Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBZLY:2010:BL0245

Instantie
Rechtbank Zwolle-Lelystad
Datum uitspraak
22-01-2010
Datum publicatie
22-01-2010
Zaaknummer
Awb 10/11
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Voorlopige voorziening
Inhoudsindicatie

Besluit om illegaal gebruik van voormalige groenvoerdrogerij te staken naar voorlopig oordeel rechtmatig. Afwijzing verzoek voorlopige voorziening.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

RECHTBANK ZWOLLE-LELYSTAD

Sector Bestuursrecht, Voorzieningenrechter

Registratienummer: Awb 10/11

Uitspraak betreffende het verzoek om toepassing van artikel 8:81 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb)

in het geding tussen:

(…),

wonende te Dronten, verzoeker,

gemachtigde mr. M. Schuckink Kool

en

het college van burgemeester en wethouders van Dronten,

verweerder,

gemachtigde mr. W.R. de Vries.

1.Procesverloop

Bij besluit van 6 januari 2010 heeft verweerder verzoeker onder aanzegging van bestuursdwang gelast uiterlijk op vrijdag 15 januari 2010 om 12.00 uur het illegale gebruik van het perceel Dronterweg 29 en de daarop aanwezige opstallen (voormalige groenvoerdrogerij) te staken en daartoe het perceel definitief te verlaten met de door verzoeker aangevoerde inboedel.

Tegen dit besluit is namens verzoeker bij brieven van 6 januari 2010 bezwaar gemaakt en een verzoek om voorlopige voorziening ingediend.

De zaak is op 18 januari 2010 ter zitting behandeld. Verzoeker is in persoon verschenen, bijgestaan door gemachtigde voornoemd. Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. W.R. de Vries, in het bijzijn van mr. A. Deuzeman, H. Dubelaar en G. Topper, ambtenaren in dienst van de gemeente.

2.Overwegingen

Ingevolge artikel 8:81 van de Awb kan de voorzieningenrechter van de rechtbank op verzoek een voorlopige voorziening treffen indien onverwijlde spoed, gelet op de betrokken belangen, dat vereist.

Voor zover hierbij het geschil in de bodemprocedure wordt beoordeeld, heeft het oordeel van de voorzieningenrechter daaromtrent een voorlopig karakter en is dat niet bindend voor de beslissing in die procedure.

Verzoeker bewoont (kraakt) sinds enige weken een gedeelte van het kantoor van de voormalige groenvoerdrogerij op de in rubriek 1 vermelde locatie.

Bij het bestreden besluit heeft verweerder vermeld dat de betrokken percelen gezien aard en ligging geen woonbestemming hebben en evenmin kunnen krijgen. Verder heeft verweerder aangevoerd dat de gebouwen onveilig en zelfs (geheel of gedeeltelijk) bouwvallig zijn. Dit standpunt is nader onderbouwd met een rapport d.d. 11 januari 2010 van de adviseur Brandveiligheid van de Brandweer Flevoland. De betreffende adviseur heeft na een controle op 9 december 2010 geconcludeerd dat sprake is van een verhoogd brandrisico vanwege de zelf aangelegde verwarming en elektriciteit- en gasvoorziening, de bouwvallige staat van het gebouw, de aanwezigheid van asbest, het ontbreken van brand- en rookwerende scheidingen en de staat van ramen en plafonds. Voorts is volgens verweerder sprake van bodem-verontreiniging.

Ingevolge het ter plaatse geldende bestemmingsplan "De Gilden/Lage Vaart en reparatie bestemmingsplan Agrarisch Onderwijs" (hierna: het bestemmingsplan) rust op de percelen de bestemming "Agrarisch nevenbedrijf".

Ingevolge artikel 7, lid 1, van de planvoorschriften zijn de op de kaart als zodanig aangewezen gronden bestemd voor agrarisch aanverwante bedrijven, voor zover deze zijn opgenomen in de van deze voorschriften deel uitmakende staat bedrijfsactiviteiten tot maximaal categorie 3B, alsmede voor agrarisch aanverwante bedrijven die niet meer hinder en overlast voor de woonomgeving opleveren.

Onder agrarisch aanverwant bedrijf wordt ingevolge artikel 1, aanhef en onder 14, van de planvoorschriften verstaan een bedrijf dat uitsluitend of overwegend is gericht op het leveren van diensten aan agrarische bedrijven met behulp van agrarische werktuigen en apparatuur of op het verrichten van werkzaamheden tot onderhoud of reparatie van agrarische werktuigen of apparatuur, of een aan het agrarisch bedrijf verwant bedrijf op de handel, de bewaring en de verwerking van agrarische producten.

Ingevolge artikel 21, lid B, sub 1, van de planvoorschriften is het verboden gebouwen en bouwwerken, geen gebouwen zijnde, anders te gebruiken dan ten dienste van de in deze voorschriften aan de bijbehorende grond gegeven bestemming.

Vaststaat dat verzoeker het betreffende deel van de voormalige groenvoerdrogerij bewoont, wat ingevolge artikel 21, lid B, sub 1, van de planvoorschriften niet is toegestaan. Verweerder is dus in beginsel bevoegd ter zake handhavend op te treden.

Gelet op het algemeen belang dat gediend is met handhaving, zal in geval van overtreding van een wettelijk voorschrift het bestuursorgaan dat bevoegd is om met bestuursdwang of een last onder dwangsom op te treden, in de regel van deze bevoegdheid gebruik moeten maken. Slechts onder bijzondere omstandigheden mag van het bestuursorgaan worden gevergd, dit niet te doen. Dit kan zich voordoen indien concreet zicht op legalisering bestaat. Voorts kan handhavend optreden zodanig onevenredig zijn in verhouding tot de daarmee te dienen belangen dat van optreden in die concrete situatie behoort te worden afgezien.

Van concreet zicht op legalisatie is geen sprake, omdat verweerder niet bereid is op enige wijze ontheffing te verlenen van het bestemmingsplan ten behoeve van het gebruik door verzoeker. Dit standpunt is – gelet op de ter zitting met foto’s verduidelijkte deplorabele toestand van de gebouwen en het brandweerrapport d.d. 11 januari 2010 – naar voorlopig oordeel niet onredelijk. Van een gehoudenheid om op grond van de “toverformule”, artikel 21, lid C, van de planvoorschriften, vrijstelling te verlenen van het bepaalde in artikel 21, lid B, sub 1, is – anders dan verzoeker betoogt – eveneens geen sprake. Volgens vaste jurisprudentie van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State, recentelijk 15 juli 2009 (LJN BJ2635), kan aan de “toverformule” slechts toepassing worden gegeven indien een zinvol gebruik overeenkomstig het geldende bestemmingsplan objectief gezien niet meer mogelijk is. Verweerder heeft gesteld dat gebruik van de percelen in overeenstemming met de bestemming mogelijk is, omdat niet valt in te zien waarom de percelen niet kan worden aangewend ten behoeve van een agrarisch nevenbedrijf. De voorzieningenrechter acht dit standpunt mede gezien de ruime omschrijving van de ter plekke vigerende bestemming, vooralsnog juist.

Hetgeen verzoeker heeft aangevoerd omtrent het belang dat hij heeft bij het kunnen voortzetten van de bewoning levert, mede met het oog op de gebrekkige staat van het gebouw geen bijzondere omstandigheid op, op grond waarvan moet worden afgezien van handhavend optreden. Dat het betreffende perceel eigendom is van de gemeente Dronten doet aan het voorgaande niet af.

Het bestreden besluit is naar voorlopig oordeel derhalve rechtmatig. Het verzoek om voorlopige voorziening wordt om die reden afgewezen. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

3.Beslissing

De voorzieningenrechter van de rechtbank wijst het verzoek om voorlopige voorziening af.

Deze uitspraak is gedaan door mr. W.J.B. Cornelissen, voorzieningenrechter, en door deze en mr. A. Landstra als griffier ondertekend. Uitgesproken in het openbaar op 22 januari 2010.

Afschrift verzonden op: