Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBZLY:2010:BL0295

Instantie
Rechtbank Zwolle-Lelystad
Datum uitspraak
22-01-2010
Datum publicatie
22-01-2010
Zaaknummer
Awb 09/2119
Rechtsgebieden
Omgevingsrecht
Bijzondere kenmerken
Voorlopige voorziening
Inhoudsindicatie

Geen schorsing verleende aanlegvergunning ten behoeve van bouwrijp maken van plangebied "Oude Mars" te Zwolle.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK ZWOLLE-LELYSTAD

Sector Bestuursrecht, Voorzieningenrechter

Registratienummer: Awb 09/2119

Uitspraak betreffende het verzoek om toepassing van artikel 8:81 van de Algemene wet bestuursrecht

in het geding tussen:

Stichting tot behoud van het landschap rondom boerderij “De Oude Mars”,

gevestigd te Zwolle, verzoekster,

gemachtigde A. Jongenelis

en

het college van burgemeester en wethouders van Zwolle, verweerder,

alsmede

de gemeente Zwolle, derde partij.

1.Procesverloop

Bij besluit van 21 oktober 2009 heeft verweerder aan de derde partij een aanlegvergunning verleend ten behoeve van bouwrijp maken van, de aanleg van (delen van) openbaar gebied en de aanleg van geluidwerende voorzieningen op percelen binnen het plangebied “Oude Mars”.

Tegen dit besluit is namens verzoekster op 30 november 2009 bezwaar gemaakt.

Bij brief van gelijke datum is verzocht om een voorlopige voorziening als bedoeld in artikel 8:81 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb).

Verweerder heeft een verweerschrift ingezonden.

Het verzoek is op 18 januari 2010 ter zitting behandeld.

Verzoekster heeft zich, hoewel daartoe deugdelijk uitgenodigd, niet laten vertegenwoordigen.

Voor verweerder zijn verschenen A.W. voor ’t Hekke en mr. J. van den Berg.

De derde partij heeft zich laten vertegenwoordigen door ing. J. Roeland.

2.Overwegingen

2.1. Ingevolge artikel 8:81 van de Awb kan de voorzieningenrechter van de rechtbank op verzoek een voorlopige voorziening treffen indien onverwijlde spoed, gelet op de betrokken belangen, dat vereist. Nu verweerder te kennen heeft gegeven in januari 2010 met de werkzaamheden te willen aanvangen kan verzoekster een spoedeisend belang niet worden ontzegd.

Voor zover hierbij het geschil in de bodemprocedure wordt beoordeeld, heeft het oordeel van de voorzieningenrechter daaromtrent een voorlopig karakter en is dat niet bindend voor de beslissing in die procedure.

2.2. De voorzieningenrechter zal zich eerst uitlaten over de ontvankelijkheid.

In artikel 2 van de statuten van verzoekster is bepaald dat het doel van de stichting is het ontplooien van activiteiten voor het behoud en de bescherming van het landschap en de omgeving rondom boerderij “de Oude Mars” te Zwolle, een en ander in de ruimste zin van het woord. Gelet op deze statutaire doelstelling kan verzoekster als belanghebbende bij het bestreden besluit worden aangemerkt.

Verweerder heeft gesteld dat verzoekster niet in haar verzoek kan worden ontvangen omdat het verzoek alleen door de voorzitter is ondertekend, terwijl deze niet bevoegd is de stichting alleen te vertegenwoordigen.

Zowel het bezwaarschrift als het verzoek om voorlopige voorziening is alleen door de voorzitter ondertekend.

De rechtbank heeft verzoekster bij brief van 18 december 2009 op het verzuim gewezen en haar in de gelegenheid gesteld het verzuim te herstellen.

Op 23 december 2009 heeft de rechtbank een door de voorzitter en de secretaris ondertekend verzoekschrift ontvangen, zodat sprake is van een ontvankelijk verzoek. Ter zitting is namens verweerder verklaard dat ook wat betreft het bezwaarschrift het verzuim is hersteld.

2.3. Bij de beoordeling van het verzoek gaat de voorzieningenrechter uit van de volgende feiten en omstandigheden.

Op 14 oktober 2009 heeft de derde partij een aanlegvergunning aangevraagd ten behoeve van het bouwrijp maken, aanleg van (delen van) openbaar gebied en de aanleg van geluidwerende voorzieningen binnen het plangebied “Oude Mars”.

Bij de aanvraag is een landschappelijk advies, gedateerd 14 oktober 2009, en een archeologisch advies van 8 oktober 2009, gevoegd.

Op 21 oktober 2009 is de gevraagde aanlegvergunning verleend.

2.4. In artikel 3.16 van de Wet ruimtelijke ordening (Wro) - voor zover van belang - is bepaald dat een aanlegvergunning alleen mag en moet worden geweigerd indien sprake is van strijd met het bestemmingsplan.

De gronden waarop de werkzaamheden zijn gepland liggen binnen de begrenzing van het bestemmingsplan “Oude Mars” en hebben daarin de volgende bestemmingen: “Woondoeleinden W”, “Tuin T”, “Maatschappelijke doeleinden M”, “Verkeersdoeleinden V”, “Verkeers- en verblijfsdoeleinden VV”, “Groenvoorzieningen G”, “Water WA” en de dubbelbestemmingen “Archeologisch waardevol gebied” en “Geluidszone industrieterrein”.

In het bestemmingsplan is bij de bestemming “Groenvoorzieningen G” en de dubbelbestemming “Archeologisch waardevol gebied” een aanlegvergunningenstelsel opgenomen.

Tussen partijen is niet in geding dat voor de werkzaamheden die de derde partij in het plangebied wil gaan uitvoeren een aanlegvergunning noodzakelijk is.

Het bestemmingsplan “Oude Mars” is inmiddels in werking getreden. Verweerder moest de aanvraag om een aanlegvergunning dan ook toetsen aan de voorschriften van dit bestemmingsplan.

Gesteld noch gebleken is dat de planvoorschriften aan het verlenen van een aanlegvergunning van de geplande werkzaamheden in de weg staan.

Verzoekster heeft aangevoerd dat in het bestemmingsplan is vermeld dat in verband met de aanwezigheid van kerkuilen, verschillende vleermuizensoorten en flora een ontheffing op grond van de Flora- en faunawet noodzakelijk is. Aangezien op voorhand niet duidelijk is of deze ontheffing wel kan worden verleend, is de aanlegvergunning voorbarig.

De voorzieningenrechter overweegt dat dit betoog niet kan slagen, nu een aanvraag om een aanlegvergunning ingevolge artikel 3:16 van de Wro niet behoeft te worden getoetst aan de bepalingen van de Flora- en faunawet.

Gezien voorgaande overwegingen kan het bestreden besluit naar verwachting standhouden in de bezwaarprocedure, zodat er voor het treffen van een voorlopige voorziening geen aanleiding is. Het verzoek zal dan ook worden afgewezen.

2.5. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

3.Beslissing

De voorzieningenrechter van de rechtbank

- wijst het verzoek om een voorlopige voorziening af.

Deze uitspraak is gedaan door mr. W.J.B. Cornelissen, voorzieningenrechter, en door deze en mr. P.A.M. Spreuwenberg als griffier ondertekend.

Uitgesproken in het openbaar op 22 januari 2010.

Afschrift verzonden op: