Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBZLY:2010:BL2327

Instantie
Rechtbank Zwolle-Lelystad
Datum uitspraak
14-01-2010
Datum publicatie
05-02-2010
Zaaknummer
479665 ER 09-129
Rechtsgebieden
Personen- en familierecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Testamentaire executele. Een legitimatis is niet gerechtigd tot het doen van een verzoek tot ontslag van een executeur. Geen aanleiding voor de kantonrechter voor een ambtshalve ontslag van de executeur.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
RN 2010, 39

Uitspraak

RECHTBANK ZWOLLE – LELYSTAD

sector kanton – locatie Deventer

zaaknummer. : 479665 ER 09-129

datum : 14 januari 2010

Beschikking op een verzoek tot ontslag van de executeur

ingediend door:

mevrouw [verzoekende partij],

wonende te [woonplaats],

verzoekster,

tegen

mevrouw [verwerende partij],

wonende te [woonplaats],

verweerster.

De procedure

Op 2 december 2009 is ter griffie ingekomen een verzoekschrift met bijlagen, waarin wordt verzocht om ontslag van verweerster als executeur in de hierna te noemen nalatenschap.

Op 4 januari 2010 is ter griffie het verweerschrift met bijlagen ingekomen.

Op 6 januari 2010 heeft de mondelinge behandeling plaatsgevonden waarbij verzoekster en verweerster verschenen zijn.

De beoordeling

1.

Op grond van de stukken en de verklaringen van partijen staat in rechte het volgende vast.

a) Verzoekster en verweerster zijn zussen van elkaar.

b) Mevrouw [moeder], moeder van partijen, is overleden op [datum] De heer [vader], vader van partijen, is overleden op [datum].

c) Bij testament, verleden voor notaris Kleefsman te Deventer op 10 februari 2005, heeft [vader] beschikt over zijn nalatenschap. Erflater heeft zijn oudste dochter, verzoekster, uitgesloten als erfgename in zijn nalatenschap en zijn jongste dochter, verweerster, benoemd tot enig erfgename. Tevens heeft hij zijn jongste dochter benoemd tot executeur in zijn nalatenschap.

d) Verzoekster maakt aanspraak op haar legitieme portie. Zij is legitimaris.

2.

Op de voet van artikel 4:149, eerste lid aanhef en onder f in verbinding met artikel 4:149, tweede lid BW wenst verzoekster het ontslag van verweerster uit haar functie als executeur op grond van gewichtige redenen. Verweerster heeft erop gewezen dat verzoekster niet bevoegd is een dergelijk verzoek in te dienen omdat zij niet behoort tot de kring van personen die in artikel 4:149, tweede lid BW door de wetgever zijn gerechtigd een dergelijk verzoek te doen.

2.1.

Het verweer slaagt. Artikel 4:149, tweede lid BW kent de bevoegdheid het ontslag van de executeur te verzoeken toe aan een mede-executeur, een erfgenaam of het Openbaar Ministerie. Een legitimaris behoort niet tot deze kring en dat betekent dat verzoekster niet-ontvankelijk moet worden verklaard in haar verzoek.

3.

Ter zitting is aan de orde gekomen of de kantonrechter dan ambtshalve tot het gevraagde ontslag moet overgaan. De wetgever heeft deze bevoegdheid ook aan de kantonrechter toegekend in het meergenoemde artikel 4:149, tweede lid BW. Een dergelijk ambtshalve te verlenen ontslag zal mogelijk zijn op grond van gewichtige redenen. Hierbij moet worden gedacht aan misbruik van bevoegdheid door de executeur, verwaarlozing van zijn plichten of omstandigheden die moeten leiden tot het oordeel dat de executeur niet is opgewassen tegen de taak of anderszins niet in staat is tot een behoorlijke uitoefening van zijn taak. Het enkele feit dat de executeur als erfgenaam een belang heeft dat afwijkt of zelfs tegengesteld is aan het belang van een legitimaris is onvoldoende om tot ontslag te besluiten.

3.1.

Uit de stukken blijkt dat partijen met elkaar van mening verschillen over de juiste afwikkeling van de nalatenschap. Concreet gaat het om enkele inhoudelijke punten:

• moet rente worden berekend over het kindsdeel vanaf datum overlijden moeder of vanaf datum van de verdeling van haar nalatenschap?

• moet de werkelijke verkoopwaarde van de ouderlijke woning worden gehanteerd bij de vaststelling van de nalatenschap en dus de berekening van de legitieme portie of gaat het om de taxatiewaarde ten tijde van het overlijden van vader?

Uit de stukken blijkt voorts dat beide partijen zich terzake hebben doen voorlichten door deskundigen op dit terrein en dat daaruit op het eerste oog tegenstrijdige adviezen zijn voortgekomen.

3.2.

Dit betekent dat partijen een inhoudelijk debat met elkaar voeren of mogelijk nog voor de rechtbank moeten voeren, ingeleid door een dagvaarding van de kant van verzoekster uitgebracht aan haar zus, thans verweerster. Voor de vraag die hier aan de orde is en wel of de executeur ambtshalve door de rechter moet worden ontslagen heeft dit inhoudelijke debat slechts beperkte betekenis. Voor die vraag is veeleer van belang of de executeur haar taak niet serieus neemt, de belangen van de legitimaris verwaarloost of er indicatie is dat zij tegen beter weten in zichzelf bevoordeelt. De kantonrechter heeft deze omstandigheden niet vast kunnen stellen. Ze zijn in elk geval niet af te leiden uit het bestaan van een inhoudelijk en gemotiveerd verschil van inzicht tussen partijen op enkele juridische geschilpunten, waarover uiteindelijk de rechter in een bodemprocedure het laatste woord moet spreken als hem dat wordt gevraagd. Het feit dat de executeur na advies ingewonnen te hebben van personen die zij voor deskundig houdt en mag houden vasthoudt aan een ander inzicht dan verzoekster, die op haar beurt eveneens advies heeft ingewonnen, maakt niet dat verweerster haar taak als executeur niet integer vervult.

3.3.

Er is niettemin een aspect waarbij het er op lijkt dat de slechte verstandhouding tussen partijen de correcte uitvoering van haar taak als executeur in de weg heeft gezeten en dat is in de eerste plaats het punt van de informatieverschaffing over de prijs waarvoor de woning is verkocht. Het moge zo zijn dat de executeur slechts de taxatiewaarde interessant vindt, maar dat ontslaat haar er niet van jegens de legitimaris volledige opening van zaken te geven waar deze van mening is dat juist alleen de werkelijk gerealiseerde waarde interessant is. Inmiddels is de informatie wel verstrekt en daarmee rechtvaardigt de kwestie niet langer een ingrijpende beslissing als het ontslag van de executeur. Een dergelijke terughoudende of magere informatieverschaffing was ook te zien bij de herberekening van de rente. Nog daargelaten of de executeur bevoegd was de rente te herzien (kortere periode of geen samengestelde rente of wat ook) in elk geval had zij eigener beweging de details en het waarom van de herziening moeten verklaren aan verzoekster en haar niet in de positie brengen dat ze dit zelf maar moest zien uit te rekenen. Op het punt van informatieverschaffing moet de executeur haar taak royaler opvatten dan zij heeft gedaan. Nu ook dit punt inmiddels is opgehelderd (dat betekent niet: is opgelost, maar wel dat de standpunten duidelijk zijn) dient het ontslag van de executeur geen redelijk doel meer.

4.

De slotsom is dat de kantonrechter geen aanleiding ziet om ambtshalve over te gaan tot het ontslag van de executeur.

De beslissing

De kantonrechter:

- verklaart verzoekster niet ontvankelijk in haar verzoek;

- compenseert de kosten van deze procedure in die zin dat iedere partij de eigen kosten draagt.

Aldus gegeven door mr. J.A.O.M. van Aerde, kantonrechter, en uitgesproken in de openbare terechtzitting van 14 januari 2010, in tegenwoordigheid van de griffier.

Tegen deze beslissing kan, behoudens berusting, hoger beroep worden ingesteld binnen drie maanden na de dagtekening van deze eindbeschikking door indiening van een beroepschrift (door een advocaat) ter griffie van het gerechtshof Arnhem, nevenzittingsplaats Leeuwarden (civiele griffie: postbus 1704, 8901 CA Leeuwarden).