Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBZLY:2010:BL3631

Instantie
Rechtbank Zwolle-Lelystad
Datum uitspraak
06-01-2010
Datum publicatie
17-02-2010
Zaaknummer
157750 - HA ZA 09-707
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Gedaagde (ex-werknemer van failliet) ontvangst betaling vóór faillisement; bestemd voor failliet. Gedaagde probeert curator te doen geloven dat hij vervolgens schuldeisers van failliet heeft betaald, maar dit blijken schuldeisers van hemzelf te zijn.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

vonnis

RECHTBANK ZWOLLE-LELYSTAD

Sector civiel recht

zaaknummer / rolnummer: 157750 / HA ZA 09-707

Vonnis van 6 januari 2010

in de zaak van

STEVEN ALEXANDER VAN HAARLEM

in hoedanigheid van curator in het faillissement van Luchtig Plafond B.V.,

wonende te Amsterdam,

eiser,

advocaat mr. M.H. Nicolai- Wallet,

tegen

[gedaagde],

wonende te [plaats],

gedaagde,

advocaat mr. H.J. Borghuis.

Partijen zullen hierna Van Haarlem qq en [gedaagde] genoemd worden.

1. De procedure

1.1. Het verloop van de procedure blijkt uit:

- het tussenvonnis van 5 augustus 2009

- het proces-verbaal van comparitie van 24 november 2009.

1.2. Ten slotte is vonnis bepaald.

2. De feiten

2.1. Bij vonnis van 18 april 2006 is het faillissement uitgesproken van Luchtig Plafond BV, met benoeming van Van Haarlem qq tot curator.

2.2. Tot haar statutenwijziging op 13 december 2005 was (de handelsnaam van) Luchtig Plafond genaamd Poetslappenfabriek Welsum BV. Bij die statutenwijziging is tevens het vestigingsadres gewijzigd van [adres] [plaats] in [adres] [plaats].

2.3. Luchtig Plafond hield zich bezig met de groothandel in poetslappen en aanverwante artikelen en detailhandel in tuinmeubelen en kampeerartikelen, caravans en vouwwagens, zonwering, rolluiken, etc.

2.4. [gedaagde] is de zoon van mevrouw [A], bestuurder van Luchtig Plafond. Hij was tot en met 31 december 2005 in loondienst bij Luchtig Plafond. Luchtig Plafond had - naast de bestuurder - [gedaagde] (als enige werknemer) in loondienst.

2.5. [gedaagde] is op 2 januari 2006 een eenmanszaak gestart. De bedrijfsomschrijving van de eenmanszaak van [gedaagde] is: groothandel in poetslappen, poetspapier, zeep (handverzorging), dispensers, bedrijfskleding (werkhandschoenen/overall’s/jassen enz.), toiletpapier, schoonmaakartikelen, detailhandel in kampeerartikelen en detailhandel in vuurwerk.

2.6. Op of omstreeks januari 2006 zijn alle voorraden en inventaris van Luchtig Plafond verkocht aan de heer [B] voor een totaalbedrag van EUR 26.775,00 inclusief BTW. Luchtig Plafond heeft hiervoor op 19 januari 2006 een factuur aan de heer [B] gezonden. Op deze factuur stond het gironummer vermeld van [gedaagde] h/o Handelsonderneming Welsum.

2.7. [B] heeft deze factuur voldaan op 1 februari 2006 door betaling hiervan aan [gedaagde]. [gedaagde] heeft op 17 februari 2006 EUR 10.000,00 naar de bankrekening van Luchtig Plafond overgemaakt en op 7 maart 2006 een bedrag van EUR 800,00.

3. Het geschil

3.1. Van Haarlem qq vordert samengevat - veroordeling van [gedaagde] tot betaling van EUR 15.975 en EUR 904,00 wegens buitengerechtelijke incaccokosten, vermeerderd met rente en kosten.

3.2. [gedaagde] voert verweer. Op de stellingen van partijen wordt hierna, voor zover van belang, nader ingegaan.

4. De beoordeling

4.1. Van Haarlem qq vordert als hoofdsom het bedrag van EUR 15.975,00 zijnde het verschil tussen het door [B] aan [gedaagde] betaalde bedrag van EUR 26.775,00 en het door [gedaagde] aan Luchtig Plafond betaalde bedrag van EUR 10.850,00, daartoe stellende dat [gedaagde] gehouden is de totale koopsom aan de boedel te voldoen.

4.2. [gedaagde] benadrukt dat hij eerst bemerkte dat zijn bankrekening op een factuur van Luchtig Plafond was vermeld op het moment dat de betaling van [B] binnenkwam en hij navraag deed naar de reden van die betaling. De directie van Luchtig Plafond verzocht hem daarop de betalingen als omschreven in punt 2.7. te verrichten. Vervolgens heeft hij ook voldaan aan het verzoek van de directie van Luchtig Plafond om op 6 maart 2006 een bedrag van EUR 15.975,00 te betalen aan MTS Euro Products (nader te noemen: MTS). Aan die verzoeken heeft [gedaagde] geheel te goeder trouw voldaan en hij heeft dus al hetgeen hij ten behoeve van Luchtig Plafond had ontvangen op de door Luchtig Plafond aangegeven wijze doorbetaald.

Dat MTS een vordering op Luchtig Plafond had, heeft [gedaagde] direct na de ontvangst van de dagvaarding aangetoond op basis van de facturen die de directie van Luchtig Plafond ter beschikking heeft gesteld en welke [gedaagde] ook aan de curator heeft gezonden. Deze facturen brengt [gedaagde] thans als producties in het geding.

Er is daarom geen enkele vordering van het nadien gefailleerde Luchtig Plafond op [gedaagde].

4.3. De rechtbank acht de stellingen van [gedaagde], zulks mede tegen de achtergrond van de vaststaande feiten in sub 2.3. tot en met 2.6. ongeloofwaardig. [gedaagde] heeft op geen enkele wijze aannemelijk gemaakt dat hij van het door hem ontvangen bedrag

EUR 15.975,00 heeft doorbetaald aan MTS. De rechtbank zal derhalve aan deze stellingen voorbijgaan. De rechtbank overweegt daartoe als volgt. Ter gelegenheid van de comparitie van partijen heeft Van Haarlem qq kopieën van dagboekoverzichten van Luchtig Plafond overgelegd. Hieruit blijkt dat MTS een zakelijke relatie/leverancier van Luchtig Plafond was. Uit het als productie 4 bij de dagvaarding overgelegde bankafschrift van (de onderneming van) [gedaagde] blijkt dat MTS ook een zakelijke relatie is van [gedaagde]. Uit dit bankafschrift blijkt immers dat [gedaagde] een betaling van EUR 25.000,00 aan MTS heeft gedaan. [gedaagde] stelt dat hij op verzoek van de directie van Luchtig Plafond een bedrag van

EUR 15.975,00 heeft voldaan aan MTS ter voldoening van facturen die Luchtig Plafond aan MTS verschuldigd zou zijn. Ter onderbouwing daarvan verwijst hij naar door hem bij antwoord in het geding gebrachte facturen die, zo stelt hij, hem door de directie van Luchtig Plafond beschikbaar zijn gesteld. Welke facturen hij heeft voldaan stelt hij echter niet, terwijl het totaalbedrag van die door hem in het geding gebrachte facturen EUR 30.390,46 bedraagt. Overigens blijkt uit genoemd bankafschrift dat [gedaagde] (naast het bedrag van

EUR 25.000,-) een bedrag aan MTS heeft voldaan van EUR 15.630,58, in plaats van het door [gedaagde] gestelde bedrag van EUR 15.975,00. Ter comparitie is zijdens [gedaagde] verklaart dat dit moet berusten op een vergissing, maar dat het verschil niet kan worden verklaard.

Voorts heeft de curator bij dagvaarding, door [gedaagde] onweersproken, gesteld dat MTS geen crediteur van de gefailleerde blijkt te zijn, althans dat deze zich niet bij de curator als zodanig heeft gemeld.

Dit alles leidt ertoe dat de vordering ter zake van de hoofdsom in beginsel toewijsbaar is.

4.4. [gedaagde] stelt dat hij als ex-werknemer nog een vordering op de boedel heeft wegens achterstallig salaris tot een bedrag van EUR 9.144,92. Hij heeft die vordering bij de curator ingediend, maar daarover vervolgens niets meer vernomen. Voor zover vereist doet [gedaagde] ter zake een beroep op verrekening. Verder hebben klanten van [gedaagde] tot een bedrag van EUR 3.850,16 per abuis en dus onverschuldigd aan de boedel betaald. Ook hierover werd de curator geïnformeerd en ook hierop werd geen inhoudelijke reactie verkregen. Voor zover vereist doet [gedaagde] ter zake een beroep op verrekening.

4.5. Van Haarlem qq stelt voor wat betreft de vordering wegens achterstallig salaris, wat daar verder ook van zij nu hij deze vordering ook inhoudelijk betwist, dat [gedaagde] niet bevoegd is zijn verplichting tot voldoening van de koopsom aan Luchtig Plafond te verrekenen met zijn vordering op de Luchtig Plafond, zulks op grond van artikel 54 Faillissementswet. Op het moment van verrekening was [gedaagde] niet te goeder trouw. De betaling van de koopsom vond immers plaats korte tijd voor de faillietverklaring. De bedrijfsactiviteiten van Luchtig Plafond waren reeds in 2005 beëindigd. [gedaagde] als zoon van de bestuurder van Luchtig Plafond en als – enige – werknemer wist, althans behoorde te weten, dat het faillissement eraan zat te komen.

4.6. Het verweer van Van Haarlem qq tegen de door [gedaagde] gevorderde verrekening slaagt. [gedaagde] heeft de stellingen van Van Haarlem qq op dit punt niet dan wel niet voldoende onderbouwd betwist.

4.7. Voor wat betreft de stelling van [gedaagde] dat zijn klanten per abuis en onverschuldigd aan de boedel hebben betaald en dat ook dit bedrag dient te worden verrekend heeft Van Haarlem qq zich verweerd met het betoog dat een dergelijke vordering (uit hoofde van onverschuldigde betaling) een vordering van de betreffende debiteur is.

4.8. Ook op dit onderdeel volgt de rechtbank Van Haarlem qq. Voor zover klanten van [gedaagde] aan de boedel hebben betaald, zijn deze betalingen onverschuldigd op grond waarvan deze betalingen door de klanten van [gedaagde], en dus niet door [gedaagde], van de boedel kunnen worden teruggevorderd.

4.9. De conclusie is dat [gedaagde] geen vordering tot verrekening toekomt en dat de gevorderde hoofdsom toewijsbaar is.

4.10. [gedaagde] heeft geen afzonderlijk verweer gevoerd tegen de gevorderde buitengerechtelijke incassokosten, zodat ook dit onderdeel van de vordering kan worden toegewezen.

4.11. [gedaagde] zal als de in het ongelijk gestelde partij in de proceskosten worden veroordeeld. De kosten aan de zijde van Van Haarlem qq worden begroot op:

- dagvaarding EUR 72,25

- vast recht 370,00

- salaris advocaat 904,00 (2,0 punt × tarief EUR 452,00)

Totaal EUR 1.346,25

5. De beslissing

De rechtbank

5.1. veroordeelt [gedaagde] om aan Van Haarlem qq te betalen een bedrag van EUR 16.879,00 (zestienduizendachthonderdnegenenzeventig euro), vermeerderd met de wettelijke rente als bedoeld in art. 6: 119 BW over het nog niet betaalde deel van de hoofdsom vanaf 1 februari 2006 tot de dag van volledige betaling,

5.2. veroordeelt [gedaagde] in de proceskosten, aan de zijde van Van Haarlem qq tot op heden begroot op EUR 1.346,25,

5.3. verklaart dit vonnis uitvoerbaar bij voorraad.

Dit vonnis is gewezen door mr. J. van der Hulst en in het openbaar uitgesproken op 6 januari 2010.