Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBZLY:2010:BK9210

Instantie
Rechtbank Zwolle-Lelystad
Datum uitspraak
04-01-2010
Datum publicatie
14-01-2010
Zaaknummer
473076 HA 09-378
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Arbeidszaak. Ontbindingsverzoek door werknemer nadat werkgever een ontslagvergunning heeft aangevraagd en na indiening van dit verzoek ook heeft verkregen. Toepassing van de criteria uit het arrest van de Hoge Raad van 11 december 2009 (LJN: BJ9069) leidt tot afwijzing van het verzoek.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
AR-Updates.nl 2010-0033
Prg. 2010, 37
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK ZWOLLE – LELYSTAD

sector kanton – locatie Zwolle

zaaknr. : 473076 HA VERZ 09-378

datum : 4 januari 2010

Beschikking op een verzoek tot ontbinding van de arbeidsovereenkomst

in de zaak van:

[VERZOEKENDE PARTIJ],

wonende te [woonplaats],

eisende partij,

gemachtigde mr. O.C.A. Millaard, advocaat te Zwolle,

tegen

de besloten vennootschap [VERWERENDE PARTIJ] B.V.,

gevestigd te [vestigingsplaats],

gedaagde partij,

gemachtigde mr. D. Kuijken, advocaat te Groningen.

Partijen zullen hierna worden aangeduid als [verzoekende partij] respectievelijk [verwerende partij].

De procedure

De kantonrechter heeft kennis genomen van:

- het verzoekschrift

- het verweerschrift.

De mondelinge behandeling is gehouden op 18 december 2009.

Verschenen zijn:

- [verzoekende partij], bijgestaan door mr. Millaard, voornoemd,

- [verwerende partij], vertegenwoordigd door [P], directeur, bijgestaan door mr. Kuijken

voornoemd.

Het geschil

[verzoekende partij] heeft verzocht om ontbinding van de arbeidsovereenkomst met de [verwerende partij] per 30 januari 2010 onder toekenning van een door de kantonrechter in redelijkheid vast te stellen vergoeding.

[verwerende partij] heeft zich op het standpunt gesteld dat het verzoek dient te worden afgewezen.

Vaststaande feiten

Tussen partijen staat als gesteld en erkend dan wel niet (voldoende) gemotiveerd betwist, mede op grond van de overgelegde en in zoverre niet bestreden bescheiden, het volgende vast:

a. [verzoekende partij], geboren [datum], is vanaf [datum] werkzaam bij (de rechtsvoorganger van) [verwerende partij], laatstelijk in de functie van administratief medewerker logistiek, tegen een salaris van € 2.094,65 bruto per maand.

b. Op 16 september 2009 heeft [verwerende partij] aan het UWV Werkbedrijf toestemming gevraagd om de arbeidsverhouding met [verzoekende partij] te mogen opzeggen. Hangende de behandeling van dat verzoek heeft [verzoekende partij] een verzoek om ontbinding van de arbeidsovereenkomst ingediend. Nadien heeft het UWV de gevraagde toestemming verleend en heeft [verwerende partij] met gebruikmaking daarvan [verzoekende partij] ontslag aangezegd tegen 1 februari 2010.

c. [verwerende partij] heeft aan [verzoekende partij] en andere werknemers in dezelfde situatie een begeleidingstraject aangeboden met inschakeling van een extern bureau. [verzoekende partij] heeft ervan afgezien van die mogelijkheid gebruik te maken en heeft in plaats daarvan het bedrag (€ 1.500,) uitbetaald gekregen, dat anders met die begeleiding gemoeid zou zijn.

Het verzoek

[verzoekende partij] heeft betoogd dat de kantonrechter aan een inhoudelijke beoordeling van zijn verzoek zou moeten toekomen omdat, als dat niet gebeurt, er sprake zou zijn van willekeur. De werkgever, die een dienstverband wil beëindigen, heeft immers de mogelijkheid om te kiezen uit de route via het UWV dan wel de ontbindingsprocedure bij de kantonrechter, terwijl de werknemer, waar het gaat om het verkrijgen van een vergoeding, uitsluitend de weg kan bewandelen van de procedure ex artikel 7:681 BW.

Inhoudelijk heeft [verzoekende partij] aan het verzoek ten grondslag gelegd dat hem een vergoeding behoort te worden toegekend omdat hij na 19 jaar trouwe dienst door het ontslag groot nadeel dreigt op te lopen aangezien hij, gelet op zijn zeer beperkte scholing (LEAO), een slechte positie op de arbeidsmarkt heeft.

Het verweer

[verwerende partij] heeft daartegen aangevoerd, dat het feit dat [verzoekende partij] ontslag is aangezegd zonder vergoeding op zichzelf geen gewichtige reden oplevert en dat overigens door [verzoekende partij] geen argumenten zijn aangedragen die de conclusie rechtvaardigen dat er wel sprake is van een gewichtige reden. Pas als gewichtige redenen moeten worden aangenomen komt de vraag naar een vergoeding aan de orde.

De beoordeling

1.

Op grond van artikel 7:685 BW kan ieder van de partijen zich te allen tijde tot de kantonrechter wenden met het verzoek de arbeidsovereenkomst te ontbinden. Dat verzoek zal dan wel moeten steunen op gewichtige redenen, zijnde dringende redenen als bedoeld in artikel 7:677, lid 1, BW dan wel veranderingen in de omstandigheden, welke van dien aard zijn, dat de arbeidsovereenkomst billijkheidshalve dadelijk of na korte tijd behoort te eindigen.

De opzegging van de arbeidsovereenkomst heeft in beginsel tot gevolg dat die overeenkomst eindigt met ingang van de datum waartegen is opgezegd. De arbeidsovereenkomst duurt derhalve voort tot die datum, hetgeen meebrengt dat deze tot die datum nog ontbonden kan worden op de voet van art. 7:685 BW, indien daartoe grond bestaat. Nu echter de arbeidsovereenkomst als gevolg van de opzegging nog maar een beperkte looptijd heeft, zal de ontbinding slechts voor die beperkte looptijd effect (kunnen) hebben. Dit brengt mee dat voor de toewijsbaarheid van een desbetreffend, op verandering in de omstandigheden gegrond verzoek van de werknemer bepalend is of sprake is van een zodanige verandering in de omstandigheden dat de arbeidsovereenkomst billijkheidshalve op een nog eerder tijdstip dan waartegen is opgezegd, behoort te eindigen. (HR 11 december 2009, LJN BJ9069)

2.

De in artikel 7:685 BW bedoelde veranderingen in de omstandigheden zullen op enigerlei wijze betrekking moeten hebben op de arbeidsverhouding en/of de invulling daarvan. Het achterwege blijven van een vergoeding op het moment dat de arbeidsverhouding eindigt voldoet niet aan die voorwaarde. Volgens de tekst van de wet betreft het immers veranderingen in de omstandigheden die reden opleveren om de arbeidsverhouding te beëindigen, zodat het niet kan gaan om veranderingen in de omstandigheden die zich eerst voordoen op het moment dat de arbeidsverhouding eindigt.

3.

[verzoekende partij] kan niet worden gevolgd in zijn betoog dat de aankondiging van het ontslag zonder vergoeding voor hem zodanige onzekerheid over zijn financiële situatie meebrengt dat daarin door middel van een beslissing van de kantonrechter zo snel mogelijk duidelijkheid moet worden geschapen. Ook dit kan niet worden aangemerkt als een verandering in de omstandigheden als bedoeld in artikel 7:685 BW. De financiële situatie van [verzoekende partij] na zijn ontslag, respectievelijk onzekerheid daarover, is geen aspect van de arbeidsverhouding, noch heeft het daar op enigerlei wijze betrekking op.

4.

Gesteld noch gebleken is dat er sprake is van omstandigheden die maken dat van [verzoekende partij] niet gevergd kan worden dat de arbeidsrelatie blijft voortduren tot de aangezegde ontslagdatum. Dat laat zich ook nauwelijks denken waar de door [verzoekende partij] verzochte ontbindingsdatum een dag eerder ligt dan de ontslagdatum.

5.

[verzoekende partij] heeft in het spoor van de procureur-generaal bij de Hoge Raad, mr. J. Spier, en onder verwijzing naar diens conclusie bij het arrest van de Hoge Raad van 11 december 2009, betoogd dat de werknemer, voor wiens ontslag toestemming is aangevraagd of die al ontslag is aangezegd, wil er geen sprake zijn van willekeur, in staat moet zijn om via een ontbindingsprocedure het oordeel van de kantonrechter in te roepen over de vraag of het terecht is dat het ontslag niet vergezeld zal gaan van een vergoeding. Daarmee wordt de rechter gevraagd een beslissing te geven in strijd met het systeem van de wet en met voorbijgaan van de door de wetgever geformuleerde criteria. Daarmee zou de rechter zijn rechtsvormende taak te buiten gaan. De vraag of de ontslagen werknemer aanspraak kan maken op een vergoeding ter zake van de beëindiging van de arbeidsovereenkomst door de opzegging, dient te worden beantwoord aan de hand van het bepaalde in art. 7:681 BW.

6.

Het vorenstaande leidt tot de conclusie dat het verzoek moet worden afgewezen

7.

[verzoekende partij] zal, als de in het ongelijk gestelde partij, worden veroordeeld in de proceskosten.

De beslissing

De kantonrechter:

- wijst het verzoek af;

- veroordeelt [verzoekende partij] in de proceskosten, tot op heden aan de zijde van [verwerende partij] begroot

op € 400,-.

Aldus gegeven door mr. H.C. Moorman, kantonrechter, en uitgesproken in de openbare terechtzitting van 4 januari 2010, in tegenwoordigheid van de griffier.