Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBZLY:2009:BP7387

Instantie
Rechtbank Zwolle-Lelystad
Datum uitspraak
08-07-2009
Datum publicatie
11-03-2011
Zaaknummer
143202 - HA ZA 08-348
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Wanprestatie dan wel onrechtmatige daad; schadevergoeding.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

vonnis

RECHTBANK ZWOLLE-LELYSTAD

Sector civiel recht

zaaknummer / rolnummer: 143202 / HA ZA 08-348

Vonnis van 8 juli 2009

in de zaak van

1. de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid

[B] B.V.,

gevestigd te [woonplaats],

2. de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid

[C] B.V.,

gevestigd te [woonplaats],

eiseressen in conventie,

verweerders in reconventie,

advocaat mr. J.M. Rommes,

tegen

[A],

wonende te [woonplaats],

gedaagde in conventie,

eiser in reconventie,

advocaat mr. R.K.E. Buysrogge.

Partijen zullen hierna ook [B] c.s. en [A] genoemd worden.

1. De procedure

1.1. Het verloop van de procedure blijkt uit:

- de dagvaarding

- de conclusie van antwoord

- de conclusie van repliek

- de conclusie van dupliek.

1.2. Ten slotte is vonnis bepaald.

2. De feiten

in conventie en reconventie

2.1. [C] BV is een vennootschap waarin mr. [mr. D] ([mr.D]) sinds 1998 als advocaat zijn praktijk uitoefende. Enig aandeelhouder van [C] BV is [B] BV. Enig aandeelhouder van [B] BV is [mr D].

2.3. Medio 2007 heeft [mr D] via een intermediair en via een website zijn praktijk en aandelen in [C] BV te koop aangeboden. [A] heeft hierop gereageerd, waarop [mr. D] en [A] in overleg zijn getreden.

2.4. [A] is in de periode van 1980 tot 2000 advocaat geweest. Ten tijde van de onderhandelingen en het sluiten van de overeenkomst was hij niet beëdigd als advocaat.

Uit de verordeningen van de Nederlandse Orde van Advocaten volgt dat aandeelhouders en bestuurders van een advocatenpraktijk beëdigd advocaat moeten zijn.

2.5. Op 9 augustus 2007 hebben partijen een koopovereenkomst gesloten, waarbij [A] de koper en [B] BV de verkoper is. De overeenkomst vermeldt onder meer:

“1.1

Verkoper verklaart hierbij aan Koper te hebben verkocht, (…), 100% van de aandelen in het kapitaal van de besloten vennootschap [C] BV. Koper koopt van [B] BV alle aandelen van [C] BV. De verkoopprijs bedraagt EUR 1,00.

1.2.

De notariële levering van de aandelen aan Koper of een nader aan te wijzen derde, zal plaatsvinden zodra Koper of die nader aan te wijzen derde over die hoedanigheid beschikt om, conform de regels van de Orde van Advocaten, eigenaar te kunnen zijn van een advocatenkantoor en dus kort nadat Koper of de door hem aan te wijzen derde als advocaat zal zijn ingeschreven op het tableau. (…)

(…)

3.1.

Tot en met 31 augustus 2007 wordt de onderneming binnen [C] BV gedreven voor rekening en risico van [B] BV en vanaf 1 september 2007 voor rekening en risico van koper;

4.1.

[C] BV dient al haar schulden aan [B] BV af te lossen op de wijze zoals verwoord in de aan deze overeenkomst gehechte bijlage. Voor zover nu ingeschat wordt, bedraagt die schuld EUR 50.695 en voorts dient [C] BV aan Verkoper een managementvergoeding te betalen van ongeveer EUR 90.000,00. Het exacte bedrag aan managementvergoeding zal uiterlijk voor 31 augustus 2007 aan [C] BV worden gefactureerd.

5.1

Aan deze overeenkomst is een bijlage gehecht die als integraal onderdeel van deze overeenkomst beschouwd dient te worden. (…)

(…)

7.

Partijen doen over en weer afstand van het recht om ontbinding van deze overeenkomst te vorderen, dan wel in- of buiten rechte deze overeenkomst te vernietigen c.q. nietig te (doe) verklaren.”

2.7. In de bijlage is onder meer vermeld:

“1.

Als koopsom voor de aandelen is een bedrag van EUR 1,00 overeengekomen. Deze koopsom is samengesteld uit de hierna gespecificeerde posten minus de schuld van EUR 50.695,00 van [C] BV en minus de (nog nader vast te stellen) verschuldigde managementvergoeding van ongeveer EUR 90.000,00.

De overnamesom van EUR 1,00 is als volgt bepaald:

(…)

Per saldo dus (EUR 169.925,00 minus EUR 30.338,00 =) EUR 139.587,00.

Van het totaalsaldo van EUR 139.587,00 wordt EUR 50.695,00 aangewend voor aflossing van de schuld aan Beheer BV en het restant van ongeveer EUR 90.000,-- wordt aangewend voor de betaling van de managementvergoeding. De waarde van de aandelen per 1 september is dan dus dat het bedrag van EUR 1,00.(…).

(…)

3.

Als betaling op deze twee schulden ontvangt Beheer BV de openstaande debiteuren (naar schatting 75.000,00 incl BTW), de uren augustus (naar schatting 25.000,00 ex BTW), de toevoegingen (naar schatting 10.000,00 ex BTW) en de uren inzake [E] (naar schatting 30.000,00 ex BTW) en dat is dan in totaal EUR 140.000,00. Deze bedragen zijn op het moment van tekenen van deze overeenkomst reële aannames en zullen nog nader exact worden vastgesteld. Een aanpassing van deze bedragen hetzij naar boven, hetzij naar beneden, is voor rekening en risico van Beheer BV en de verschuldigde managementvergoeding zal hieraan worden aangepast.

(…)

5.

Er wordt geen goodwill betaald vanwege het feit dat [mr. D] een aantal dossiers (die uitsluitend betrekking hebben op onroerend goed) meeneemt naar zijn nieuwe kantoor en ook zijn bestaande cliënten mag blijven bedienen maar dan wel enkel en alleen daar waar het om vastgoed gerelateerde zaken gaat.

6.

Uitgangspunt is dat alles zoveel mogelijk blijft zoals het is. De bankrekening met nummer [nummer ], met de daaraan gekoppelde kredietfaciliteit blijft achter in Advocaten BV. De verkoper blijft, (…) wel gemachtigd over deze rekening alsook over de zogenaamde derdenrekening (…) en is toegestaan betalingen die aan Beheer BV toekomen, zelf over te maken op de rekening van Beheer BV. Uiteraard zal aan [A] iedere overboeking gemeld worden. Op die manier zullen stukje bij beetje eerst de vorderingen van Beheer BV op Advocaten BV worden betaald.

7.

Het saldo van de bankrekening met nummer [nummer] zal per 1 september 2007 EUR 0,00 dienen te zijn.

(…)

17.

[A] dient er voor zorg te dragen dat er altijd voldoende saldo aanwezig is waardoor de door Advocaten BV ontvangen bedragen daadwerkelijk doorgestort kunnen worden op de rekening van Beheer BV.

18.

[A] is het niet toegestaan de debiteuren, wiens betalingen op grond van deze overeenkomst als betaling op haar vorderingen aan [B] toekomen, te laten betalen op een andere bankrekening dan die met nummer [nummer ] of eventueel de derdenrekening met nummer [nummer2] dan wel handelingen te verrichten als gevolg waarvan het incasseren van de betalingen op de vorderingen van [B] BV wordt bemoeilijkt. Voor zover in de contractuele verplichtingen tekortgeschoten is, is de Advocaten BV gehouden het daardoor ontstane tekort direct op de bankrekeningen met de nummers [nummer ] en [nummer2] aan te vullen en bij gebreke van directe aanvulling rust die plicht tot directe aanvulling op [A]. In geval van een faillissement of surseance van betaling van [C] BV is [A] hoofdelijk aansprakelijk voor het dan nog aan Beheer BV op grond van deze overeenkomst toekomende bedrag.”

2.8. Na deze overeenkomst hebben partijen afgesproken het bedrag van

EUR 90.000,00 niet als managementvergoeding maar als dividenduitkering aan te merken.

2.9. Bij akte van verpanding van 31 augustus 2007 heeft [B] BV ter zekerheid voor de betaling van de managementvergoeding/dividenduitkering en de openstaande vorderingen een pandrecht gevestigd op alle huidige en toekomstige vorderingen van [C] BV.

2.10. Vanaf 1 september 2007 was [A] regelmatig in het kantoor van [C] BV aanwezig. Daarbij heeft hij rechtshandelingen verricht en activiteiten ontplooid.

2.11. Bij brief van 14 november 2007 heeft mevrouw [F] verklaard dat zij op grond van de artikelen 1:88 en 89 BW de rechtshandeling van haar echtgenoot vernietigt, waarbij hij zich in privé hoofdelijk aansprakelijk heeft gesteld voor de nakoming van [C] BV van de verplichtingen aan [B] BV.

2.12. Op 15 november 2007 heeft [A] door middel van een mailbericht aan [mr. D] onder meer meegedeeld:

“De deken en de waarnemend deken van orde heb ik vanmiddag meegedeeld dat mijn vrouw aan [B] BV de schriftelijke mededeling doet dat ze onze overeenkomst vernietigt, omdat die strekt tot hoofdelijke aansprakelijkheid van mij in privé.

Daarop eiste de orde duidelijkheid van mij en die heb ik gegeven: ik ben dus vertrokken.

Mijn sleutels heb ik achtergelaten op het secretariaat. (…)”

2.13. [F] heeft bij brief van 11 december 2007 aan [B] BV bericht:

(…)

Voor zover deze overeenkomst van 9 augustus 2007 nog niet vernietigd is door de schriftelijke mededeling aan u van 14 november 2007, vernietig ik hierbij ingevolge de artikelen 88 en 89 van het burgerlijk wetboek boek 1 de navolgende rechtshandelingen van mijn echtgenoot:

Artikel 3.1. van deze overeenkomst, inhoudende dat de onderneming binnen [C] BV vanaf 1 september 2007 voor rekening en risico van mijn echtgenoot gedreven wordt,

nu hij zich hiermee als hoofdelijk medeschuldenaar voor [C] BV verbindt en zich voor [C] BV sterk maakt;

Artikel 17 van de bijlage van de overeenkomst, inhoudende dat [A] er zorg voor dient te dragen dat er altijd voldoende saldo is op de bankrekening van [C] BV, zodat [C] BV de ten behoeve van [B] BV ontvangen bedragen daadwerkelijk kan doorstorten,

nu mijn echtgenoot zich hiermee als hoofdelijk medeschuldenaar voor [C] BV verbindt;

Artikel 18 van de bijlage bij deze overeenkomst, inhoudende onder meer dat mijn echtgenoot hoofdelijk aansprakelijk is en/of bij moet betalen, indien [C] BV vanwege een faillissement, een surseance van betaling of door verwijtbaar saldo tekort niet in staat is ten behoeve van [B] BV ontvangen gelden aan [B] BV door te betalen,

nu mijn echtgenoot zich hiermee als hoofdelijk medeschuldenaar voor [C] BV verbindt en zich tot zekerheidsstelling voor deze schuld van [C] BV verbindt.”

(…)

2.14. Bij brief eveneens van 11 december 2007 heeft [A] een beroep op dwaling gedaan en “de partiële nietigheid van de overeenkomst” ingeroepen, “inhoudende dat artikel 7.1. hierbij vernietigd is.” Daarbij heeft hij opgemerkt dat een beroep op het niet mogen inroepen van de vernietiging rechtens onaanvaardbaar zou zijn en “voor zover dit rechtens juist is,” hij hierbij “de volledige nietigheid” inroept van de overeenkomst.

2.15. Bij brief van 21 november 2007 heeft de deken van de Orde van Advocaten Utrecht aan [mr. D] bericht dat hij met onmiddellijke ingang de praktijk in [woonplaats] dient te hervatten en af te wikkelen, alsmede dat er een stille curator wordt aangesteld die erop toeziet dat alle lopende dossiers door [mr. D] worden afgehandeld of op correcte wijze worden overgedragen. Voorts is meegedeeld dat het salaris van de stille curator voor rekening van [mr. D] komt.

2.16. [B] c.s. hebben [A] aangezegd de overeenkomst na te komen en hem aansprakelijk gesteld voor de schade. Daarnaast hebben zij conservatoir beslag gelegd.

3. De vordering in conventie

3.1. [B] c.s. vorderen samengevat - veroordeling van [A] tot betaling van EUR 125.000,00, vermeerderd met rente en kosten.

3.2. [A] heeft verweer gevoerd.

4. De vordering in (voorwaardelijke) reconventie

4.1. [A] vordert samengevat - de overeenkomst tussen partijen ontbonden te verklaren wegens het verzuim van [B] BV, althans de ontbinding van de overeenkomst uit te spreken, en voorts [B] BV te veroordelen tot betaling van schadevergoeding aan hem, nader op te maken bij staat en te vereffenen volgens de wet.

4.2. [B] c.s. hebben verweer gevoerd.

5. De stellingen van partijen

in conventie en reconventie

5.1.1. [B] c.s. hebben - kort en zakelijk weergegeven - het volgende aan hun standpunten ten grondslag gelegd.

5.1.2. [A] heeft wanprestatie gepleegd doordat hij de overeenkomst niet is nagekomen, daarnaast heeft hij onrechtmatig gehandeld. [B] BV heeft een vordering uit wanprestatie en onrechtmatige daad, [C] BV uit onrechtmatige daad.

Voor zover [A] al niet jegens [C] BV aansprakelijk zou zijn op grond van artikel 6:162 BW is hij dat op grond van artikel 2:8 BW.

5.1.3. De schade die [B] c.s. gezamenlijk hebben geleden bedraagt

EUR 125.000,00. Aangezien de schade moeilijk te verdelen is kunnen zij gezamenlijk aanspraak maken op schadevergoeding. Er bestaat een (beperkte) gemeenschap tussen hen beiden. De schade bestaat uit gederfde winst, de kosten die gemaakt zijn in verband met de afwikkeling van de vennootschap van [C] BV, de schadebeperkingsplicht die rust op [B] c.s., alsmede de kosten die [B] BV en/of [C] hebben moeten maken met betrekking tot de vaststelling van de aansprakelijkheid en de begroting van de schade. Daarnaast is schade ontstaan doordat [A] verplichtingen is aangegaan zonder dat hij de daaruit voortvloeiende kosten heeft voldaan.

5.1.4. Voor zover de vernietiging door de echtgenote van [A] van artikel 18, laatste volzin van voormelde overeenkomst tussen partijen, rechtsgeldig zou zijn, is de rest van de overeenkomst niet aangetast. De bedoelde bepaling behoort immers niet tot de essentialia van de overeenkomst.

De bepalingen geformuleerd in art 3.1. en 17 zien niet op de in artikel 1:88 BW genoemde rechtshandelingen waarvoor toestemming vereist is. De artikelen betreffen geen schulden aan derden, maar de economische overdracht van de onderneming en het tot uiting brengen van de eigen verplichting van [A] als economisch eigenaar en als contractspartij van [B] BV.

5.1.5. Het beroep op dwaling en/of bedrog treft geen doel. Tevens is door [B] c.s. in dit kader een beroep gedaan op artikel 7:23 BW. [B] c.s. betwisten dat zij in strijd hebben gehandeld met de gemaakte afspraken. Zij refereren zich aan het oordeel van de rechtbank met betrekking tot het beroep op voorwaardelijke ontbinding.

5.2. [A] heeft - kort en zakelijk weergegeven - het volgende betoogd.

5.2.1. [A] was niet verantwoordelijk voor de bedrijfsvoering van [C] BV na 1 september 2007. Hij had slechts de positie van een toekomstig aandeelhouder. Formeel is [B] BV bestuurder gebleven. [A] was niet bevoegd om [C] BV te binden.

5.2.2. De datum 1 september 2007 is slechts van belang nu dit de peildatum was voor de vorderingen (uit hoofde van rekening-courant en managementvergoeding) die [B] BV op [C] BV had.

5.2.3. Afgesproken tussen partijen is dat de openstaande posten daterend van voor 1 september 2007 voor rekening zouden blijven van [B] BV. In strijd met deze afspraak zijn van de kantoorrekening betalingen gedaan ter zake van deze posten, waardoor de kredietruimte van [C] BV van

EUR 50.000,00 grotendeels is opgesoupeerd.

5.2.4. De betalingen ten bedrage van EUR 8.740,60 aan een onderneming waarvan [A] aandeelhouder was, betreffen diensten verleend aan [C] BV. Deze zijn achteraf door [mr. D] geaccepteerd en gefiatteerd.

5.2.5. [mr. D] heeft zelf besloten tot liquidatie van het kantoor over te gaan. [A] heeft uitdrukkelijk aangeboden mee te helpen een derde-gegadigde voor overname van het kantoor te zoeken. [mr. D] heeft de mogelijkheid schade te voorkomen of te beperken gefrustreerd.

5.2.6. [A] heeft een beroep op vernietiging wegens dwaling gedaan op grond van de omstandigheid dat mr. [G] bij [mr. D] had aangegeven voornemens te zijn parttime te gaan werken voordat [mr. D] met [A] in contact kwam. De bezetting van het kantoor was voor [A] van essentieel belang. Dit heeft [A] aan [mr. D] op 7 september 2007 ook mede gedeeld. Verder heeft [mr. D] onjuiste inlichtingen verstrekt over de financiële situatie, met name ten aanzien van het mededebiteurschap jegens de bank van [B] BV.

5.2.7. Het inroepen van de vernietigbaarheid op grond van artikel 1:88 juncto 89 BW door de echtgenote van [A] heeft het gevolg dat de overeenkomst van 9 augustus 2007 volledig is vernietigd.

5.2.8. Van enige onrechtmatige handeling of wanprestatie van de zijde van [A] is geen sprake. En als dit al wel het geval is, valt niet in te zien dat [B] c.s. schade hebben geleden. De waarde van (de aandelen van) [C] BV was immers EUR 1,00.

5.2.9. De reconventionele vordering is ingesteld onder de voorwaarde dat de rechtbank oordeelt dat de overeenkomst niet is vernietigd wegens het inroepen van de vernietiging op grond van artikel 1:88 en 1:89 BW door de echtgenote van [A]. [A] vordert ontbinding van de overeenkomst en schadevergoeding uit hoofde van dwaling en/of wanprestatie.

6. De beoordeling

in conventie

6.1. [B] c.s. hebben een vordering uit onrechtmatige daad en/of toerekenbare tekortkoming ingesteld. Het meest verstrekkende verweer dat [A] daartegen heeft gevoerd, bestaat uit de stelling dat zijn echtgenote op grond van de artikel 1:88 lid 1 onder c juncto 89 BW de vernietiging van artikel 3 van de koopovereenkomst en de artikelen 17 en 18 van de daarbij behorende bijlage heeft ingeroepen, ten gevolge waarvan de gehele koopovereenkomst zou zijn vernietigd.

[B] c.s. hebben naar aanleiding van dit verweer betoogd, dat als er al sprake is van een verbintenis waarop artikel 1:88 BW ziet, deze niet de essentialia van de overeenkomst raakt. Dit zou betekenen dat slechts van een partiële vernietiging sprake kan zijn.

6.1.2. Het betoog van [A] faalt. De rechtbank overweegt daartoe als volgt.

Artikel 1:88 lid 1 onder c BW spreekt van overeenkomsten die ertoe strekken dat de betrokkene zich als borg of hoofdelijk medeschuldenaar verbindt, zich voor een derde sterk maakt of zich tot zekerheidsstelling voor de schuld van een derde verbindt. De bewoordingen “ertoe strekken” impliceren dat het artikel slechts van toepassing is op overeenkomsten die specifiek gericht zijn op het ontstaan van medeschuldenaarschap of een van de andere genoemde vormen van zekerheidstelling. Het aangaan van bijvoorbeeld een vennootschap onder firma, hetgeen ook hoofdelijke aansprakelijkheid kan meebrengen, valt hier niet onder.

6.1.3. Ter zake van artikel 3 van de overeenkomst oordeelt de rechtbank dat deze bepaling tussen partijen het moment bepaalt waarop het (economische) risico van de onderneming overgaat. Dit moet worden aangemerkt als een uitvloeisel van de overeenkomst tot overdracht van aandelen en kan aldus niet worden gezien als een bepaling specifiek gericht op het aangaan van hoofdelijk medeschuldenaarschap of zekerheidstelling voor een schuld van een derde. Dit wordt ondersteund door de - niet in geschil zijnde - intentie van partijen ten tijde van het sluiten van de overeenkomst op 9 augustus 2007, inhoudende dat [A] op afzienbare termijn zou worden beëdigd en dat de aandelen aan hem zouden worden overgedragen. Van een rechtshandeling strekkende tot zekerheidsstelling of medeschuldenaarschap was derhalve geen sprake. Het voorgaande leidt tot de conclusie dat onderhavig artikel 3 niet wordt getroffen door voormelde vernietiging.

6.1.4. Met betrekking tot artikel 17 van de bijlage heeft te gelden dat deze bepaling ziet op de afspraak tussen partijen dat de vorderingen van [B] BV op [C] BV zouden worden voldaan uit de openstaande debiteuren. Het risico van oninbaarheid zou, naar [A] heeft gesteld en door [B] c.s. niet is weersproken, voor rekening en risico van [B] BV komen. In artikel 17 heeft [A] zich verbonden ervoor zorg te dragen dat er voldoende saldo op de bankrekening aanwezig is om de ontvangen betalingen door debiteuren door te storten.

Daargelaten of deze bepaling voor [A] hoofdelijk medeschuldenaarschap kan meebrengen en daargelaten of deze bepaling daar specifiek op is gericht, moet worden geoordeeld dat artikel 17 de kern van de overeenkomst niet raakt. Artikel 17 ziet immers slechts op de wijze van nakoming van een contractuele verplichting. Te weten het doorbetalen van bedragen die aan [B] BV toekomen via de bankrekening van [C] BV. Ook als de grondslag aan artikel 17 zou komen te ontvallen, bestaat de verplichting van [C] BV om voormelde betalingen door te betalen aan [B] BV. Dit betekent dat artikel 17 niet in een onverbrekelijk verband geacht kan worden te staan met de overige verplichtingen uit overeenkomst. Deze worden daardoor derhalve niet getroffen. Nu de betreffende buitengerechtelijke vernietiging van artikel 17 - wat daar ook van zij - voor de onderhavige kwestie geen gevolgen heeft, behoeft deze uit dien hoofde geen verdere bespreking.

6.1.5. Artikel 18 heeft eveneens betrekking op de doorbetaling van de debiteurengelden die op grond van de koopovereenkomst aan [B] BV toekomen. Enkel in het geval dat [C] BV in staat van faillissement of surseance zou komen te verkeren, dan wel dat [C] BV ingeval van een toerekenbare tekortkoming gehouden was een tekort aan te vullen en daartoe niet zou overgaan, zou [A] hoofdelijk aansprakelijk zijn voor de nog niet doorbetaalde gelden. Ook hier is evenwel sprake van een artikel dat niet onlosmakelijk is verbonden met de overige verplichtingen uit overeenkomst, zodat de beoogde vernietiging van artikel 18, gelijk hiervoor met betrekking artikel 17 is overwogen, geen gevolgen heeft voor de beoordeling van onderhavig geschil, waar de bedoelde partiële vernietiging de onderhavige overeenkomst voor het overige niet raakt.

6.2.1. [A] heeft daarnaast een beroep gedaan op dwaling, omdat [mr. D] hem bewust en opzettelijk informatie zou hebben onthouden, terwijl [mr. D] wist of moest begrijpen dat deze informatie voor [A] van cruciaal belang was bij het nemen van de beslissing met betrekking tot het aangaan van de koopovereenkomst. Hij heeft daarbij in het bijzonder gewezen op het verzwijgen van het vertrek van een van de advocaten mr. [G] alsmede op het verzwijgen van het medeschuldenaarschap van [B] BV jegens de bank voor het obligo uit hoofde van het rekening-courantkrediet.

[B] c.s. hebben betwist dat er informatie is achtergehouden en voorts aangevoerd dat [A] te laat heeft gesteld dat de zaak niet beantwoordde aan de overeenkomst.

6.2.2. Met betrekking tot het vertrek van mr. [G] hebben [B] c.s. aangevoerd dat de opzegging van het dienstverband - op 31 augustus 2007 - laat op de middag, ook voor hen een grote verrassing was. [G] zou bij [mr. D] wel eens hebben geïnformeerd naar de mogelijkheden om parttime te gaan werken, maar is daarop vervolgens niet meer teruggekomen. In dit kader heeft [mr. D] naar de mail van 7 september 2007 verwezen (overgelegd als productie 18) waarin hij [A] heeft geïnformeerd met betrekking tot zijn standpunt over [G].

Bij conclusie van dupliek heeft [A] daarop weliswaar gereageerd door aan te voeren dat [B] c.s. de mededelingen omtrent de wens om parttime te gaan werken bagatelliseert, maar zijn standpunt dat [mr. D] ten tijde van het sluiten van de overeenkomst op de hoogte was van het voornemen van [G] om [C] te verlaten, niet nader onderbouwd. Gelet op de gemotiveerde betwisting van [B] c.s. had dit echter wel op zijn weg gelegen. Zo had van [A] mogen worden verwacht dat hij feiten en omstandigheden had genoemd waaruit de kennis van [B] BV van het voornemen van [G] zou kunnen worden afgeleid. Nu hij daarmee in gebreke is gebleven heeft hij zijn stelling op dit onderdeel onvoldoende gehandhaafd, zodat deze geen verdere bespreking behoeft.

6.2.3. Ten aanzien van het vermeende medeschuldenaarschap van [B] BV jegens de bank, hebben [B] c.s. aangevoerd dat daarvan geen sprake is en dat de mededeling daarover per abuis in de beslagstukken terecht is gekomen. Zij hebben daarbij gewezen op een overeenkomst met de bank, die overigens niet is overgelegd.

[A] heeft ook op dit punt de gestelde verzwijging niet nader onderbouwd. Hij heeft immers enkel opgemerkt dat [B] c.s. hierover tegenstrijdige verklaringen hebben afgelegd en dat hij daar geen duidelijkheid over of bewijs voor heeft. [A] heeft niet gemotiveerd aangevoerd dat van medeschuldenaarschap wel degelijk sprake is.

Het voorgaande betekent dat [A] zijn beroep op dwaling ook op dit punt onvoldoende heeft onderbouwd zodat dit niet kan slagen.

6.3. Het voorgaande leidt ertoe dat de overeenkomst tussen partijen in stand is gebleven, zodat de vordering van [B] c.s. in dit licht moet worden beoordeeld.

6.3.1. Anders dan [B] c.s. menen kan de stelling dat [B] BV en [C] BV dienen te worden aangemerkt als een “beperkte gemeenschap” zodat zij gezamenlijk schadevergoeding kunnen vorderen niet worden gevolgd. Nu zij als verschillende rechtspersonen hebben te gelden moeten de verwijten die [A] zijn gemaakt en de vorderingen die hieruit voortvloeien per vennootschap worden gespecificeerd en beoordeeld.

6.3.2. Met betrekking tot [B] BV hebben [B] c.s. onder meer aangevoerd dat [A] zijn contractuele verplichtingen niet is nagekomen en toerekenbaar tekort is geschoten in de nakoming van zijn verplichtingen uit overeenkomst. Ter onderbouwing hebben zij betoogd dat [A] onvoldoende heeft gestreefd naar beëdiging ten einde als advocaat de aandelen te kunnen overnemen, dat hij de onderneming heeft achtergelaten zonder zich te houden aan de bepaling dat deze onderneming voor zijn rekening en risico werd gedreven en crediteuren te voldoen, dat hij onttrekkingen aan de vennootschap heeft gedaan zonder de lopende verplichtingen te voldoen en dat hij de onderneming onvoldoende zorg heeft gegeven.

6.3.3. Met betrekking tot de beweerdelijke tekortkomingen heeft het volgende te gelden. Als gesteld door [B] c.s. en door [A] niet weersproken, staat vast dat [A] op 15 november 2007 aan [mr. D] en de medewerkers van [C] BV heeft medegedeeld dat hij een beëdiging tot advocaat niet langer zou nastreven en dat hij de koopovereenkomst met [B] BV niet gestand zou doen. Verder is niet in geschil dat [A] na 15 november 2007 niet meer aanwezig geweest in het kantoor, dat hij geen werkzaamheden meer heeft verricht voor [C] BV en dat hij weigerde mee te werken aan de overeengekomen overdracht van aandelen. Dit betekent dat [A] toerekenbaar tekortgeschoten is in de nakoming van zijn verplichtingen uit overeenkomst, zodat hij gehouden is de schade te vergoeden die [B] BV door deze tekortkoming heeft geleden. Daaraan kan uiteraard niet afdoen dat hij destijds - doch ten onrechte zoals hiervoor is overwogen - in de veronderstelling verkeerde dat de overeenkomst vernietigd was.

6.3.4. Voor zover [A] heeft willen betogen dat hij zijn verplichtingen heeft opgeschort vanwege het vermeende toerekenbare tekortschieten door [B] c.s. leidt dit niet tot een ander oordeel. Gesteld noch gebleken is immers dat [A] op of na 15 november 2007 op enig moment de intentie heeft gehad om - onder voorwaarden - de overeenkomst gestand te doen. Van een rechtens relevant beroep op een opschortingsrecht kan in deze daarom hoe dan ook niet worden gesproken.

6.3.5. Met betrekking tot de door [B] c.s. gevorderde schadevergoeding moet voorop worden gesteld dat de schade die voor vergoeding in aanmerking komt bestaat uit het verschil tussen de hypothetische situatie waarin [A] niet op 15 november 2007 feitelijk zou zijn vertrokken en de overdracht van de aandelen conform de overeenkomst zou hebben plaatsgevonden, met de werkelijke situatie waarin [A] op 15 november 2007 de onderneming heeft achtergelaten en de aandelen niet zijn overgedragen.

Gelet op het standpunt van [B] c.s. dat zij gezamenlijk schade hebben geleden, hebben zij deze schade vooralsnog niet voldoende gespecificeerd en voor iedere vennootschap afzonderlijk inzichtelijk gemaakt. Zoals hiervoor overwogen zal echter per vennootschap duidelijk moeten worden welke schade is geleden. Gelet op het voorbehoud van rechten op dit punt zal de rechtbank hen in de gelegenheid stellen alsnog gespecificeerd en onderbouwd inzichtelijk te maken welke schade [B] BV heeft geleden door voormelde tekortkoming. [A] zal hierop mogen reageren.

6.4.1. Ten aanzien van [C] BV hebben [B] c.s. zich op het standpunt gesteld dat [A] zich (ook) jegens deze vennootschap onrechtmatig heeft gedragen. Als grondslag voor deze stelling is zowel artikel 6:162 BW als artikel 2:8 BW genoemd.

[B] c.s. hebben daartoe aangevoerd dat [A] financiële onttrekkingen heeft gedaan te eigen behoefte en verplichtingen is aangegaan terwijl hij wist of behoorde te weten dat die verplichtingen niet zouden kunnen worden nagekomen. Bovendien wordt aan [A] verweten dat hij [C] BV feitelijk onbeheerd achter heeft gelaten.

6.4.2. Vooropgesteld wordt dat artikel 2:8 BW in de onderhavige zaak niet van toepassing is. [A] kan, gelet op de uitgestelde levering van de aandelen, immers niet als een bij de onderneming krachtens wet of statuten betrokken persoon worden aangemerkt.

Resteert het beroep op artikel 6:162 BW. In dit kader wordt ten eerste vastgesteld dat [B] c.s. de stelling van [A], inhoudende dat voormelde financiële onttrekkingen achteraf door [mr. D] zijn gefiatteerd en bekrachtigd, niet hebben weersproken. Dit leidt ertoe dat [B] c.s. de vordering op dit punt onvoldoende hebben onderbouwd zodat de gestelde financiële onttrekkingen geen nadere bespreking meer behoeven.

Daarnaast hebben [B] c.s. de stelling dat [A] verplichtingen is aangegaan waarvan hij wist dat de vennootschap deze niet zou kunnen nakomen onvoldoende met feiten en omstandigheden onderbouwd, zodat zij op dit punt evenmin aan de stelplicht hebben voldaan.

De omstandigheid dat [A] de vennootschap plotseling en met onmiddellijke ingang heeft verlaten zou mogelijk een onrechtmatige daad kunnen opleveren. Alvorens daarover te beslissen dienen [B] c.s. eerst helderheid te verschaffen over de vraag op welke wijze [A] zich jegens [C] BV dienaangaande onrechtmatig heeft gedragen en daarnaast of en ten bedrage van welk bedrag deze vennootschap daardoor schade heeft geleden.

6.4.3. Gelet op de omstandigheid dat [B] c.s., zoals hiervoor ook is overwogen, vooralsnog niet (gespecificeerd en onderbouwd) inzichtelijk heeft gemaakt welke handelingen en gedragingen van [A] een onrechtmatige daad jegens [C] BV opleveren, alsmede welke schade door [C] BV is geleden, zullen [B] c.s. in de gelegenheid worden gesteld ook op dit punt hun stellingen te verduidelijken en te specificeren. [A] zal vervolgens daarop kunnen reageren.

6.5. Gelet op het voorgaande zal de zaak worden verwezen naar de rol voor akte uitlating door [B] c.s. als overwogen in rechtsoverweging 6.3.5. en 6.4.3.

in voorwaardelijke reconventie

6.6. De vordering in reconventie ligt voor dadelijke afwijzing gereed, welke afwijzing in het te wijzen eindvonnis zal worden uitgesproken. Daarvoor is het volgende redengevend.

Zoals uit het voorgaande is af te leiden is geen sprake geweest van dwaling aan de zijde van [A] op grond waarvan de overeenkomst rechtsgeldig kon worden vernietigd. Dit kan derhalve geen grondslag zijn voor een vordering tot schadevergoeding. De vordering uit hoofde van wanprestatie kan evenmin tot toewijzing van de vordering leiden. Wat er ook zij van de stelling dat [B] c.s. in strijd met de bepalingen uit de koopovereenkomst de overeengekomen kredietruimte hebben aangetast door betalingen van de kantoorrekening te doen, [A] heeft onvoldoende feiten en omstandigheden aangevoerd waaruit volgt dat [A] door deze vermeende handelwijze schade heeft geleden. Dit argument heeft gelet op de stellingen van en correspondentie tussen partijen voor [A] immers geen rol gespeeld bij het besluit [C] BV op 15 november 2007 plotseling te verlaten.

De stelling dat [B] c.s. toerekenbaar tekort zijn geschoten in hun verplichtingen uit overeenkomst door de overeenkomst niet gestand te doen, kan zonder nadere toelichting die evenwel ontbreekt, evenmin worden gevolgd. Zoals uit hetgeen in conventie is overwogen kan worden afgeleid, is het immers juist [A] die de onderneming heeft verlaten, de overeenkomst heeft willen vernietigen en aan wie wanprestatie kan worden verweten.

6. De beslissing

in conventie

De rechtbank

verwijst de zaak naar de rol van woensdag 22 juli 2009 voor akte uitlating door [B] c.s., waarna de zaak zal worden verwezen naar de rol van woensdag 5 augustus 2009 voor antwoordakte van de zijde van [A].

in conventie en reconventie

houdt verder iedere beslissing aan.

Dit vonnis is gewezen door mr. M.H.S. Lebens-de Mug, mr. T.R. Hidma en mr. J.N. Bartels en in het openbaar uitgesproken op 8 juli 2009.