Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBZLY:2010:BL0251

Instantie
Rechtbank Zwolle-Lelystad
Datum uitspraak
22-01-2010
Datum publicatie
22-01-2010
Zaaknummer
Awb 09/2154
Rechtsgebieden
Omgevingsrecht
Bijzondere kenmerken
Voorlopige voorziening
Inhoudsindicatie

Schorsing besluit tot oplegging last huisvesting te beperken tot maximaal 6 clienten.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

RECHTBANK ZWOLLE-LELYSTAD

Sector Bestuursrecht, Voorzieningenrechter

Registratienummer: Awb 09/2154

Uitspraak betreffende het verzoek om toepassing van artikel 8:81 van de Algemene wet bestuursrecht

in het geding tussen:

Stichting De Eik,

gevestigd te Oldenzaal, verzoekster,

gemachtigde: mr. drs. I. E. Nauta,

en

het college van burgemeester en wethouders van Hardenberg,

verweerder.

1.Procesverloop

Bij besluit van 10 november 2009 heeft verweerder verzoekster gelast om vóór 1 januari 2010 de huisvesting met 24-uurs begeleiding en behandeling van haar cliënten te beperken tot maximaal 6 cliënten en binnen anderhalf jaar na verzenddatum van het besluit de huisvesting met 24-uurs begeleiding en behandeling van al haar cliënten – en daarmee de onzelfstandige bewoning – te staken, en zich in de toekomst van dergelijke onzelfstandige huisvesting op het perceel Fluitekruid 27 te Hardenberg, kadastraal bekend gemeente Hardenberg, sectie Z, nummer 2839, te onthouden. Dit houdt in dat verzoekster vanaf 1 januari 2010 maximaal 6 cliënten mag huisvesten op dit perceel. Aan deze last heeft verweerder een dwangsom van

€ 1.000,-- per week verbonden, met een maximum van € 30.000,--.

Tegen dit besluit is bij brief van 10 december 2009 bezwaar gemaakt.

Bij schrijven van dezelfde datum heeft verzoekster een verzoek om voorlopige voorziening als bedoeld in artikel 8:81 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) ingediend.

Dit verzoek is bij brief van 16 december 2009 aangevuld.

Verweerder heeft een verweerschrift ingediend.

Het verzoek is op 14 januari 2010 ter zitting behandeld. Verzoekster is verschenen bij haar gemachtigde, voornoemd, vergezeld door de heren W. de Jong, regiomanager, en R.G.M. Nijhuis, manager facilitaire zaken.

Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door mevrouw P.I. Stronkhorst.

2.Overwegingen

Ingevolge artikel 8:81 van de Awb kan de voorzieningenrechter van de rechtbank op verzoek een voorlopige voorziening treffen indien onverwijlde spoed, gelet op de betrokken belangen, dat vereist.

Voorzover hierbij het geschil in de bodemprocedure wordt beoordeeld, heeft het oordeel van de voorzieningenrechter daaromtrent een voorlopig karakter en is dat niet bindend voor de beslissing in die procedure.

De voorzieningenrechter merkt allereerst op dat zijn voorlopig oordeel zich beperkt tot de last van verweerder om de huisvesting van cliënten vóór 1 januari 2010 te beperken tot maximaal 6. Voor zover het verzoek om voorlopige voorziening betrekking heeft op de last binnen anderhalf jaar de huisvesting van alle cliënten te staken en zich van onzelfstandige huisvesting op het perceel Fluitekruid 27 te onthouden, is de voorzieningenrechter van oordeel dat hieromtrent geen spoedeisend belang aanwezig is, nu verweerder voor het verstrijken van die termijn op het ingediende bezwaar zal hebben beslist.

Verzoekster is bestuurder van een orthopedagogisch centrum waar kinderen en jongeren met een licht verstandelijke handicap met ontwikkelingsproblemen en/of gedragsstoornissen worden behandeld. Hiertoe worden verschillende behandelvormen aangeboden, waaronder 24-uurs begeleiding waarbij het kind wordt opgenomen in een behandelgroep. Op het perceel Fluitekruid 27 is zo’n behandelgroep gevestigd.

In verband met de mogelijke aankoop van Fluitekruid 27 heeft verzoekster verweerder bij brief van 4 oktober 2002 verzocht een intentieverklaring af te geven voor het vestigen van een leefgroep van 6 cliënten op dit adres.

Bij brief van 14 oktober 2002 heeft een ambtenaar van verweerder meegedeeld dat het perceel Fluitekruid 27 ingevolge het geldende bestemmingsplan “Baalderveld-Roeterskamp, Woongebied De Bunders-Zuid” de bestemming ‘Woondoeleinden’ heeft, dat de woonvorm die verzoekster op het oog heeft binnen deze bestemming past en bereidheid bestaat medewerking te verlenen aan het plan om in de woning een leefgroep van 6 kinderen en jongeren met ontwikkelingsproblemen te huisvesten, indien de in deze brief gestelde eisen in acht worden genomen. Tevens is verzocht deze brief te beschouwen als akkoordverklaring en daarmee ook als de gevraagde intentieovereenkomst.

Op 21 december 2004 heeft de raad van de gemeente Hardenberg het bestemmingsplan “Baalder/Baalderveld” vastgesteld. Dit plan is op 19 juli 2005 goedgekeurd door gedeputeerde staten van Overijssel.

In de bij dit bestemmingsplan behorende voorschriften zijn in artikel 16 overgangsbepalingen opgenomen.

De brief van 14 oktober 2002 is gebaseerd op het toentertijd geldende bestemmingsplan. De voorzieningrechter is niet bekend met dit bestemmingsplan, zodat niet getoetst kan worden of de door de ambtenaar die deze brief ondertekend heeft een juiste dan wel onjuiste uitleg heeft gegeven van het toen geldende bestemmingsplan.

Verzoekster is in juli 2003 gestart met de opvang van kinderen in de woning aan het Fluitekruid 27, derhalve voor de inwerkingtreding van het vigerende bestemmingsplan.

De voorzieningenrechter is dan ook van oordeel dat een toetsing aan het overgangsrecht had dienen plaats te vinden. De overgangsrechtelijk situatie is echter niet beschreven en getoetst in het bestreden besluit.

De voorzieningenrechter is evenmin overtuigd van het gestelde dat de vermindering van het aantal cliënten van 7 naar 6 aanzienlijk minder overlast zal geven. Ter zitting is gesteld dat door 7 kinderen meer lawaai gemaakt wordt en meer verkeersbewegingen op Fluitekruid 27 plaatsvinden, doch verweerder heeft dit niet met gegevens onderbouwd.

Daarnaast laat de voorzieningenrechter meewegen dat, zoals ter zitting door de gemachtigde van verzoekster voldoende onderbouwd is aangevoerd, binnen dezelfde woonwijk nog twee gelijksoortige woonvormen voorkomen, waarvan niet duidelijk is of daartegen ook handhavend wordt opgetreden.

Op grond van het voorgaande ziet de voorzieningenrechter aanleiding het verzoek om voorlopige voorziening, voor wat betreft het handhaven van het aantal cliënten per 1 januari 2010 op 7, toe te wijzen en het bestreden besluit in zoverre te schorsen totdat op het bezwaarschrift is beslist.

De voorzieningenrechter ziet aanleiding verweerder te veroordelen in de proceskosten die verzoekster voor de behandeling van het verzoek om voorlopige voorziening heeft moeten maken.

3.Beslissing

De voorzieningenrechter van de rechtbank

-wijst het verzoek om voorlopige voorziening toe, voorzover dit verzoek betrekking heeft op het aantal cliënten per 1 januari 2010;

-schorst het bestreden besluit in zoverre totdat verweerder op het bezwaar van verzoekster heeft beslist;

-veroordeelt verweerder in de proceskosten, tot op heden begroot op € 874,--, te betalen aan verzoekster;

-gelast dat verweerder aan verzoekster het door haar betaalde griffierecht van € 297,-- vergoedt.

Deze uitspraak is gedaan door mr. W.J.B. Cornelissen, voorzieningenrechter, en door deze en Y. van der Zaan-van Arnhem, als griffier, ondertekend. Uitgesproken in het openbaar op

22 januari 2010.

Afschrift verzonden op: