [gedaagde partij],

gemachtigde mr. N. Beukhof.

De procedure

De kantonrechter heeft kennisgenomen van:

- de dagvaarding

- het antwoord van [gedaagde partij]

- het tussenvonnis van 17 november 2009

- het proces-verbaal van de comparitie na antwoord

- de brief namens [eisende partij] van 26 januari 2010

- de overgelegde producties.

Het geschil

[eisende partij] vordert van [gedaagde partij] betaling van € 4.250,00 vermeerderd met incas-sokosten en rente en de veroordeling van [gedaagde partij] in de proceskosten.

[gedaagde partij] bestrijdt de vordering en heeft geconcludeerd tot afwijzing ervan met veroor-deling van [eisende partij] in de proceskosten.

De beoordeling

1.

Vaststaat dat [gedaagde partij] vanaf 10 maart 2009 via de veilingsite eBay een motorfiets van het merk Harley Davidson, type FL 1340 te koop heeft aangeboden (hierna: de motor). De einddatum van de veiling was 20 maart 2009. [eisende partij] heeft als 21ste en laatste bieder de hoogste prijs geboden, namelijk € 3.250,00.

[gedaagde partij] heeft de motor echter niet aan [eisende partij] geleverd maar aan een derde verkocht voor € 7.000,00.

2.

[eisende partij] stelt, kort samengevat, dat [gedaagde partij] op grond van de veilingregels aan zijn (hoogste) bod was gebonden en dat daarom tussen partijen een koopovereenkomst tot stand is gekomen. Krachtens die overeenkomst was [gedaagde partij] tot levering verplicht. [gedaagde partij] is die verplichting niet nagekomen. [eisende partij] maakt daarom aanspraak op schade-vergoeding, begroot op € 4.250,00 zijnde het verschil tussen de gemiddelde koopsom van ver-gelijkbare motorfietsen (€ 7.500,00) en de overeengekomen koopsom (€ 3.250,00).

3.

[gedaagde partij] stelt, kort samengevat, dat hij niet eerder via eBay een goed te koop had aan-geboden en dat hij per abuis een minimumverkoopprijs van € 1,00 in plaats van € 7.000,00 heeft ingevoerd. Volgens [gedaagde partij] heeft hij de verkoop tegen een prijs van € 3.250,00 nim-mer gewild, hetgeen ook [eisende partij] bekend was dan wel behoorde te zijn, omdat de motor meer dan het dubbele van deze prijs waard was. [eisende partij] had bij [gedaagde partij] na-vraag moeten doen. Er was sprake van een vergissing en daarom was het aanbod van [gedaagde partij] niet rechtsgeldig. Een veiling bij opbod is slechts een openbare uitnodiging tot het doen van een aanbod. [gedaagde partij] was op grond van de veilingregels bevoegd het bod te weige-ren.

Subsidiair stelt [gedaagde partij] dat de vordering van [eisende partij] in strijd is met de rede-lijkheid en de billijkheid.

Ook dient het schadebedrag volgens [gedaagde partij] te worden gematigd. [eisende partij] heeft geen daadwerkelijke schade geleden en [gedaagde partij] is niet in staat het schadebedrag te betalen.

[eisende partij] heeft veel ervaring met het kopen en verkopen via eBay en hij maakt misbruik van zijn positie ten opzichte van de op dit gebied onervaren [gedaagde partij].

[gedaagde partij] betwist tot slot de gevorderde incassokosten.

4.

De kantonrechter oordeelt als volgt.

Niet in discussie is dat de contractuele verhouding tussen koper en verkoper wordt beheerst door de regels van de veilingsite. Die regels zijn vastgelegd in de Gebruikersovereenkomst, die zowel voor de koper als voor de verkoper regels en voorschriften bevat.

De meest verstrekkende stelling van [gedaagde partij] is dat hij op grond van die veilingregels bevoegd was het bod van [eisende partij], hoewel het hoogste bod, te weigeren. [gedaagde par-tij] heeft verwezen naar artikel 4 aanhef en onder b van de Gebruikersovereenkomst waar onder meer staat:

Als koper heb je de wettelijke verplichting de transactie met de verkoper te voltooien:

a. (…)

b. wanneer je de hoogste bieder bent aan het einde van een veiling (…) en je bod door de verkoper wordt aanvaard, tenzij het object opgenomen is in een rubriek onder het niet-bindende biedingen beleid of strijdig is met de wet of deze Gebruikersovereenkomst.

Het gaat [gedaagde partij] om de zinsnede ‘en je bod door de verkoper wordt aanvaard’ waaruit [gedaagde partij] afleidt dat de verkoper het bod mag afwijzen.

De kantonrechter verwerpt deze uitleg op de volgende gronden. Uit artikel 5.2 van de Gebrui-kersovereenkomst volgt dat de verkoper verplicht is de transactie met de hoogste bieder na af-loop van de veiling te voltooien, tenzij:

a. het object is opgenomen in een rubriek die valt onder het niet-bindende biedingen beleid

b. de koper in gebreke blijft jouw verkoopswaarden te vervullen (zoals betalingsmethode), of

c. wanneer het onmogelijk is de identiteit van de koper verifiëren.

De verkoper zal na afloop van de veiling dus moeten vaststellen of één of meer van deze drie uitzonderingen van toepassing is en indien dat niet het geval is, is hij verplicht het bod te aan-vaarden. De aanvaarding van het bod door de verkoper bedoeld in artikel 4 moet in samenhang met de overige bepalingen van de Gebruikersovereenkomst, in het bijzonder artikel 5.2 worden uitgelegd. De uitleg van artikel 4 die [gedaagde partij] voorstaat, leidt tot een met artikel 5.2 strijdige situatie en is daarom onjuist.

Vaststaat dat geen van de drie uitzonderingen genoemd in artikel 5.2 van toepassing is, zodat [gedaagde partij] op grond van de Gebruikersovereenkomst tot nakoming was gehouden.

5.

Wil het verweer van [gedaagde partij] dat hij niet aan de koopovereenkomst is gebonden deson-danks slagen, dan is noodzakelijk dat in rechte komt vast te staan:

a.

dat zijn wil niet was gericht op het tot stand brengen van de onderhavige koopovereenkomst zodat er geen wilsovereenstemming tussen partijen heeft bestaan en

b.

dat [gedaagde partij] een beroep toekomt op het ontbreken van de met zijn verklaring overeen-stemmende wil. Anders gezegd: dat [eisende partij] tegen dit beroep door [gedaagde partij] niet wordt beschermd op de voet van artikel 3:35 BW, welk artikel als volgt luidt: Tegen hem die eens anders verklaring of gedraging, overeenkomstig de zin die hij daaraan onder de gegeven omstandigheden redelijkerwijze mocht toekennen, heeft opgevat als een door die ander tot hem gerichte verklaring van een bepaalde strekking, kan geen beroep worden gedaan op het ontbre-ken van een met deze verklaring overeenstemmende wil.

Gesteld noch gebleken is dat de Gebruikersovereenkomst het recht van een partij ontzegt zich op het ontbreken van de met de verklaring overeenstemmende wil (oneigenlijke dwaling) te beroepen en daaraan een rechtsgevolg te verbinden.

6.

De vaststelling van de wil van [gedaagde partij] is uiteraard een lastige opgave. De wil van een mens bestaat, zolang die wil niet tot uitdrukking is gebracht of in een handelen of nalaten is vertaald, ‘slechts’ uit gedachten. Wat [gedaagde partij] destijds heeft gewild kan dan ook alleen maar worden bepaald aan de hand van wat uiterlijk is gebleken, waarbij niet alleen de tegen-woordige verklaring van [gedaagde partij] ten aanzien van hetgeen hij destijds heeft gewild van belang is, maar vooral of die verklaring, gelet op alle omstandigheden van het geval, waar-schijnlijk en daarom geloofwaardig en aannemelijk is.

7.

De kantonrechter acht voldoende aannemelijk dat [gedaagde partij] niet heeft gewild dat de motor voor een bedrag van € 3.250,00 zou worden verkocht. [gedaagde partij] heeft dat ver-klaard en vaststaat dat deze prijs aanzienlijk onder de marktwaarde van de motor ligt. [eisende partij] gaat uit van een gemiddelde verkoopprijs van € 7.500,00 en de koopprijs ligt ruimschoots daaronder. In het algemeen geldt dat een verkoper een goed tegen een zo hoog mogelijke prijs wil verkopen en niet tegen een prijs die aanzienlijk lager is dan de marktwaarde. Niet valt in te zien om welke reden deze algemene regel niet op [gedaagde partij] van toepassing is. Gesteld noch gebleken is dat [gedaagde partij] haast had en dat zijn wil vooral was gericht op een spoe-dige totstandkoming van een koopovereenkomst waarbij de prijs minder van belang was.

De kantonrechter wil met [gedaagde partij] daarom aannemen dat een discrepantie bestond tus-sen zijn wil en verklaring, zodat geen geldige koopovereenkomst tot stand is gekomen.

8.

De vraag is vervolgens of [gedaagde partij] zich jegens [eisende partij] hierop met succes kan beroepen dan wel [eisende partij] onder de gegeven omstandigheden in een gerechtvaardigd vertrouwen op de verklaring van [gedaagde partij] mocht afgaan.

Daarbij zijn de volgende omstandigheden van belang. [gedaagde partij] heeft de motor op een veilingsite aangeboden en het (ook [gedaagde partij] bekende) uitgangspunt van een veiling is nu eenmaal dat de hoogste bieder tevens de koper is. [eisende partij] was de 21ste bieder en on-weersproken is gebleven dat [eisende partij] het bod heeft uitgebracht tegen het einde van de 10-dagenperiode gedurende welke de veiling liep. Eerdere biedingen lager uiteraard nog lager en desondanks heeft [gedaagde partij] het recht en de mogelijkheid de veiling voortijdig te beëindi-gen, niet benut. De veilingregels, zo is de kantonrechter gebleken, verlenen [gedaagde partij] het recht zijn aanbod in te trekken indien sprake is van een vergissing, zoals een niet correct inge-voerde minimumverkoopprijs. Zijn stelling dat hij de biedingen van potentiële kopers niet heeft gevolgd en daarom geen maatregelen heeft genomen moet voor zijn rekening en risico worden gebracht. Overigens acht de kantonrechter die stelling weinig aannemelijk omdat [gedaagde partij] heeft verklaard dat de verkoop uit financiële nood was geboren. Onder die omstandigheid ligt voor de hand dat [gedaagde partij] meer dan gemiddeld benieuwd was naar de biedingen. Met de verkoopopbrengst wilde [gedaagde partij] zijn financiële positie versterken.

De kantonrechter is van oordeel dat [eisende partij] onder deze omstandigheden op de verkla-ring van [gedaagde partij] mocht afgaan en daarom moet worden beschermd.

[gedaagde partij] was dus tot levering van de motor aan [eisende partij] gehouden.

9.

[eisende partij] heeft zijn schade begroot op € 4.250,00 en [gedaagde partij] heeft die begroting niet tegengesproken. Het bedrag staat daarmee vast.

De vraag is of het beroep van [gedaagde partij] op matiging gegrond is, welke vraag de kanton-rechter op de voet van artikel 6:109 BW bevestigend beantwoordt, gelet op de volgende om-standigheden.

[eisende partij] heeft de stelling van [gedaagde partij] niet bestreden dat zijn financiële positie dermate zwak is dat hij niet in staat is de gevorderde schadevergoeding te betalen.

Van belang is ook dat de schade van [eisende partij] uitsluitend gederfde winst, zijn positief contractsbelang, betreft. Hem is vanwege de tekortkoming onmiskenbaar een voordeel ontno-men maar geen (ander) nadeel toegebracht.

[gedaagde partij] nam voor de eerste keer aan de veilingsite deel en [eisende partij] heeft ont-kend dat hij een professionele handelaar is die voor zijn levensonderhoud (mede) afhankelijk is van de in- en verkoop van goederen.

De motor is door [gedaagde partij] voor een prijs van € 7.000,00 verkocht en niet € 7.500,00 aan de hand waarvan [eisende partij] het schadebedrag heeft berekend.

De kantonrechter zal, alles afwegend, van de gevorderde schadevergoeding de helft toewijzen, zijnde € 2.125,00.

10.

De post incassokosten zal worden afgewezen omdat [eisende partij] tegenover het verweer van [gedaagde partij] op dit punt niet aannemelijk heeft gemaakt dat voorafgaand aan de procedure zodanige werkzaamheden zijn verricht dat toewijzing van een bedrag ter zake van incassokosten is gerechtvaardigd.

11.

Het is billijk dat [gedaagde partij] in de proceskosten wordt veroordeeld.

De beslissing

De kantonrechter:

1.

veroordeelt [gedaagde partij] tegen bewijs van kwijting aan [eisende partij] te betalen een bedrag van € 2.125,00 vermeerderd met de wettelijke rente vanaf 11 september 2009 tot de dag van algehele voldoening;

2.

veroordeelt [gedaagde partij] in de kosten van het geding, tot op heden aan de zijde van [ei-sende partij] begroot op:

€ 300,00 voor salaris gemachtigde (twee punten á € 150,00)

€ 92,98 voor explootkosten

€ 208,00 voor vastrecht;

3.

verklaart het vonnis uitvoerbaar bij voorraad;

4.

wijst het meer of anders gevorderde af.

Gewezen door mr. C.H. de Haan, kantonrechter, en in het bijzijn van de griffier uitgesproken in de openbare terechtzitting van 16 februari 2010.