Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBZLY:2010:BK7412

Instantie
Rechtbank Zwolle-Lelystad
Datum uitspraak
06-01-2010
Datum publicatie
06-01-2010
Zaaknummer
152052 / HA ZA 08-1480
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Zaak van scholiere die slachtoffer was geworden van een loverboy tegen Zwolse scholengemeenschap.

Volgens de leerlinge heeft de school niet voor een adequaat veiligheids- en absentiebeleid gezorgd waardoor zij slachtoffer is geworden van een loverboy. De scholiere stelt dat de Zwolse scholengemeenschap aldus onrechtmatig heeft gehandeld, en dat zij de door haar geleden schade moet vergoeden.

Volgens de rechtbank ligt verplichting om zorg te dragen voor een minderjarig kind primair bij de ouders.

Op een school rust wel een (ongeschreven) bijzondere zorgplicht voor de gezondheid en veiligheid van de leerlingen. Een school moet zich ervoor inspannen om gevaarlijke situaties te voorkomen of op te heffen.

De rechtbank beantwoordt de vraag of de school in dit geval deze bijzondere zorgplicht heeft geschonden ontkennend.

Anders dan in de zaak bij Landelijke Klachtencommissie onderwijs (die een klacht tegen de school gegrond heeft verklaard) is de school in de procedure bij de rechtbank met meerdere bewijsstukken gekomen over de (al dan niet ongeoorloofde) afwezigheid van de leerlinge. De school heeft verzuimlijsten en aantekeningen van mentoren getoond, waaruit blijkt dat de scholiere in het eerste leerjaar geen enkele keer ongeoorloofd afwezig was. In het tweede schooljaar is zij elf uur ongeoorloofd afwezig geweest waartegen de school is opgetreden. In het derde schooljaar heeft de school contact gezocht met de leerplichtambtenaar omdat de moeder van de scholiere uitermate moeilijk telefonisch te bereiken was op de dagen dat de scholiere ongeoorloofd niet op school was. De scholiere heeft tegen dat alles volgens de rechtbank te weinig ingebracht. Dit geldt ook voor de veiligheidsmaatregelen die de school stelt te hebben genomen, waarbij speciale aandacht is geweest voor loverboy-praktijken. Verder is de leerlinge in de loop van de rechtbankprocedure teruggekomen op haar stelling dat zij vanaf de eerste dag door de loverboy uit de klas werd gehaald.

De vordering van de scholiere wordt afgewezen.

Wetsverwijzingen
Burgerlijk Wetboek Boek 6
Burgerlijk Wetboek Boek 6 162
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
JA 2010/33
ROT 2010/9
RAV 2010, 38
O&A 2010, 68
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

vonnis

RECHTBANK ZWOLLE-LELYSTAD

Sector civiel recht

zaaknummer / rolnummer: 152052 / HA ZA 08-1480

Vonnis van 6 januari 2010

in de zaak van

[eiseres],

wonende te [plaats],

eiseres,

advocaat mr. E.F. Muller,

tegen

DE OPENBARE RECHTSPERSOON

OPENBAAR ONDERWIJS ZWOLLE EN REGIO,

wonende te Zwolle,

gedaagde,

advocaat mr. R.K.E. Buysrogge.

1. De procedure

1.1. Het verloop van de procedure blijkt uit:

- de dagvaarding

- de conclusie van antwoord

- de conclusie van repliek

- de conclusie van dupliek

- de akte overlegging producties

- de antwoordakte.

1.2. Ten slotte is vonnis bepaald.

2. De feiten

2.1. Gedaagde is het bevoegd gezag van de Thorbecke Scholengemeenschap. De Thorbecke Scholengemeenschap is een openbare school voor voortgezet onderwijs als bedoeld in artikel 1 jo 2 van de Wet op het Voortgezet Onderwijs voor vmbo, mavo, havo en atheneum.

2.2. De Thorbecke Scholengemeenschap is gevestigd aan de Dr. van Heesweg nr. 1 te Zwolle. De Thorbecke Scholengemeenschap maakt gebruik van drie gebouwen, waarvan twee gelegen aan de Dr. van Heesweg. Dat zijn het zogenaamde “ondergebouw”, waarin de klassen 1 en 2 les krijgen en het hoofdgebouw. Naast deze gebouwen is het ROC Landstede gevestigd in een gebouw gelegen aan het Dokterspad 2 te Zwolle. Vanaf april 2002 heeft de Thorbecke Scholengemeenschap één etage van het gebouw van ROC Landstede in gebruik voor de huisvesting van de bovenbouw sector VMBO (klas 3 en 4). Met uitzondering dus van de klassen 1 en 2 (onderbouw) en klas 3 en 4 VMBO krijgen alle overige klassen les in het hoofdgebouw.

2.3. Per 1 augustus 2001 werd eiseres, nader te noemen: [eiseres] (geboren op [datum] 1989), ingeschreven als leerling bij de Thorbecke Scholengemeenschap.

2.4. Gedurende het eerste schooljaar (2001-2002) heeft [eiseres] de brugklas 1 TH (theoretische leerweg) in het “ondergebouw” gevolgd. Mentor van die brugklas was mevrouw [A]. Gedurende het tweede schooljaar (brugklas 2) was mevrouw [B] mentor van [eiseres].

2.5. In het derde schooljaar – derde klas VMBO – kreeg [eiseres] (voor het eerst) les in het gebouw van ROC Landstede aan het Dokterspad. De heer [C] was in dat schooljaar mentor van [eiseres].

2.6. In het vierde schooljaar heeft [eiseres] op maandag 22 november 2004 aan mevrouw [D], coördinator leerlingbegeleider sector VMBO bij de school, verteld dat zij op zaterdag of vrijdag (partijen verschillen daarover van mening) daarvoor door 3 of 4 jongens was verkracht. [D] heeft [eiseres] overgehaald om het verhaal aan haar moeder te vertellen. [D] heeft, met toestemming van [eiseres], vertrouwenspersoon de heer [E] geïnformeerd en een afspraak gemaakt bij Stimezo voor het ophalen van een morning-afterpil.

2.7. Vanaf half december 2004 kwam [eiseres] niet meer op school. Op 31 juli 2005 werd zij uitgeschreven als leerling van de Thorbecke Scholengemeenschap.

2.8. Bij klaagschrift van 27 maart 2006 heeft de moeder van [eiseres], mevrouw [moeder van eiseres] op grond van de klachtenregeling van de Thorbecke Scholengemeenschap bij de Landelijke klachtencommissie onderwijs (LKC) een klacht ingediend tegen de heer [F] en de heer [G], respectievelijk algemeen directeur en docent Engels van de Thorbecke Scholengemeenschap, met de volgende inhoud:

“Klaagster klaagt erover dat de Thorbecke Scholengemeenschap geen veilig schoolklimaat aan de leerlingen biedt. Zij wijst er met name op dat haar dochter onder schooltijd en zelfs in de les niet veilig was voor de activiteiten van loverboys, er in de school en in de klas drugs gedeald wordt en er regelmatig vechtpartijen zijn.

Klaagster klaagt er tevens over dat de school een ontoereikend absentiebeleid heeft, waardoor leerlingen langere tijd onopgemerkt (ongeoorloofd) absent kunnen zijn.

Tenslotte klaagt klaagster erover dat de heer [G] haar dochter en andere leerlingen negatief benaderde en zo niet heeft bijgedragen aan het ontwikkelen van een positief zelfbeeld van de leerlingen.”

2.9. Blijkens de overwegingen van de LKC heeft de moeder van [eiseres] tijdens de behandeling van haar klaagschrift door de LKC ondermeer het navolgende naar voren gebracht:

“(…)

Volgens klaagster heeft de school een falend absentiebeleid. Hoewel haar dochter in het tweede en derde jaar veel heeft gespijbeld, is klaagster daar pas later achtergekomen. De mentor dient veelvuldige absentie te signaleren en daarover contact op te nemen met de ouders. Volgens de dochter van klaagster werden de namen van de leerlingen vaak niet gecontroleerd. Briefjes werden door docente vaak niet ingevuld. De klas riep dat iedereen er was en dat werd klakkeloos aangenomen. Als haar dochter ziek was werd er nauwelijks om een (verplichte) door klaagster ingevulde absentieverklaring gevraagd. De algemeen directeur en de afdelingscoördinator hebben in het gesprek met klaagster ook toegegeven dat een leerling geruime tijd afwezig kon zijn voordat dit gesignaleerd werd. Klaagster is goed bereikbaar. Zij is ’s middags en ’s avonds thuis en op haar mobiel altijd bereikbaar. Zij is door school nooit opgebeld over het verzuim van haar dochter. Uiteindelijk ontving zij in het derde schooljaar een brief van de leerplichtambtenaar over het verzuim van haar dochter. Dit was het eerste signaal dat er wat dat betreft iets niet in orde was met haar kind.

(…)”

2.10. De LKC heeft bij uitspraak d.d. 12 juni 2006 de klacht tegen

1. de schooldirecteur over het onveilig schoolklimaat en het ontoereikend absentiebeleid, en

2. de leerkracht over diens negatieve benaderingen van de leerlingen uit klas 3 waaronder de dochter van klaagster

gegrond verklaard en het bevoegd gezag van de Thorbecke Scholengemeenschap onder meer geadviseerd– voor zover thans van belang – “Dat met het oog op de absentieregistratie, de koppeling van gegevens uit de verschillende gespreksvormen naar behoren wordt gerealiseerd”

Hiertoe heeft de LKC onder meer het navolgende overwogen.

In april 2002 moest het VMBO van SG Thorbecke verhuizen naar de locatie aan het Dokterspad te Zwolle. De combinatie met nog twee andere opleidingen in dit gebouw leverde bij aanvang grote veiligheidsproblemen op.

Het is de commissie niet gebleken dat de school, toen zij er eenmaal van op de hoogte was dat zij moest verhuizen naar een andere en moeilijke locatie, preventief plannen ontwikkelde om het ontstaan van problemen in het nieuwe gebouw te voorkomen. Door verweerder is niet weersproken dat in en rond het schoolgebouw van de locatie Dokterspad werd gedeald. Evenmin is weersproken dat, zoals klaagster heeft gesteld, er regelmatig vechtpartijen hebben plaatsgevonden. Verweerder heeft aangegeven dat de school in de aanvangsfase meer dan onevenredig onveilig is geweest. Aan de schoolpoort worden meisjes door vreemden gehaald en later op de dag weer teruggebracht. Pas een jaar nadat de school was ingetrokken in de locatie Dokterspad is de school overgegaan tot het treffen van functionele fysieke maatregelen, waaronder cameratoezicht, het sluiten van bepaalde ingangen en het inlenen van stagiaires (leerlingen) van een school voor uniformberoepen. Beleidsontwikkeling over de loverboy-problematiek had al in een eerder stadium bij school aandacht gekregen.

De Commissie is er niet van overtuigd geraakt dat de school met haar functionele maatregelen zowel in tijd als in doeltreffendheid voldoende heeft gereageerd op het onveilige klimaat rond de school. De Commissie is met nadruk van oordeel dat voor ingebruikname van een nieuwe locatie de handelingen van school gericht dienen te zijn op het aldaar waarborgen van een veilige leeromgeving. Nu dit naar het oordeel van de Commissie niet is gebleken en maatregelen om het tij te keren tamelijk lang op zich lieten wachten is zij van oordeel dat de klacht over het onveilig schoolklimaat van een aantal jaren geleden gegrond is.

Klaagster heeft in haar klacht gesteld dat door falend absentiebeleid haar dochter lange tijd onopgemerkt absent kon zijn. Toen zij in de loop van het 3e schooljaar een brief kreeg van de leerplichtambtenaar werd de omvang van de absentie haar pas duidelijk. De school heeft hier tegenin gebracht dat er duidelijke beleidsregels zijn over verzuim en dat daar steeds naar wordt gehandeld.

De Commissie is van oordeel dat in een kwestie als deze van school verlangd mag worden dat zij gemotiveerd aangeeft welke verzuimcontacten hebben plaatsgevonden. Er zouden notities kunnen zijn van de conciërge die heeft gebeld met de ouders. Er kunnen absentiegegevens verwerkt zijn in handelingsplannen, verslagen van mentoren, leerlingbegeleiders en coördinatoren. Er zouden brieven of e-mails verzonden kunnen zijn naar de ouders, waarmee de school haar inspanningen in de uitvoering van het verzuimbeleid had kunnen aantonen. De school geeft aan dat zij de dochter van klaagster pas vanaf november 2004 in het schoolpreventieteam opnam, terwijl in klas 3 reeds naar aanleiding van zorgen over haar welbevinden een pestproject werd gedraaid, de leerlingbegeleider korte tijd contact met haar onderhield en de leerplichtambtenaar werd ingeschakeld. Deze gaf aan dat de dochter van klaagster geen hulp wenste en een zeer afwerende houding had. Klaagsters dochter trok zich in klas 3 volgens haar mentor steeds meer in zichzelf terug.

De Commissie heeft uit het verweer op geen enkele wijze de overtuiging gekregen dat de school in voldoende mate in contact is getreden met klaagster over het verzuim van haar dochter. Het feit dat veel verzuim van de dochter “gedekt” leek, had voor de school extra aanleiding moeten zijn om met klaagster contact op te nemen over het welzijn van haar dochter.

(…)”

2.11. Bij brief d.d. 12 juni 2006 schrijft het lid van de directieraad van de Thorbecke Scholengemeenschap, de heer [H], namens het bestuur aan het LKC een brief waarin de volgende passages voorkomen:

“(…)

Ik wil u op de hoogte brengen van deze recente ontwikkelingen naar aanleiding van de (onder andere) door de commissie gedane aanbevelingen.

Maar allereerst een ontwikkeling op het terrein, waarop geen aanbeveling was gedaan, namelijk dat van de in het oordeel genoemde docent. De heer [G] heeft zich de uitspraak namelijk erg aangetrokken. Hij betreurde het zeer, dat hij zijn schriftelijk verweer niet zelf ter zitting mocht toelichten van de heer [F] en dat deze verweerder namens de TSG zijn visie zo slecht had verwoord. Hij heeft daarop zelf het initiatief genomen om contact op te nemen met mevrouw [moeder van eiseres] en zij hebben daarbij, naar ik heb begrepen, alle problemen volledig en naar beider tevredenheid uitgepraat. U ontvangt van de heer [G] separaat daarover nog een schrijven. Ik zal deze ontwikkelingen met de nodige interesse volgen.

Dan de wel gedane aanbevelingen: de school is zich er terdege van bewust geworden, dat het gehanteerde absentenregistratiesysteem niet waterdicht was. Nu is dat ook een bijna onmogelijk opgave, maar beter kan het zeker, zowel wat betreft de controle als de pakkans als de administratieve verwerking. De school is mede daarom overgestapt op een ander leerlingadministratiepakket, genaamd Magister. Behalve een verbetering van de registratie zitten de voordelen vooral in het ingebouwde leerlingvolgsysteem en de mogelijkheid om daarmee ook de (standaard)correspondentie met de ouders te genereren en op te slaan.

Een mogelijk volgende stap in dat proces is, dat de docenten digitaal via een PDA hun absenten doorgeven, zodat je op elk moment van de dag kunt constateren welke leerlingen wel of niet aanwezig zijn.

Naast deze administratieve aanpak vraagt absentiebeleid ook een oplettende gedragslijn van medewerkers van de TSG. Onder andere deze klacht heeft ook bij de medewerkers nogmaals het besef geactiveerd dat het kritisch volgen van absentiegedrag van de leerlingen van cruciaal belang is. In diverse (deel)teamvergaderingen is hierover gesproken.

(…)”

2.12. In 2008 is het door [eiseres] geschreven boek getiteld “Echte mannen eten geen kaas” (ISBN [ISBN]) verschenen. Dit boek is door de school ter griffie gedeponeerd. De tekst van de achterflap luidt:

Tot haar eerste dag op de middelbare school is [eiseres] een heel gewoon meisje van twaalf. Ze woont met haar moeder en haar zus in een stad in het oosten van Nederland en wil wel wat meer spanning in haar leven. Of stoer zijn, zoals dat groepje jongens dat rondhangt op het parkeerterrein van de school. Hoe zou het zijn als een van die jongens haar vriendje was? [eiseres]’s fantasie lijkt werkelijkheid te worden: een van hen, [I], spreekt haar aan. Wat ze niet weet, is dat [I] een loverboy is.

Zes jaar later schrijft [eiseres] dit bloedstollende verslag van haar jaren met [I]. De jongens die haar normale jeugd hebben ontnomen en die de meeste mensen kennen als “loverboys”, waren voor haar pooiers, drugs-, wapen- en mensenhandelaars. Geweld, (groeps)verkrachtingen, handel in meisjes, drugssmokkel: [eiseres] heeft veel meegemaakt en gezien en er een authentiek en onthullend verhaal over geschreven. Openhartig vertelt ze over haar tegenstrijdige gevoelens voor [I] en haar strijd om aan hem te ontkomen: fysiek, maar vooral mentaal. Wat [eiseres] heeft meegemaakt is schokkend: hoe ze erop terugkijkt is buitengewoon ontroerend.”

3. Het geschil

3.1. [eiseres] vordert samengevat - veroordeling van gedaagde tot betaling van EUR 73.862,00 (EUR 50.000,00 smartengeld, EUR 1.500,00 wegens kosten gemaakt door de moeder van [eiseres] en EUR 22.362,00 schadevergoeding wegens twee jaar studievertraging), vermeerderd met rente en kosten.

3.2. Gedaagde voert verweer. Op de stellingen van partijen wordt hierna, voor zover van belang, nader ingegaan.

4. De beoordeling

4.1. Kern van het geschil tussen partijen betreft het antwoord op de vraag of gedaagde aansprakelijk is voor het feit dat [eiseres] het slachtoffer is geworden van een loverboy en de schade die daaruit is voortgevloeid.

4.2. De rechtbank stelt voorop dat primair op de ouders de zorg rust voor de opvoeding, verzorging en de verantwoordelijkheid voor het geestelijk en lichamelijk welzijn en veiligheid van hun minderjarige kind.

Artikel 1:247 BW luidt immers:

1. Het ouderlijk gezag omvat de plicht en het recht van de ouder zijn minderjarig kind te verzorgen en op te voeden.

2. Onder verzorging en opvoeding worden mede verstaan de zorg en de verantwoordelijkheid voor het geestelijk en lichamelijk welzijn en de veiligheid van het kind alsmede het bevorderen van de ontwikkeling van zijn persoonlijkheid. In de verzorging en opvoeding van het kind passen de ouders geen geestelijk of lichamelijk geweld of enige andere vernederende behandeling toe.

4.3. Voor wat betreft de zorgplicht van een school heeft te gelden dat in het algemeen gesproken op een school een (ongeschreven) bijzondere zorgplicht rust ten aanzien van de gezondheid en veiligheid van de leerlingen die aan haar zorg zijn toevertrouwd en onder haar toezicht staan. Bij de beoordeling van de vraag of de school haar zorgplicht heeft geschonden, dient te worden gelet op alle omstandigheden van het geval. Hierbij komt het met name aan op het antwoord op de vraag of er voldoende en passende voorzorgsmaatregelen zijn getroffen ter voorkoming of beperking van situaties die de gezondheid en veiligheid van de leerlingen in gevaar brengen. Van een school mag worden verwacht dat zij, binnen de mogelijkheden die haar ten dienste staan, het nodige zal doen om gevaarlijke situaties zoveel mogelijk te voorkomen of op te heffen. Deze bijzondere zorgplicht is een inspanningsverplichting en geen resultaatsverbintenis.

Deze bijzondere zorgplicht gaat evenwel niet zover dat steeds op iedere leerling continue toezicht wordt gehouden, zodanig dat elke onregelmatigheid direct wordt opgemerkt en direct kan worden ingegrepen.

Anders dan [eiseres] betoogt dient zij te stellen en bij betwisting te bewijzen in welk opzicht de Thorbecke Scholengemeenschap in de bijzondere zorgplicht is tekortgeschoten.

Anders dan [eiseres] heeft gesteld is de rechtbank van oordeel dat het enkele feit dat [eiseres] het slachtoffer is geworden van een loverboy niet voldoende is om de aansprakelijkheid van de Thorbecke Scholengemeenschap – behoudens door gedaagde te leveren tegenbewijs – aan te nemen.

4.4. [eiseres] legt – samengevat - aan haar vordering ten grondslag dat de Thorbecke Scholengemeenschap heeft verzuimd zorg te dragen voor een adequaat veiligheids- en absentiebeleid wat er toe heeft geleid dat zij slachtoffer is geworden van een loverboy. Als gevolg hiervan heeft zij schade geleden.

Ter onderbouwing stelt [eiseres] dat zij gedurende het eerste schooljaar is begonnen met spijbelen. Zij wordt met enige regelmaat uit de klas gehaald door een zekere A.K. die naar later blijkt een “loverboy” is. A.K. volgt een opleiding op een andere school (ROC Landstede). De Thorbecke Scholengemeenschap heeft één etage van het gebouw van ROC Landstede in gebruik (zie 2.2). Het komt regelmatig voor dat [eiseres] zonder dat haar moeder dat weet ’s ochtends niet naar school gaat, maar naar Rotterdam waar zij onder leiding van de loverboy wordt misbruikt. Zij keert tegen de avond terug waardoor het lijkt alsof zij die dag op school is geweest hetgeen niet het geval is. Deze praktijken zetten zich in de volgende schooljaren voort. De wettelijk vertegenwoordiger/moeder van [eiseres] wordt van het ongeoorloofde verzuim door de school niet in kennis gesteld. Bovendien is niet gebleken dat de schooldirecteur de afwezigheid tijdig bij de leerplichtambtenaar heeft gemeld.

[eiseres] onderbouwt haar stellingen voorts met verwijzing naar hetgeen de LKC heeft overwogen en beslist (zie 2.10).

4.5. Voorts stelt [eiseres] dat de Leerplichtwet de codificatie is van het recht op onderwijs. Door niet naleving van die wet door de schoolleiding is aan [eiseres] onderwijs onthouden. Hierdoor heeft zij een leerachterstand opgelopen. Voorts lijdt zij aan een posttraumatisch stresssyndroom en depressie. Zij verwijst daartoe naar de in het geding gebrachte diagnose d.d. 14 november 2005 van het Riagg Zwolle. Zij is lijdende aan een laag zelfbeeld, heeft weinig eigenheid en is sterk beïnvloedbaar.

4.6. Gedaagde benadrukt in haar verweer dat het gegrond verklaren van de klacht door de LKC in belangrijke mate te wijten is aan het feit dat de Thorbecke Scholengemeenschap zich niet adequaat en optimaal heeft verweerd in de klachtenprocedure. Zo heeft de Thorbecke Scholengemeenschap bijvoorbeeld nagelaten de absentieregistratie over te leggen en heeft zij stellingen van de moeder van [eiseres] die aantoonbaar onjuist zijn, ten onrechte niet betwist. Bij de beoordeling in de onderhavige zaak moet dan ook worden uitgegaan van de feiten zoals die in deze procedure komen vast te staan.

4.7. Gedaagde heeft uitvoerig en onderbouwd betwist dat de Thorbecke Scholengemeenschap aan – het door haar in haar conclusie van antwoord uiteengezette – absentiebeleid niet naar behoren uitvoering heeft gegeven en dat zij heeft gehandeld in strijd met de Leerplichtwet. Zij stelt daartoe dat ingevolge artikel 2 Leerplichtwet degene die het gezag over een jongere uitoefent, en degene die zich met de feitelijk verzorging van een jongere heeft belast, verplicht zijn te zorgen dat de jongere als leerling is ingeschreven en deze school na inschrijving geregeld bezoekt. Primair rustte aldus op de moeder van [eiseres] de wettelijke verplichting toe te zien op regelmatig schoolbezoek door haar dochter. Aan de voorwaarden voor het verplicht in kennisstellen van de leerplichtambtenaar als bedoeld in artikel 21 Leerplichtwet werd niet voldaan. Er is immers geen sprake geweest van ongeoorloofd verzuim op drie achtereenvolgende schooldagen dan wel van ongeoorloofd verzuim gedurende een periode van vier opeenvolgende lesweken van meer dan 1/8 deel van het aantal lesuren. Niettemin heeft de Thorbecke Scholengemeenschap gemeend in het schooljaar 2003-2004 de leerplichtambtenaar in te moeten schakelen.

Voorts stelt gedaagde dat de Thorbecke Scholengemeenschap heeft getracht [eiseres] zoveel mogelijk te begeleiden.

Ter onderbouwing van haar stellingen en verweren op dit punt heeft gedaagde het navolgende naar voren gebracht.

4.8. In het eerste jaar werd [eiseres] door haar mentor extra in de gaten gehouden en begeleid omdat ze geen goede huiswerkaanpak had. In het betreffende schooljaar heeft een aantal gesprekken plaatsgevonden tussen haar mentor mevrouw [A] en de moeder van [eiseres]. Deze gesprekken gingen met name over de matige studieresultaten van [eiseres]. Ook heeft [eiseres] een aantal gesprekken gevoerd met mevrouw [J], werkzaam bij Bureau Jeugdzorg Overijssel en lid van het zogenoemde “preventieteam” van de school. De gesprekken met Bureau Jeugdzorg zouden in het bijzonder gaan over de slechte relatie tussen [eiseres] en haar moeder. Over contact met een loverboy heeft [eiseres] niet gesproken. In het betreffende schooljaar was [eiseres] 56 uur geoorloofd ziek en 1 uur geoorloofd absent. Gedaagde verwijst hiertoe naar een uitdraai van de absentieregistratie die zij als productie in het geding heeft gebracht.

4.9. Gedaagde stelt dat [eiseres] in brugklas 2, blijkens uitdraai van de absentieregistratie die zij heeft overgelegd, 31 uur geoorloofd absent en 11 uur ongeoorloofd absent was. Op de dagen dat de toenmalige mentor van [eiseres], mevrouw [B], les gaf is [eiseres] slechts één keer absent geweest. Conform het absentiebeleid van de school heeft mevrouw [B] [eiseres] daarop aangesproken en bovendien teamleider de heer [K] geïnformeerd. Op de dag dat [eiseres] absent was bleek haar moeder telefonisch niet bereikbaar. Uit de als productie overgelegde agendanotities en verklaring van mevrouw [B] blijkt ook dat de moeder van [eiseres] door [K] in kennis is gesteld van de ongeoorloofde absentie en dat de lestijd door [eiseres] dubbel is ingehaald op een aantal middagen in de meldkamer.

4.10. Ook in het derde schooljaar heeft volgens gedaagde een aantal gesprekken plaatsgevonden tussen de mentor van [eiseres], de heer [C], en haar moeder. In deze gesprekken werd de moeder van [eiseres] geïnformeerd over het feit dat haar dochter zich in de klas nogal terugtrok. Op 2 oktober 2003 heeft mevrouw [D] een gesprek gehad met [eiseres]. In dat gesprek vertelde [eiseres] dat zij zich door een grote groep leerlingen uit de klas gepest voelde. [D] heeft daarop in overleg met [eiseres] en [C] besloten dezelfde week een zogenoemd pestproject te draaien. In de daarop volgende periode heeft [D] regelmatig contact met [eiseres] gehad. Overigens betrof het een zeer moeilijke klas. Om tot verbetering van het gedrag van de groep leerlingen te komen heeft de Thorbecke Scholengemeenschap in december 2003 de hulp ingeschakeld van orthopedagoog mevrouw [L] van het Orthopedisch Didactisch Centrum. Hierdoor verbeterde het gedrag van de groep enigszins. Gedaagde wijst op een door haar overgelegde verklaring van [C] waarin staat dat [eiseres], ten opzichte van de andere leerlingen, niet buiten proportioneel vaak absent was. Gedaagde verwijst voorts naar de overgelegde absentieregistratie waaruit blijkt dat [eiseres] gedurende het betreffende schooljaar 6 keer te laat, 15 uur geoorloofd absent, 29 uur ongeoorloofd absent, 71 uur geoorloofd ziek en 25 uur geoorloofd ziek (naar huis) was. Bij brief van 12 februari 2004 heeft de school de moeder van [eiseres] in kennis gesteld van het feit dat [eiseres] herhaaldelijk te laat in de les kwam. De moeder van [eiseres] heeft geen gehoor gegeven aan het verzoek van de school om daarover te komen praten. Voorts bleek het uitermate moeilijk om de moeder van [eiseres] telefonisch te bereiken op de dagen dat [eiseres] ongeoorloofd niet op school was. Vanwege de slechte bereikbaarheid van de moeder van [eiseres] heeft de Thorbecke Scholengemeenschap zich genoodzaakt gezien de leerplichtambtenaar in te schakelen. De leerplichtambtenaar heeft de moeder van [eiseres] schriftelijk in kennis gesteld van het verzuim van haar dochter.

4.11. In het vierde schooljaar was de sfeer in de klas inmiddels zodanig verbeterd dat er geen klachten meer kwamen van leerlingen of docenten, zo stelt gedaagde. Mevrouw [D] heeft de begeleiding van [eiseres] voortgezet. Op 22 november 2004 heeft [eiseres] aan [D] gemeld dat ze op zaterdag was verkracht (zie 2.6).

Op dinsdag 23 november heeft [D] gesproken met de moeder van [eiseres]. In dat gesprek vertelde de moeder van [eiseres] dat zij altijd al moeilijk contact kon krijgen met [eiseres] en dat zij er van op de hoogte was dat [eiseres] al vanaf haar 13e jaar seksuele contacten had. De moeder van [eiseres] vertelde ook dat zij ([eiseres]) veel steun kreeg van een “huisvriend”.

Rond februari 2005 werd het de Thorbecke Scholengemeenschap duidelijk dat A.K. de “huisvriend” was. Omdat hij zou behoren tot de groep jongens die [eiseres] belaagde, heeft de Thorbecke Scholengemeenschap in overleg met de heer [M], coördinator loverboys van de recherche Zwolle, alle conciërges, waaronder ook de conciërges werkzaam bij ROC Landstede, opgedragen A.K. de toegang tot het gebouw te weigeren.

Blijkens de absentieregistratie was [eiseres] tot 14 december 2004, omstreeks welke datum zij niet meer op school kwam, 2 keer te laat, 8 keer ziek naar huis gegaan, 39 uur ziek gemeld, 16 uur geoorloofd absent en 4 uur ongeoorloofd absent.

4.12. Naar het oordeel van de rechtbank heeft [eiseres] de door gedaagde gestelde feiten aangaande haar afwezigheid en de registratie van haar absentie niet voldoende bestreden, wat gelet op de gemotiveerde en met stukken onderbouwde stellingen van gedaagde wel op haar weg had gelegen. [eiseres] heeft in dit verband weliswaar (wederom) verwezen naar wat de Thorbecke Scholengemeenschap bij de klachtencommissie heeft aangevoerd, doch zij kon hiermee niet volstaan nu gedaagde, anders dan ten tijde van de behandeling van de klacht, in deze procedure wel verzuimlijsten en aantekeningen van (acties van) mentoren heeft geproduceerd.

Meer in het bijzonder heeft gedaagde onweersproken gesteld dat [eiseres] in het eerste schooljaar geen enkele keer ongeoorloofd absent is geweest. Voor wat betreft het tweede schooljaar heeft gedaagde onweersproken gesteld dat [eiseres] gedurende het gehele schooljaar in totaal 11 uur ongeoorloofd absent is geweest en dat [eiseres] – conform het beleid van de Thorbecke Scholengemeenschap - door de coördinerend leerlingenbegeleider daarop is aangesproken en de lessen heeft moeten inhalen.

De rechtbank gaat voorbij aan de betwisting van [eiseres] dat de Thorbecke Scholengemeenschap in het derde schooljaar de leerplichtambtenaar heeft ingeschakeld nu de stelling van gedaagde op dit punt immers wordt ondersteund door wat haar moeder blijkens de overwegingen van de LKC in de uitspraak van 12 juni 2006 ten tijde van de behandeling van het klaagschrift door de LKC, naar voren heeft gebracht (zie 2.9).

[eiseres]’s (herhaalde) stellingen dat zij veelvuldig ongeoorloofd heeft verzuimd, wat de Thorbecke Scholengemeenschap niet aan de moeder zou hebben gerapporteerd, en dat het absentiebeleid door de Thorbecke Scholengemeenschap niet werd nageleefd, heeft zij derhalve niet voldoende onderbouwd.

4.13. Gedaagde heeft in haar conclusie van antwoord uitvoerig het beleid van de Thorbecke Scholengemeenschap ten aanzien van de algemene veiligheid uiteengezet. Zij verwijst daartoe naar hetgeen de Thorbecke Scholengemeenschap daarover in haar schoolgidsen heeft opgenomen en voor wat betreft de uitvoering van dit beleid stelt zij dat de fietsenstalling, het parkeerterrein, het buitenverblijf en de entrees van de school zijn voorzien van bewakingscamera’s. Daarnaast wordt toezicht gehouden door de conciërges van de Thorbecke Scholengemeenschap. In lijn met haar beleid om te streven naar een veilig schoolklimaat, heeft de Thorbecke Scholengemeenschap in 2003 een aantal extra veiligheidsmaatregelen getroffen. Dit hing samen met de omstandigheid dat enige tijd na de ingebruikname van de tweede verdieping van het gebouw van ROC Landstede door de bovenbouw van het VMBO, onder de docenten en leerlingen een gevoel van onveiligheid was ontstaan. De Thorbecke Scholengemeenschap heeft daarop actie ondernomen door in overleg met ROC Landstede te treden en een commissie Veiligheid in het leven te roepen bestaande uit vertegenwoordigers van beide scholen. De betreffende commissie is vervolgens met concrete voorstellen ter verbetering van de veiligheid gekomen, hetgeen heeft geresulteerd in het treffen van een aantal ingrijpende voorzieningen en aanpassingen. Zo zijn in en om het gebouw van ROC Landstede beveiligingscamera’s geplaatst. Er is in plaats van drie leerlingingangen, één leerlingingang gecreëerd. Bovendien is een rechtstreeks toegangspad gemaakt naar de hoofdingang van het hoofdgebouw van de Thorbecke Scholengemeenschap en wordt vanaf september 2003, naast de gebruikelijke surveillance door de conciërges, ook gesurveilleerd door stagiaires van het Lyceum van Uniformberoepen en wordt er gebruik gemaakt van videobewaking.

4.14. Voorts stelt gedaagde dat naast genoemde veiligheidsmaatregelen het beleid van de Thorbecke Scholengemeenschap ook het tegengaan van pesten omvat en dat er uitgebreid aandacht wordt besteed aan de gevaren van internet en internetpedofilie. In de derde klas van het VMBO verzorgen de mentoren de lessenserie “Internetpedofilie”. Bovendien wordt door de Thorbecke Scholengemeenschap veel gedaan aan preventie in het kader van het fenomeen loverboy. Vanaf 2001 komt Het Scharlaken Koord te Amsterdam (een maatschappelijke organisatie die zich bezighoudt met straatwerk, preventie, voorlichting en maatschappelijke hulpverlening rond prostitutie) jaarlijks elke 3 VMBO-klas voorlichting geven over het fenomeen loverboy. Daarnaast wordt voor alle leerlingen van de Thorbecke Scholengemeenschap jaarlijks een interactieve theatervoorstelling georganiseerd door Klassekunst (een professionele theatergroep die speciaal voor scholen voorstellingen en workshops maakt) waarin specifiek aandacht wordt besteed aan loverboys. In de vierde klas VMBO wordt door de Thorbecke Scholengemeenschap bij wijze van voorlichting en preventie de televisiefilm “Loverboy”vertoond. Daarnaast wordt groepsgewijs het zogenoemde Loverboyspel gespeeld.

4.15. Gedaagde betwist de stelling van [eiseres] dat “aan de schoolpoort meisjes door vreemden gehaald en later op de dag werden teruggebracht” als zou (constant en veelvuldig) sprake zijn geweest van loverboy-praktijken rondom de school en als zou de Thorbecke Scholengemeenschap – op de hoogte van de gesuggereerde situatie – hebben nagelaten daarop actie te ondernemen. In dit verband stelt gedaagde dat de Thorbecke Scholengemeenschap naast de reeds bestaande veiligheidsmaatregelen en de door de Thorbecke Scholengemeenschap geïmplementeerde preventieprogramma’s de conciërges en de stagiaires van het Lyceum van Uniformberoepen heeft gevraagd alert te zijn op de aanwezigheid van verdachte auto’s rond de school. Deze concreet door de Thorbecke Scholengemeenschap getroffen maatregel heeft ertoe geleid dat een paar keer nummerborden zijn genoteerd waarvan ook direct melding werd gemaakt bij de zedenpolitie Zwolle. Deze wijze van toezicht houden is ook adequaat gebleken. De Thorbecke Scholengemeenschap heeft twee keer waargenomen dat een leerling in een auto is gestapt waarvan het vermoeden bestond dat mogelijk sprake was van loverboy-praktijken. In één van de twee gevallen bleek daadwerkelijk sprake te zijn van onverantwoord gedrag en is in overleg met de ouders van de betrokken leerling tot een passende oplossing gekomen.

4.16. Voorts heeft gedaagde gemotiveerd betwist dat [eiseres] uit de klas zou zijn gehaald door A.K. Alle brugklassen krijgen les in een apart en uitsluitend voor de onderbouw bedoeld gebouw (zie 2.2). Dit gebouw heeft een eigen fietsenstalling en een eigen ingang met een ruimte voor de conciërge die toezicht houdt. Het is ondenkbaar en nooit voorgekomen dat een conciërge of een docent A.K. zou hebben toegelaten tot het betreffende gebouw, laat staan tot een klaslokaal en bovendien zou hebben toegestaan dat [eiseres] de les met de betreffende persoon zou hebben verlaten. Pas in de derde klas VMBO, schooljaar 2003-2004, kreeg [eiseres] les in het gebouw aan Dokterspad 2 op de tweede etage (zie 2.5). De door de Thorbecke Scholengemeenschap in gebruik genomen tweede etage heeft een eigen toegangsruimte waar een conciërge, iemand van de administratie, twee sectordirecteuren en de leerlingbegeleider zitten die bovendien de (eigen) leerlingen kennen. Er was – ook in de periode dat [eiseres] daar les had – derhalve goed zicht op degenen die de betreffende etage betraden waardoor anderen dan eigen leerlingen niet zomaart binnen konden komen, laat staan zouden worden toegelaten tot het klaslokaal.

4.17. [eiseres] heeft de gemotiveerde en met producties gestaafde stellingen van gedaagde aangaande het veiligheidsbeleid van de Thorbecke Scholengemeenschap en wat deze doet om te voorkomen dat leerlingen in handen komen van loverboys slechts in algemene termen weersproken, met een herhaling van stellingen. Zij komt terug op haar stelling dat zij vanaf de eerste dag door de loverboy uit de klas werd gehaald. Dat vond wel plaats vanaf het begin van het schooljaar 2003/2004 in het gebouw aan het Dokterspad. Zij stelt bij repliek dat het eerste contact met de loverboy is gelegd op de fietsroute langs de parkeerplaats. Zij stelt dat de Thorbecke Scholengemeenschap de leerlingen dient te beschermen tegen contact met kwaadwilligen. Indien dit contact wordt gelegd is de gedaagde aansprakelijk.

Uit niets blijkt op welke wijze de Thorbecke Scholengemeenschap in de jaren vanaf 2001 het in de schoolgidsen en het schoolplan geformuleerde algemeen beleid ten aanzien van de veiligheid heeft ingevuld en gehandhaafd. Ook blijkt uit niets dat de Thorbecke Scholengemeenschap maatregelen heeft getroffen teneinde loverboys of ander personen die niets met de Thorbecke Scholengemeenschap te maken hadden van het schoolterrein of toegangswegen te weren, aldus [eiseres].

4.18. De betwisting van [eiseres] gaat voorbij aan de door gedaagde gestelde en uitvoerig onderbouwde en met producties gestaafde maatregelen die de Thorbecke Scholengemeenschap heeft genomen teneinde de veiligheid van haar leerlingen te waarborgen. Naar het oordeel van de rechtbank heeft [eiseres] tegen de achtergrond van hetgeen gedaagde ten verwere heeft aangevoerd onvoldoende onderbouwd dat de Thorbecke Scholengemeenschap onvoldoende veiligheidsmaatregelen heeft genomen.

4.19. Samenvattend komt de rechtbank tot het oordeel dat, gelet op het bovenstaande, [eiseres] onvoldoende heeft onderbouwd dat de school haar in rechtsoverweging 4.3 omschreven bijzondere zorgplicht ten aanzien van [eiseres] heeft geschonden als gevolg waarvan [eiseres] het slachtoffer is geworden van een loverboy. Van een onrechtmatig handelen door de school is dus geen sprake.

De eindconclusie is dat de vordering moet worden afgewezen.

4.20. [eiseres] zal als de in het ongelijk gestelde partij in de proceskosten worden veroordeeld. De kosten aan de zijde van de school worden begroot op:

- vast recht EUR 1.625,00

- salaris advocaat 2.235,00 (2,5 punt × tarief EUR 894,00)

Totaal EUR 3.860,00

5. De beslissing

De rechtbank

5.1. wijst de vorderingen af,

5.2. veroordeelt [eiseres] in de proceskosten, aan de zijde van gedaagde tot op heden begroot op EUR 3.860,00,

5.3. verklaart dit vonnis wat betreft de kostenveroordeling uitvoerbaar bij voorraad.

Dit vonnis is gewezen door mr. M.H.S. Lebens-de Mug, mr. M. Zomer en mr. J. van der Hulst en in het openbaar uitgesproken op 6 januari 2010.