Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBZLY:2009:BM3378

Instantie
Rechtbank Zwolle-Lelystad
Datum uitspraak
15-12-2009
Datum publicatie
21-06-2010
Zaaknummer
164444 / KG ZA 09-555
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Kort geding
Inhoudsindicatie

Beslagrecht. Beslag op (rechten uit) visdocumenten.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

vonnis

RECHTBANK ZWOLLE-LELYSTAD

Sector civiel recht

zaaknummer / rolnummer: 164444 / KG ZA 09-555

Vonnis in kort geding van 15 december 2009

in de zaak van

1. de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid

Z-198 B.V.,

gevestigd te Urk,

2. de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid

LIMANDA B.V.,

gevestigd te Urk,

eiseressen,

advocaat mr. J.W. Both te Kampen,

tegen

mr. BAS JOHANNES VAN DIJEN,

in hoedanigheid van curator in het faillissement van de besloten vennootschap PETRONELLA B.V.,

kantoorhoudende te Lelystad,

gedaagde,

advocaat mr. Y.C.M. Heruer te Almere.

Partijen zullen hierna Z-198, Limanda en de curator genoemd worden.

1. De procedure

1.1. Het verloop van de procedure blijkt uit:

- de dagvaarding van 13 november 2009 met producties

- de fax van 23 november 2009 van mr. Both met producties

- de fax van 24 november 2009 van mr. Both met een aanvullende productie

- de brief van 30 november 2009 van de curator met producties

- de telefax van 2 december 2009 van de curator met aanvullende producties

- de mondelinge behandeling van 2 december 2009, waarbij Z-198 en Limanda hun vordering hebben gewijzigd

- de pleitnota van Z-198 en Limanda

- de pleitnota van de curator.

1.2. Ten slotte is vonnis bepaald.

2. De feiten

2.1. Op 14 juni 2005 is door de besloten vennootschap Petronella B.V. te Urk (Petronella) aan Limanda voor EUR 1,-- o.a. verkocht en geleverd:

- de stalen motorviskotter bestemd voor zee- en kustvisserij genaamd Limanda, brandmerk 5226 V Gron 1981 met als onderscheidingsteken UK 168 met inbegrip van alle scheepstoebehoren en de bij voormeld vaartuig behorende visserijlicentie en bij het vaartuig behorende tonnagerechten;

- de ter zake het vaartuig brandmerk 5226 V Grond 1981 van toepassing zijnde vangstrechten/contingenten visvergunning Tong- en Schol quota.

2.1.1. De hiervoor bedoelde motorviskotter is op 30 september 2005 uit de vaart genomen en doorgehaald in het daartoe bestemde register voor visserijvaartuigen. Een deel van de bij het vaartuig behorende tonnagerechten is verkocht aan derden.

2.1.2. Bij voormelde verkoop is Petronella vertegenwoordigd door [betrokkene A], toenmalig bestuurder en enig aandeelhouder van Petronella. Limanda werd vertegenwoordigd door [vader van betrokkene A] (vader van [betrokkene A]).

2.2. Op 14 juni 2005 is de Stichting Administratiekantoor Limanda B.V. enig aandeelhouder van Limanda geworden. Tot 1 november 2007 waren de dames [mevrouw A] en [mevrouw B] bestuurders van de Stichting Administratiekantoor Limanda B.V.. Vanaf 1 november 2007 zijn [betrokkene A] en [vader van betrokkene A] bestuurders van de stichting.

2.3. Bij vonnis van 22 maart 2006 van deze rechtbank (118072/FT-RK 06.320) is Petronella in staat van faillissement verklaard. Mr. B.J. van Dijen is de huidige curator in dit faillissement.

2.4. In een notariële akte van 27 maart 2008 (door Z-198 en Limanda als productie 4 in het geding gebracht) is opgenomen dat ingevolge een in maart 2008 gesloten mondelinge overeenkomst, Limanda (vertegenwoordigd door [betrokkene A], handelend in zijn hoedanigheid van voorzitter van Stichting Administratiekantoor Limanda B.V. en [vader van betrokkene A], handelend in zijn hoedanigheid van secretaris/penningmeester van Stichting Administratiekantoor Limanda B.V.) verkocht heeft aan Z-198 (vertegenwoordigd door [betrokkene A] in zijn hoedanigheid van zelfstandig bevoegd bestuurder van Z-198) het stalen motorkotterschip, genaamd Limanda, brandmerk 16233 V Rott 1980 met als onderscheidingsteken UK 168 met inbegrip van alle scheepstoebehoren en de bij voormeld vaartuig behorende visrechten/visquota -waaronder de basisrechten afkomstig van het vaartuig UK 67-, de Europese visvergunning en de bij het vaartuig behorende tonnagerechten (1470 KW en 406 BT).

2.4.1. Voorts is bij voormelde akte bepaald dat het ‘verkochte op heden in economische zin’ aan Z-198 wordt overgedragen en dat de totale koopprijs EUR 865.000,-- bedraagt.

In de akte staat verder onder meer vermeld:

“[…] Verkoper doet bij deze afstand van de vordering tot betaling van verkoper op koper, zulks onder de verplichting voor koper om aan verkoper schuldig te erkennen een bedrag in contanten gelijk aan voormelde koopsom […] Verkoper verleent koper kwitantie voor de betaling van de koopprijs en verklaart er reeds nu voor alsdan in toe te stemmen dat deze onderhandse lening zal worden achtergesteld bij de lopende bankfinanciering(en) van koper.[…]”

2.4.2. Over de juridische eigendomsoverdracht is in art. 7 van de akte bepaald:

“1. De akte van levering, vereist voor de overdracht in eigendom van het verkochte, zal worden verleden door de notaris-bewaarder van deze minuut, diens plaatsvervanger of opvolger, behoudens nadere overeenkomst tussen partijen en wel op het tijdstip door koper te bepalen, maar uiterlijk op éénendertig december tweeduizend acht of zoveel eerder of later als partijen nader mochten overeenkomen. (…).”

2.5. Bij brief van 11 augustus 2008 heeft de curator de onder overweging 2.1 omschreven verkoop en levering van 14 juni 2005 als paulianeus en onrechtmatig aangemerkt. De overeenkomst is door de curator vernietigd op grond van art. 42 Fw. juncto 43 lid 1 onder 5 Fw.

2.6. Op 12 augustus 2008 heeft de curator de voorzieningenrechter van deze rechtbank verzocht verlof te verlenen om ten laste van Limanda conservatoir (derden)beslag te doen leggen op de roerende zaken: de capaciteit 1471 KW en 489 BT, contingenten Tong en Schol welke krachtens opgave van het Nederlands Register voor Vissersvaartuigen (NRV) eigendom is van Limanda en als waardepapier is uitgegeven aan Limanda.

Voorts is verzocht het conservatoire (derden)beslag te mogen leggen onder de motorviskotter Limanda, gelegen in de haven van Lauwersoog, althans onder [vader van betrokkene A] te [woonplaats], althans onder [betrokkene A] te [woonplaats], althans onder rechtspersoon Limanda te Urk, althans onder [betrokkene B] te [woonplaats].

Naast de beslaglegging is met betrekking tot het waardepapier (houdende de vergunning van de 1471 KW en 489 BT, contingenten Schol en Tong) primair ook gerechtelijke bewaring verzocht.

Ten slotte is verzocht de vordering van de curator te begroten op EUR 200.000,-- (met inbegrip van rente en kosten) en de eis voor het instellen van de hoofdzaak te bepalen op veertien dagen.

2.7. Op 12 augustus 2008 heeft de voorzieningenrechter het verlof verleend gelijk verzocht, ‘met dien verstande dat voor het waardepapier houdende de vergunning van de 1471 KW en 489 BT contingenten Schol en Tong terstond gerechtelijke bewaring wordt bevolen’.

2.8. Op 15 augustus 2008 heeft de curator uit hoofde van voormeld verlof diverse conservatoire (derden)beslagen doen leggen. Uit de door partijen overgelegde beslagexploten blijkt, dat:

- onder Limanda in conservatoir beslag is genomen het waardepapier houdende de vergunning van “de capaciteit 1471 KW en 489 BT, contingenten Tong en Schol, staande op naam van Limanda”;

- onder [betrokkene A], [vader van betrokkene A] en [betrokkene B], conservatoir derdenbeslag is gelegd op het waardepapier houdende de vergunning van “de capaciteit 1471 KW en 489 BT, contingenten Tong en Schol;

- Limanda aan de sommatie om de vergunning, als zijnde het waardepapier, aan de deurwaarder ter hand te stellen niet heeft voldaan.

2.9. De ten laste van Limanda gelegde beslagen zijn door het Ministerie van Landbouw, Natuurbeheer en Visserij (LNV) in het Visserijregister ingeschreven.

2.10. Bij brief van 27 augustus 2008 heeft mr. Both namens Limanda de curator gesommeerd het beslag op te heffen en is de curator aansprakelijk gesteld voor de ten gevolge van de beslaglegging geleden en nog te lijden schade.

2.11. Uit een door de curator op de dag van de zitting overgelegd uittreksel uit het handelsregister van de Kamer van Koophandel kan worden afgeleid dat de statutaire naam en handelsnaam van Z-198 op 28 september 2009 zijn gewijzigd in Zeevisserijbedrijf Dageraad B.V. Voorts blijkt uit dit uittreksel dat [betrokkene A] sinds 6 augustus 2009 enig aandeelhouder en bestuurder is van Z-198, thans genaamd Zeevisserijbedrijf Dageraad B.V.

3. Het geschil

3.1. Z-198 en Limanda vorderen na eiswijziging samengevat - de opheffing van de onder overweging 2.8 omschreven gelegde conservatoire (derden)beslagen.

3.1.1. Z-198 en Limanda stellen daartoe dat:

- het beslag niet kleeft, omdat het waardedocument als zodanig niet bestaat;

- het beslag niet kleeft, omdat de visquota en Europese visvergunning niet overdraagbaar zijn in de zin van de wet en om die reden niet vatbaar zijn voor beslag;

- het beslag niet kleeft, omdat Z-198 en Limanda geen eigenaren zijn van het belangrijkste waardepapier, te weten: de contingenten Tong en Schol, maar dat dit de vennootschap Zeevisserijmaatschappij [betrokkene D] B.V. te [woonplaats] [betrokkene D] is;

- als er sprake is van een vermogensrecht en overdraagbaarheid, Z-198 reeds door de levering in maart 2008 juridisch eigenaar van deze vermogensrechten is geworden;

- het beslagverlof niet eerder had mogen worden verleend, dan na het horen van Z-198 en Limanda;

- de vordering waarvoor beslag is gelegd ondeugdelijk is. Er is geen sprake van paulianeus handelen. Ook is er geen vordering van EUR 200.000,-- van de curator op Limanda;

- een belangenafweging ertoe leidt dat het beslag moet worden opgeheven. Dit te meer nu

Z-198 en Limanda bereid zijn mee te werken om na opheffing van het beslag en levering van de rechten aan Z-198, opnieuw beslag toe te staan.

3.2. De curator voert verweer. Volgens de curator is er geen grond voor opheffing van de gelegde beslagen. Voorts is door de curator gesteld dat Z-198 reeds voor dagvaarding niet meer bestond, zodat zij als een niet-bestaande eisende partij niet-ontvankelijk dient te worden verklaard.

3.3. Op de stellingen van partijen wordt hierna, voor zover van belang, nader ingegaan.

4. De beoordeling

spoedeisendheid

4.1. De spoedeisendheid vloeit voort uit de aard van de vordering.

procespartij Z-198

4.2. In de onderhavige zaak doet zich de situatie voor waarin de curator niet alleen is gedagvaard door Limanda maar ook door een partij die in de inleidende dagvaarding van 13 november 2009 is aangeduid als “de besloten vennootschap Z-198 BV”. Zoals hiervoor in rechtsoverweging 2.11 is overwogen blijkt uit het door de curator op de dag van de mondelinge behandeling overgelegde uittreksel uit het handelsregister van de Kamer van Koophandel dat Z-198 BV van 28 juli 2005 tot 28 september 2009 de statutaire naam en handelsnaam was van de vennootschap die sinds 28 september 2009 de statutaire naam en handelsnaam Zeevisserij Dageraad B.V. heeft.

4.3. Wanneer de juiste vennootschap als partij optreedt, maar haar naam in de dagvaarding foutief is weergegeven, dan kan onder omstandigheden herstel van de foutieve vermelding plaatsvinden doordat de rechter het desbetreffende gedingstuk verbeterd leest. Vereist is in dat geval dat de vergissing voor gedaagde kenbaar was, de gedaagde door de vergissing en de rectificatie daarvan niet wordt benadeeld of in zijn verdediging wordt geschaad en de rectificatie tijdig geschiedt (HR 4 december 1998, NJ 1999, 269 en HR 14 december 2007, NJ 2008, 10). Kan de vergissing niet hersteld worden, dan dient de eiser die zich van een verkeerde naam bedient, niet-ontvankelijk verklaard te worden. Er kan in dat geval niet van worden uitgegaan dat de juiste partij als eiser is opgetreden. Een en ander vloeit voort uit het belang dat met de vermelding van de juiste naam van eiser is gemoeid. De gedaagde dient immers te weten tegen welke partij hij zich heeft te verweren en op welke partij hij een eventuele proceskostenveroordeling kan verhalen.

4.4. Voor zover de advocaat van Z-198 tijdens de mondelinge behandeling (bij de aanvang waarvan [betrokkene A] zich overigens desgevraagd heeft gepresenteerd als bestuurder van Z-198) heeft willen verzoeken om de onjuiste partij-aanduiding in de dagvaarding verbeterd te lezen, geldt het volgende.

Z-198 heeft niet gesteld dat het voor de curator kenbaar was dat bij vergissing in de kort-gedingdagvaarding een onjuiste naam was gebruikt. Dat volgt naar het oordeel van de voorzieningenrechter ook niet uit de inleidende dagvaarding zelf. In de dagvaarding wordt alleen de naam Z-198 BV vermeld, zonder enige verwijzing naar de huidige statutaire naam van Z-198. Ook wordt in geen enkele in het geding gebrachte productie de naam Zeevisserij Dageraad B.V. vermeld en wordt in de dagvaarding meermalen een beroep gedaan op producties die Z-198 betreffen.

Er kan dan ook niet van worden uitgegaan dat het voor de curator toen hij de dagvaarding ontving kenbaar was dat in de dagvaarding bij vergissing een verkeerde naam was gebruikt en dat Z-198 niet zijn wederpartij was.

4.5. Gelet op de in dit kort geding aan het verweer ten grondslag gelegde stelling van de curator, dat leden van de familie [van betrokkene A] zich in hun respectievelijke vennootschappen bezighouden met het verkopen en “doorstoten” van activa naar andere vennootschappen waarbij de geldstromen niet inzichtelijk zijn en schuldeisers uiteindelijk achter het net vissen, kan ook niet worden geconcludeerd dat de curator door een rectificatie tijdens de mondelinge behandeling van dit kort geding niet in zijn verdedigingsbelangen zou worden geschaad.

4.6. Nu aan de voorwaarden voor herstel van een vergissing niet is voldaan, kan in het onderhavige geval geen sprake zijn van een rectificatie van de in de dagvaarding vermelde naam, zodat uitgegaan moet worden van de in de kort-gedingdagvaarding vermelde naam

Z-198 BV. Omdat die naam verwijst naar een niet (meer) bestaande rechtspersoon en een niet bestaande rechtspersoon niet in rechte kan optreden, dient Z-198 niet-ontvankelijk te worden verklaard.

4.7. In de hiervoor geschetste omstandigheden ziet de voorzieningenrechter aanleiding Z-198 te veroordelen in de proceskosten, waarbij wordt overwogen dat deze kunnen worden verhaald op de rechtspersoon die thans de naam Zeevisserij Dageraad B.V. draagt.

het kleven van het beslag met betrekking tot Limanda

4.8. Uit de door partijen overgelegde beslagbescheiden leidt de voorzieningenrechter af dat op 15 augustus 2008 beslag is gelegd op (de roerende zaak:) het waardepapier, waarin de diverse rechten die de betreffende vergunninghouder kan uitoefenen, worden belichaamd. Uit het partijdebat volgt dat partijen het erover eens zijn dat het beslag thans rust op het recht van Limanda om met een visserijvaartuig van 1471 KW en 489 BT te mogen vissen en om de (mini)contingenten tong en schol. (Dit waardedocument en de daarmee samenhangende rechten zullen hierna ook worden aangeduid als: de visdocumenten).

4.9. De voorzieningenrechter verwerpt de stelling van Limanda dat het beslag niet kleeft omdat het waardedocument als zodanig niet bestaat. Ter zitting heeft Limanda immers gesteld dat er een kopie van het waardedocument gemaakt was. Dit kan slechts geschieden indien er een document aanwezig is om te kopiëren.

4.10. De voorzieningenrechter deelt evenmin het standpunt van Limanda dat het door de curator gelegde beslag niet kleeft omdat overdraagbaarheid van de visdocumenten niet mogelijk zou zijn, dan wel omdat de visdocumenten inmiddels zouden zijn overgedragen aan Z-198.

4.10.1. Aan Limanda kan worden toegegeven dat de visdocumenten zijn te beschouwen als ‘andere rechten’ als bedoeld in art. 3:83 BW, die bij gebreke aan een wettelijke bepaling dienaangaande niet overdraagbaar zijn. Echter, in een geval als het onderhavige, waarin het vergunningverlenende bestuursorgaan (Ministerie van LNV) het beleid voert dat de tenaamstelling van een vergunning wordt aangepast aan wijzigingen die zich in de privaatrechtelijke verhoudingen voordoen, kan van bij die privaatrechtelijke verhouding betrokken partijen worden verlangd dat zij aan een wijziging van de tenaamstelling meewerken, indien zij daartoe op grond van die privaatrechtelijke verhouding verplicht zijn.

4.10.2. Ter zitting is door Limanda desgevraagd nog bevestigd dat het Ministerie van LNV snel en zonder het stellen van nadere voorwaarden uitvoering geeft aan een verzoek om de tenaamstelling van de visdocumenten aan te passen aan wijzigingen die zich in de privaatrechtelijke verhoudingen voordoen.

4.10.3. In het voorgaande (overwegingen 4.10.1 en 4.10.2) ligt besloten dat eerst door de wijziging van de tenaamstelling van de vergunning door het betrokken bestuursorgaan, nadat daarom is verzocht, de publiekrechtelijke rechtstoestand door het bestuursorgaan wordt aangepast aan de inmiddels geldende privaatrechtelijke verhoudingen. Hieruit moet worden afgeleid dat voor de beantwoording van de vraag of beslag op de visdocumenten ten laste van Limanda (nog) mogelijk was, niet beslissend is of zich vóór de beslaglegging een wijziging in de privaatrechtelijke verhouding heeft voorgedaan (zoals door Limanda is gesteld: namelijk de economische overdracht in maart 2008), maar of op de datum van beslaglegging die wijziging door aanpassing van de tenaamstelling van de visdocumenten langs publiekrechtelijke weg is geëffectueerd. Dit laatste is niet het geval.

4.11. Limanda heeft opmerkingen gemaakt over contingenten tong en schol die eigendom zijn van [betrokkene D] B.V. te [woonplaats] en welke worden verhuurd aan Limanda. De curator kan hierop geen beslag leggen, aldus Limanda. Het is de voorzieningenrechter niet duidelijk wat Limanda met deze stelling beoogt te bereiken. In beslag is immers genomen het waardepapier houdende de vergunning van “de capaciteit 1471 KW en 489 BT, contingenten Tong en Schol, staande op naam van Limanda.

4.12. Op grond van het vorenstaande (overweging 4.8. e.v.) wordt de stelling dat het beslag niet kleeft verworpen.

beslagverlof verlenen zonder het horen van Limanda;

4.13. Aan de stelling dat Limanda voorafgaand aan het verlenen van het beslagverlof had moeten worden gehoord -wat er verder ook van zij- is door Limanda geen (afzonderlijk) rechtsgevolg verbonden. Voor zover Limanda heeft beoogd te stellen dat het niet vooraf horen nu een (afzonderlijke) grond voor opheffing van het beslag vormt, kan deze stelling haar niet baten om de enkele reden dat de bezwaren van Limanda tegen het beslag in de onderhavige procedure worden betrokken en de gestelde belangen van Limanda bij opheffing van het beslag worden meegewogen.

de ondeugdelijkheid van de door de curator gepretendeerde vordering

4.14. Limanda heeft gesteld dat er geen grond is de overeenkomst van 14 juni 2005 als paulianeus aan te merken. Mocht de curator al een vordering op Limanda hebben, wordt betwist dat de vordering EUR 200.000,-- bedraagt.

4.15. Ter zake de onderbouwing van voormeld standpunt heeft Limanda volstaan met het verwijzen naar de door haar overgelegde processtukken uit de bodemprocedure, in welke procedure zij overigens zelf verstek heeft laten gaan. Het overleggen van processtukken uit een andere procedure is in het algemeen niet voldoende om hetgeen in die stukken aan stellingen en feiten is te vinden, te beschouwen als aangevoerd in het geding waarin dat overleggen heeft plaatsgevonden, en aldus mede aan het in dat geding gevoerde verweer ten grondslag gelegd. De partij die zulke stellingen en feiten wil inroepen, dient dit op een zodanige wijze te doen dat dit voor de rechter en wederpartij duidelijk is (HR 17 oktober 2008, NJ 2009, 476).

4.16. Van de ondeugdelijkheid van het door de curator ingeroepen recht is dan ook niet summierlijk gebleken.

belangenafweging

4.17. Afweging van de belangen van Limanda enerzijds en de curator anderzijds kan, anders dan Limanda heeft gesteld, op grond van het volgende niet leiden tot opheffing van het beslag.

4.18. Uit de overgelegde stukken en het tussen partijen in deze procedure gevoerde debat komt een beeld naar voren van een familiebedrijf (bestaande uit diverse ondernemingen van de familie [van betrokkene A]) waarin de belangen van de afzonderlijke familieleden en de door hen (al dan niet gezamenlijk) gevoerde ondernemingen door elkaar lopen en waarin de verschillende belangen door de familie worden vereenzelvigd. Al naar gelang het familiebelang dat vraagt, wordt door de familie [van betrokkene A] wel of geen onderscheid gemaakt tussen de verschillende familievennootschappen.

Zo wordt in de dagvaarding gemeld dat de aandelen van Petronella tot 15 juni 2005 ‘van de familie [vader van betrokkene A] te [woonplaats]’ waren, en dat ‘deze familie (…) (thans) eigenaar is van de aandelen in het kapitaal van Limanda èn Z-198.’

Even verderop wordt in de dagvaarding vermeld:

‘Destijds, toen Limanda de viskotter van Petronella overnam met alle lusten en lasten, zijn ook deze minicontingenten van Petronella naar Limanda overgegaan.

Het betreft hier overigens de minicontingente die toebehoren aan [vader van betrokkene A] in privé. Jaren geleden heeft [vader van betrokkene A] deze minicontingenten ter beschikking gesteld aan de verschillende (opvolgende) exploitanten van de verschillende viskotters van de familie [van betrokkene A]. Het feit dat deze documenten anno ultimo 2004 op naam van Petronella BV stonden, maakt Petronella derhalve nog niet formeel juridisch eigenaar. [vader van betrokkene A] besloot om bij het staken van de activiteiten van Petronella de minicontingenten die hem dus privé toebehoren over te zetten naar de exploitant van Limanda, het bedrijf van één van zijn zonen.’

Ten opzichte van de curator wordt ter zitting echter een sterk onderscheid gemaakt tussen de diverse onderdernemingen en de daarmee samenhangende bestuurders.

Een onderscheid dat weer niet in acht wordt genomen, indien het gaat om de positie van

Z-198 als procespartij. Daarvan is door [vader van betrokkene A], in reactie op het standpunt van de curator, bijna terloops gemeld dat de recente statutaire naamswijziging van Z-198 alleen is gedaan ter voorkoming van verwarring met een gelijknamige Belgische onderneming van de broer van [betrokkene A].

Het lijkt er dan ook op dat vennootschappen worden opgericht, beëindigd of van een andere statutaire naam worden voorzien al naar gelang het familiebelang dit vereist.

4.19. Verder is van belang dat op 14 juni 2005 door Petronella aan Limanda de (eerste) motorviskotter en visdocumenten verkocht zijn voor slechts 1 euro en dat vervolgens de (tweede) motorviskotter en visdocumenten bij notariële akte van 27 maart 2008 economisch zijn overgedragen aan Z-198, thans Zeevisserijbedrijf Dageraad B.V. waarbij de betaling van de koopprijs is gegoten in de vorm van een achtergestelde lening (zie rechtsoverweging 2.4.1.).

4.20. In het licht van het voorgaande valt niet in te zien dat het door Limanda gestelde belang om in december 2009 nog te kunnen vissen (het vullen van een vismandje door het creëren van een trackrecord) teneinde de voor 2010 uit te geven visrechten veilig te stellen, niet valt te realiseren onder handhaving van het beslag. De voor de visvangst benodigde visdocumenten staan immers op naam van Limanda (één van de familievennootschappen) en kunnen door de familie [van betrokkene A] economisch worden benut. De omstandigheid dat er beslag op rust staat weliswaar aan wijziging van de tenaamstelling in de weg, maar niet gebleken is dat het beslag aan het uitoefenen van de betreffende rechten door Limanda in de weg staat.

4.21. In deze hiervoor genoemde omstandigheden (overwegingen 4.18 - 4.21) moet het belang van de curator (die staat voor de belangen van de gezamenlijke schuldeisers van Petronella) om in afwachting van de uitkomst van de bodemprocedure het beslag te handhaven, prevaleren. Dit te meer, nu de curator onweersproken heeft gesteld dat trackrecords voor de visvangst in 2010 kunnen worden aangekocht.

conclusie

4.22. Z-198 is niet-ontvankelijk in haar vordering en de vordering ingesteld door Limanda komt niet voor toewijzing in aanmerking

4.23. Z-198 en Limanda zullen als de in het ongelijk gestelde partij in de proceskosten worden veroordeeld. De kosten aan de zijde van de curator worden begroot op:

- vast recht EUR 262,00

- salaris procureur 904,00

Totaal EUR 1.166,00

5. De beslissing

De voorzieningenrechter

5.1. verklaart Z-198 niet-ontvankelijk in haar vordering

5.2. wijst de vorderingen van Limanda af,

5.3. veroordeelt Z-198 en Limanda in de proceskosten, aan de zijde van de curator tot op heden begroot op EUR 1.166,00.

Dit vonnis is gewezen door mr. G.A.M. Peper en in het openbaar uitgesproken op 15 december 2009.