Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBZLY:2010:BL3204

Instantie
Rechtbank Zwolle-Lelystad
Datum uitspraak
25-01-2010
Datum publicatie
09-02-2010
Zaaknummer
07/410127-08
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

- mishandeling, bedreiging vriendin

- ne bis in idem beginsel

- strafmaatmotivering

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK ZWOLLE - LELYSTAD

Sector Strafrecht - Meervoudige Strafkamer

Parketnrs.: 07/410127-08

19/830352-05 (vordering tenuitvoerlegging)

Uitspraak: 25 januari 2010

Vonnis in de zaak van:

het openbaar ministerie

tegen

(verdachte),

geboren op (geboortejaar),

wonende (adres).

Het onderzoek ter terechtzitting heeft plaatsgevonden op 27 januari 2009, 7 mei 2009, 24 augustus 2009 en 11 januari 2010. De verdachte is telkens verschenen, bijgestaan door mr. M.G. Pekkeriet-Bischop, advocaat te Zwolle.

De officier van justitie, mr. S.T.C. van der Werf, heeft ter terechtzitting van 11 januari 2010 gepersisteerd bij haar ter terechtzitting van 24 augustus 2009 gedane requisitoir om:

- de verdachte voor het onder 1 primair, 2, 3, 4 en 5 ten laste gelegde te veroordelen tot een gevangenisstraf voor de tijd van 8 maanden, met aftrek van voorarrest;

- de vordering van de benadeelde partij (slachtoffer) ad € 2.750,00 volledig toe te wijzen en tevens de schadevergoedingsmaatregel als bedoeld in artikel 36f van het Wetboek van Strafrecht voor voornoemd bedrag op te leggen;

- de tenuitvoerlegging te gelasten van de in de zaak met parketnummer 19/830352-05 bij vonnis d.d. 17 november 2006 van de politierechter in de rechtbank te Assen aan verdachte opgelegde 12 maanden voorwaardelijke gevangenisstraf.

TENLASTELEGGING

De verdachte is ten laste gelegd dat:

1. hij op of omstreeks 03 november 2008 te Steenwijk, gemeente Steenwijkerland,

aan een persoon genaamd (slachtoffer), opzettelijk zwaar lichamelijk letsel

(gebroken vinger), heeft toegebracht, door deze opzettelijk en met kracht bij

haar linkerhand vast te pakken en/of (daarbij) één of meer vingers achterover

en/of achterwaarts te buigen;

althans, indien het vorenstaande onder 1 niet tot een veroordeling mocht of zou

kunnen leiden:

hij op of omstreeks 03 november 2008 te Steenwijk, gemeente Steenwijkerland,

opzettelijk mishandelend een persoon (te weten (slachtoffer)), krachtig met

gebalde vuist op/tegen diens schouder heeft geslagen en/of gestompt en/of

(vervolgens) met kracht bij haar linkerhand heeft vastgepakt en/of (daarbij)

één of meer vingers achterover en/of achterwaarts heeft gebogen, tengevolge

waarvan deze zwaar lichamelijk letsel (gebroken vinger), althans enig

lichamelijk letsel, heeft bekomen en/of pijn heeft ondervonden;

2. hij op of omstreeks 05 augustus 2008 te Steenwijk, gemeente Steenwijkerland,

opzettelijk mishandelend een persoon (te weten (slachtoffer)), krachtig

op/tegen diens bovenarm heeft geslagen en/of gestompt en/of fles tegen haar

arm heeft gegooid, waardoor deze letsel heeft bekomen en/of pijn heeft

ondervonden;

3. hij op of omstreeks 01 februari 2008 te Steenwijk, gemeente Steenwijkerland,

ter uitvoering van het door verdachte voorgenomen misdrijf om aan een persoon

genaamd (slachtoffer), opzettelijk zwaar lichamelijk letsel toe te brengen,

met dat opzet die (slachtoffer) krachtig met zijn, verdachtes, hand(en) om/bij de

keel/hals/luchtpijp heeft vastgepakt en/of vastgehouden en/of (daarbij) diens

keel/hals/luchtpijp heeft dichtgeknepen en/of dichtgeknepen gehouden, terwijl

de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid;

althans, indien het vorenstaande onder 3 niet tot een veroordeling mocht of zou

kunnen leiden:

hij op of omstreeks 01 februari 2008 te Steenwijk, gemeente Steenwijkerland,

opzettelijk mishandelend een persoon (te weten (slachtoffer)), krachtig met

zijn, verdachtes, hand(en) om/bij de keel/hals/luchtpijp heeft vastgepakt

en/of vastgehouden en/of (daarbij) diens keel/hals/luchtpijp heeft

dichtgeknepen en/of dichtgeknepen gehouden, waardoor deze letsel heeft bekomen

en/of pijn heeft ondervonden;

4. hij op één of meer tijdstippen in of omstreeks de periode van 01 november 2005

tot en met 31 december 2007 te Ruinerwold, gemeente De Wolden, (slachtoffer)

één of meermalen heeft bedreigd met enig misdrijf tegen het leven gericht,

althans met zware mishandeling, immers heeft verdachte (telkens) opzettelijk

voornoemde (slachtoffer) één of meermalen dreigend de woorden toegevoegd: "Ik maak

je kapot", althans woorden van gelijke dreigende aard of strekking;

5. hij op één of meer tijdstippen in of omstreeks de periode van 01 november 2005

tot en met 31 december 2007 te Ruinerwold, gemeente De Wolden, (telkens)

opzettelijk mishandelend een persoon (te weten (slachtoffer)), één of

meermalen op/tegen dier lichaam heeft geslagen en/of gestompt en/of getrapt

en/of geschopt, waardoor deze (telkens) letsel heeft bekomen en/of pijn heeft

ondervonden.

ONTVANKELIJKHEID OFFICIER VAN JUSTITIE

Door de verdediging is ten aanzien van het onder 5 ten laste gelegde betoogd dat verdachte eerder is veroordeeld voor mishandeling van het slachtoffer (slachtoffer) in bijna dezelfde periode als thans ten laste is gelegd en dat uit de verklaring van getuige (naam getuige) onvoldoende duidelijk wordt op welke periode zij precies doelt.

De rechtbank vat dit betoog op als een beroep op schending van het ne bis in idem beginsel zoals bepaald in artikel 68 van het Wetboek van Strafrecht, hetgeen zou moeten leiden tot niet-ontvankelijkverklaring van de officier van justitie. De rechtbank verwerpt dit verweer en overweegt daartoe dat voor toepassing van voornoemde bepaling een eerdere, onherroepelijke berechting ter zake van hetzelfde feit moet hebben plaatsgevonden. Daarvan is in dit geval geen sprake nu de eerdere veroordeling van verdachte ter zake van mishandeling van het slachtoffer (slachtoffer) betrekking heeft op de periode van 1 december 2004 tot en met 29 oktober 2005, zoals blijkt uit het uittreksel justitiële documentatie betreffende verdachte, terwijl het onder 5 ten laste gelegde feit betrekking heeft op de periode van 1 november 2005 tot en met 31 december 2007.

BEWIJS

De verdachte dient van het 1 primair, 2 en 3 primair ten laste gelegde te worden vrijgesproken, omdat de rechtbank dit niet wettig en overtuigend bewezen acht.

De rechtbank acht wettig en overtuigend bewezen hetgeen de verdachte onder 1 subsidiair, 3 subsidiair, 4 en 5 ten laste is gelegd, met dien verstande dat:

1. hij op 3 november 2008 te Steenwijk, gemeente Steenwijkerland, opzettelijk mishandelend een persoon (te weten (slachtoffer)) met kracht bij haar linkerhand heeft vastgepakt en daarbij één of meer vingers achterover en/of achterwaarts heeft gebogen, tengevolge waarvan deze enig lichamelijk letsel, heeft bekomen en/of pijn heeft ondervonden;

3. hij op 1 februari 2008 te Steenwijk, gemeente Steenwijkerland, opzettelijk mishandelend een persoon (te weten (slachtoffer)), krachtig met zijn, verdachtes, hand(en) om/bij de keel/hals heeft vastgepakt en/of vastgehouden en daarbij diens keel/hals heeft dichtgeknepen en dichtgeknepen gehouden, waardoor deze pijn heeft ondervonden;

4. hij op een tijdstip in de periode van 1 november 2005 tot en met 31 december 2007 te Ruinerwold, gemeente De Wolden, (slachtoffer) heeft bedreigd met enig misdrijf tegen het leven gericht, immers heeft verdachte opzettelijk voornoemde (slachtoffer) dreigend de woorden toegevoegd: "Ik maak je kapot", althans woorden van gelijke dreigende aard of strekking;

5. hij op tijdstippen in de periode van 1 november 2005 tot en met 31 december 2007 te Ruinerwold, gemeente De Wolden, telkens opzettelijk mishandelend een persoon (te weten (slachtoffer)), meermalen op/tegen dier lichaam heeft geslagen en/of gestompt en/of getrapt en/of geschopt, waardoor deze telkens letsel heeft bekomen en pijn heeft

ondervonden.

Van het onder 1 subsidiair, 3 primair, 4 en 5 meer of anders ten laste gelegde zal de verdachte worden vrijgesproken, aangezien de rechtbank dat niet wettig en overtuigend bewezen acht.

STRAFBAARHEID

Het bewezene levert op:

Feit 1:

Mishandeling,

strafbaar gesteld bij artikel 300 van het Wetboek van Strafrecht.

Feit 3:

Mishandeling,

strafbaar gesteld bij artikel 300 van het Wetboek van Strafrecht.

Feit 4:

Bedreiging met enig misdrijf tegen het leven gericht,

strafbaar gesteld bij artikel 285 van het Wetboek van Strafrecht

Feit 5:

Mishandeling, meermalen gepleegd,

strafbaar gesteld bij artikel 300 van het Wetboek van Strafrecht.

De verdachte is deswege strafbaar, nu geen feiten of omstandigheden gebleken zijn die die strafbaarheid zouden opheffen of uitsluiten.

OPLEGGING VAN STRAF OF MAATREGEL

Gelet op de aard en de ernst van het bewezen en strafbaar verklaarde, op de omstandigheden waaronder verdachte zich daaraan heeft schuldig gemaakt en op de persoon van verdachte, zoals van een en ander uit het onderzoek ter terechtzitting is gebleken, acht de rechtbank de na te noemen beslissing passend.

De rechtbank is in dit geval van oordeel dat een deels onvoorwaardelijke vrijheidsstraf noodzakelijk is, omdat aard en ernst van het bewezen en strafbaar verklaarde, gelet ook op het strafrechtelijk verleden van de verdachte, door een lichtere strafrechtelijke afdoening van de zaak miskend zouden worden.

De rechtbank rekent het de verdachte zwaar aan dat hij zijn toenmalige vriendin meerdere malen heeft mishandeld en haar heeft bedreigd. Een en ander klemt temeer nu het gaat om soortgelijke feiten ten opzichte van hetzelfde slachtoffer als in de zaak met parketnummer 19/830352-05, waarvoor thans een vordering tot tenuitvoerlegging aan de orde is.

Blijkens de inhoud van de door de stichting Reclassering Nederland d.d. 16 december 2009 uitgebrachte voortgangsrapportage is er sinds enkele maanden sprake van een voorzichtig positieve ontwikkeling in de situatie van verdachte. Een en ander is voor de rechtbank aanleiding om een deel van de aan verdachte op te leggen gevangenisstraf in voorwaardelijke vorm op te leggen, met daaraan verbonden een verplicht reclasseringscontact. Naar het oordeel van de rechtbank is de situatie waarin verdachte thans verkeert echter nog als zeer kwetsbaar aan te merken, mede in aanmerking genomen zijn voorgenomen verhuizing naar Meppel, en is het gevaar op recidive van soortgelijke feiten als de thans bewezen verklaarde feiten nog zeer reëel. De rechtbank acht de noodzaak tot een behandeling van verdachtes problematiek dan ook onverminderd aanwezig. De rechtbank zal daarom bepalen dat de voorschriften en aanwijzingen in het kader van het verplichte reclasseringscontact tevens kunnen inhouden dat verdachte gedurende de proeftijd een behandeling zal volgen bij het AFPN of een soortgelijke behandelinstelling, een en ander overeenkomstig de bijzondere voorwaarden als gesteld in het vonnis onder parketnummer 19/830352.

Bij haar beslissing heeft de rechtbank rekening gehouden met:

- een de verdachte betreffend uittreksel justitiële documentatie d.d. 17 juli 2009;

- een de verdachte betreffend adviesrapport d.d. 7 november 2008 uitgebracht door de stichting Reclassering Nederland;

- een de verdachte betreffend voorlichtingsrapport d.d.20 januari 2009 uitgebracht door de stichting Reclassering Nederland;

- een de verdachte betreffend psychologisch onderzoeksrapport d.d. 29 april 2009 uitgebracht door drs. A.F.J.M. Zwegers, GZ-psycholoog;

- een de verdachte betreffend voortgangsverslag d.d. 22 juli 2009 uitgebracht door de stichting Reclassering Nederland;

- een de verdachte betreffend voortgangsverslag d.d. 16 december 2009 uitgebracht door de stichting Reclassering Nederland.

De oplegging van straf of maatregel is, behalve op de reeds aangehaalde wettelijke voorschriften, gegrond op de artikelen 10, 14a, 14b, 14c, 14d, 27 en 57 van het Wetboek van Strafrecht.

Benadeelde partij (slachtoffer)

De vordering van de benadeelde partij (slachtoffer) is naar het oordeel van de rechtbank niet van zo eenvoudige aard dat deze zich leent voor behandeling in het strafgeding.

De rechtbank overweegt daartoe dat niet eenvoudig kan worden bepaald of en in hoeverre de thans gevorderde geleden psychische schade uitsluitend en rechtstreeks is veroorzaakt door de onderhavige bewezen verklaarde feiten. De rechtbank zal derhalve bepalen dat de benadeelde partij in die vordering niet ontvankelijk is en dat de vordering slechts bij de burgerlijke rechter kan worden aangebracht.

Vordering tenuitvoerlegging voorwaardelijke veroordeling in de zaak met parketnummer 19/830352-05

In de zaak met voornoemd parketnummer is bij vonnis van de politierechter te Assen van 17 november 2006 aan de verdachte een geheel voorwaardelijke gevangenisstraf voor de tijd van 12 maanden opgelegd, met een proeftijd van 3 jaar en een verplicht reclasseringscontact als bijzondere voorwaarde.

De rechtbank stelt vast dat verdachte zich voor het einde van de proeftijd schuldig heeft gemaakt aan het plegen van strafbare feiten, en daarmee de bij voornoemde voorwaardelijke gevangenisstraf geldende algemene voorwaarde heeft overtreden. Dit rechtvaardigt in beginsel tenuitvoerlegging van voornoemde voorwaardelijk opgelegde gevangenisstraf . De rechtbank stelt evenzeer vast dat zulks thans de voorzichtig ingezette en langzaam op gang komende positieve ontwikkeling in de situatie van verdachte zal doorkruisen. Gelet op het voorgaande en op het bepaalde in artikel 14g van het Wetboek van Strafrecht acht de rechtbank termen aanwezig om de vordering tot tenuitvoerlegging partieel, te weten voor een gedeelte van 4 maanden toe te wijzen, met dien verstande dat de rechtbank op de voet van het bepaalde in het tweede lid van genoemd artikel in de plaats daarvan een taakstraf, te weten het verrichten van 240 uren onbetaalde arbeid, zal gelasten.

De rechtbank heeft bij de beoordeling van voornoemde vordering tenuitvoerlegging gelet op de artikelen 14g, 14h, 14i en 14j van het Wetboek van Strafrecht.

BESLISSING

Ten aanzien van de tenlastelegging

Het onder 1 primair, 2 en 3 primair ten laste gelegde is niet bewezen en de verdachte wordt daarvan vrijgesproken.

Het onder 1 subsidiair, 3 subsidiair, 4 en 5 ten laste gelegde is bewezen zoals hiervoor aangegeven en levert de strafbare feiten op, zoals hiervoor vermeld. De verdachte is deswege strafbaar.

Het onder 1 subsidiair, 3 subsidiair, 4 en 5 meer of anders ten laste gelegde is niet bewezen en de verdachte wordt daarvan vrijgesproken.

De rechtbank veroordeelt de verdachte tot een gevangenisstraf voor de duur van 166 dagen.

De tijd, door de verdachte vóór de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in verzekering en

voorlopige hechtenis doorgebracht, zal bij de tenuitvoerlegging van de opgelegde gevangenisstraf in mindering worden gebracht.

Van de gevangenisstraf zal een gedeelte, groot 83 dagen, niet worden tenuitvoergelegd, tenzij de rechter later anders mocht gelasten op grond van het feit dat de verdachte zich voor het einde van een proeftijd van 2 jaar aan een strafbaar feit heeft schuldig gemaakt, of gedurende die proeftijd de hierna te melden bijzondere voorwaarde niet heeft nageleefd.

Als bijzondere voorwaarde wordt gesteld dat de verdachte zich gedurende de proeftijd zal gedragen naar de voorschriften en aanwijzingen, te geven door of namens de stichting Reclassering Nederland, zulks zolang deze instelling of een door haar aan te wijzen andere reclasseringsinstelling dat gedurende de proeftijd nodig oordeelt, met opdracht aan die instelling als bedoeld in artikel 14d van het Wetboek van Strafrecht.

Deze voorschriften en aanwijzingen mogen ook inhouden dat de verdachte gedurende de proeftijd een ambulante behandeling zal volgen bij de AFPN en/of een soortgelijke behandelinstelling.

Het (geschorste) bevel tot voorlopige hechtenis wordt opgeheven.

Ten aanzien van de vordering van de benadeelde partij (slachtoffer)

De rechtbank bepaalt dat de benadeelde partij (slachtoffer) in haar vordering niet ontvankelijk is en dat zij haar vordering slechts bij de burgerlijke rechter kan aanbrengen.

Ten aanzien van de vordering tenuitvoerlegging in de zaak met parketnummer 19/830352-05

De rechtbank wijst de vordering tot tenuitvoerlegging van de in de zaak met parketnummer 19/830325-05 bij vonnis d.d. 17 november 2006 van de politierechter te Assen voorwaardelijk aan verdachte opgelegde straf, te weten 12 maanden gevangenisstraf,

toe voor een gedeelte van 4 maanden.

De rechtbank gelast in de plaats van de tenuitvoerlegging van voormelde vrijheidsstraf het verrichten van een taakstraf, te weten de werkstraf het verrichten van onbetaalde arbeid gedurende 240 uren, te voltooien binnen 1 jaar na het onherroepelijk worden van dit vonnis.

De rechtbank beveelt dat voor het geval de veroordeelde de taakstraf niet of niet naar behoren verricht de taakstraf wordt vervangen door 120 dagen hechtenis, althans een aantal dagen hechtenis dat evenredig is aan het niet verrichte aantal uren taakstraf.

De tijd, door verdachte voor de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in verzekering en voorlopige hechtenis doorgebracht, zal bij de tenuitvoerlegging van de opgelegde taakstraf in mindering worden gebracht, berekend naar de maatstaf van 2 uren taakstraf per dag.

Aldus gewezen door mr. F. Koster, voorzitter, mrs. H. Pos en A.J. Louter, rechters, in tegenwoordigheid van H. Kamp, griffier, en uitgesproken ter openbare terechtzitting van 25 januari 2010.

Mrs. Pos en Louter voornoemd waren buiten staat dit vonnis mede te ondertekenen.