Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBZLY:2009:BM2676

Instantie
Rechtbank Zwolle-Lelystad
Datum uitspraak
24-12-2009
Datum publicatie
28-04-2010
Zaaknummer
07/400232-09
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

seksueel binnendringen van iemand < 12 jr; bewijs- en strafmaatmotivering

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK ZWOLLE - LELYSTAD

Sector Strafrecht - Meervoudige Strafkamer

Parketnummer: 07.400232-09 (P)

Uitspraak: 24 december 2009

VONNIS IN DE STRAFZAAK VAN:

het openbaar ministerie

tegen

(verdachte)

Geboren op (geboortejaar)

Wonende te (adres)

Thans verblijvende (verblijfplaats)

ONDERZOEK TER TERECHTZITTING

Het onderzoek ter terechtzitting heeft plaatsgevonden op 10 december 2009. De verdachte is verschenen, bijgestaan door mr. H.W. Bongers, advocaat te Ommen. Als officier van justitie was aanwezig mr. G.C. Pol.

TENLASTELEGGING

De verdachte is ten laste gelegd dat:

1.

hij op één of meer tijdstippen op of omstreeks 17 juli 2009 in de gemeente

Zwolle, met (slachtoffer) (geboortejaar), die de leeftijd

van twaalf jaren maar nog niet die van zestien jaren had bereikt, buiten echt,

een of meer ontuchtige handeling(en) heeft gepleegd, die bestond(en) uit of

mede bestond(en) uit het seksueel binnendringen van het lichaam van die

(slachtoffer), hebbende verdachte één of meermalen zijn penis in de

mond van die (slachtoffer) geduwd en/of gebracht.

2.

hij op één of meer tijdstippen op of omstreeks 17 juli 2009 in de gemeente

Zwolle, met (slachtoffer) (geboortejaar), die toen de

leeftijd van zestien jaren nog niet had bereikt, buiten echt, een of meer

ontuchtige handeling(en) heeft gepleegd, bestaande uit:

- het één of meermalen vastpakken en/of aftrekken van de penis van die

(slachtoffer) en/of

- het in de mond laten nemen van zijn, verdachtes, penis door die (slachtoffer) en/of (daarbij) zich laten pijpen door die (slachtoffer)

en/of (vervolgens)

- het dulden dat die (slachtoffer) diens penis in zijn, verdachtes,

anus heeft gebracht en/of geduwd en/of (vervolgens)

- het laten vastpakken en/of vasthouden van zijn, verdachtes, penis door die

(slachtoffer) en/of (daarbij) zich laten aftrekken door die (slachtoffer)

VOORVRAGEN

De rechtbank heeft vastgesteld dat de dagvaarding geldig is, dat zijzelf bevoegd is tot kennisneming van deze zaak, dat de officier van justitie ontvankelijk is in zijn vervolging en dat er geen redenen zijn voor schorsing van de vervolging.

BEWIJSMOTIVERING

Het standpunt van het openbaar ministerie

De officier van justitie heeft geconcludeerd tot bewezenverklaring van het onder 1 en 2 ten laste gelegde.

Het standpunt van de verdediging

De raadsman heeft zich namens verdachte voor wat betreft het bewijs van het onder 1 en 2 ten laste gelegde gerefereerd aan het oordeel van de rechtbank.

Het oordeel van de rechtbank

De rechtbank is van oordeel dat het ten laste gelegde in na te melden zin bewezen kan worden verklaard.

De hierna volgende bewezenverklaring steunt op het volgende bewijs:

De verdachte heeft ter terechtzitting van 10 december 2009 onder meer verklaard:

Ik heb op vrijdag 17 juli 2009 in mijn woning aan de (adres) de toen 13-jarige (slachtoffer) gepijpt. Vervolgens heeft (slachtoffer) mij gepijpt. Daarna hebben wij seks gehad, daar bedoel ik mee dat (slachtoffer) zijn penis in mijn anus heeft aangebracht. Voor het pijpen hebben wij elkaar nog afgetrokken. (slachtoffer) is hierna naar huis vertrokken. Diezelfde dag maar op een later tijdstip kwam (slachtoffer) weer bij mij thuis. Wij hebben weer seks gehad. (slachtoffer) heeft ook bij zijn tweede bezoek zijn penis in mijn anus aangebracht. Vervolgens heb ik hem met de auto naar zijn nicht gebracht.

(moeder slachtoffer) heeft op 22 juli 2009 aangifte gedaan van een zedenmisdrijf ten aanzien van haar 13-jarige zoon (slachtoffer). Zij heeft daarbij verklaard dat zij van haar nicht (naam nichtje) heeft vernomen dat (slachtoffer) op 17 juli 2009 door een zekere (naam verdachte) van (geboortejaar) wonende aan (adres) mee naar huis is genomen. Daar hebben (slachtoffer) en (naam verdachte) elkaar gepijpt.

Het slachtoffer (slachtoffer) heeft op 22 juli 2009 tegenover de politie een verklaring afgelegd van hetgeen zich op 21 juli 2009 heeft afgespeeld tussen hem en verdachte.

BEWEZENVERKLARING

De rechtbank acht derhalve wettig en overtuigend bewezen hetgeen de verdachte onder 1 en 2 ten laste is gelegd, met dien verstande dat

1.

hij op 17 juli 2009 in de gemeente Zwolle, met (slachtoffer) (geboortejaar), die de leeftijd van twaalf jaren maar nog niet die van zestien jaren had bereikt, buiten echt, een of meer ontuchtige handeling(en) heeft gepleegd, die mede bestond(en) uit het seksueel binnendringen van het lichaam van die (slachtoffer), hebbende verdachte zijn penis in de mond van die (slachtoffer) gebracht.

2.

hij op meer tijdstippen op 17 juli 2009 in de gemeente Zwolle, met (slachtoffer) (geboortejaar), die toen de leeftijd van zestien jaren nog niet had bereikt, buiten echt, ontuchtige handeling(en) heeft gepleegd, bestaande uit:

- het vastpakken en aftrekken van de penis van die (slachtoffer) en

- het in de mond laten nemen van zijn, verdachtes, penis door die (slachtoffer) en (daarbij) zich laten pijpen door die (slachtoffer) en (vervolgens)

- het dulden dat die (slachtoffer) diens penis in zijn, verdachtes, anus heeft gebracht en (vervolgens)

- het laten vastpakken en vasthouden van zijn, verdachtes, penis door die (slachtoffer) en (daarbij) zich laten aftrekken door die (slachtoffer).

Van het meer of anders ten laste gelegde zal de verdachte worden vrijgesproken, aangezien de rechtbank dat niet wettig en overtuigend bewezen acht.

DE STRAFBAARHEID VAN HET FEIT

Het onder 1 bewezene levert op:

Met iemand die de leeftijd van twaalf jaren maar nog niet die van zestien jaren heeft bereikt, buiten echt, ontuchtige handelingen plegen die bestaan of mede bestaan uit het seksueel binnendringen van het lichaam,

strafbaar gesteld bij artikel 245 van het Wetboek van Strafrecht

Het onder 2 bewezene levert op:

Met iemand beneden de leeftijd van zestien jaren buiten echt ontuchtige handelingen plegen, meermalen gepleegd,

strafbaar gesteld bij artikel 247 van het Wetboek van Strafrecht

Er zijn geen feiten of omstandigheden die de strafbaarheid van het bewezenverklaarde uitsluiten. Dit levert de genoemde strafbare feiten op.

DE STRAFBAARHEID VAN DE VERDACHTE

Er zijn geen feiten of omstandigheden die de strafbaarheid van de verdachte uitsluiten. De verdachte is derhalve strafbaar.

OPLEGGING VAN STRAF EN/OF MAATREGEL

Het standpunt van het openbaar ministerie

De officier van justitie heeft op grond van hetgeen hij bewezen heeft geacht gevorderd dat aan verdachte zal worden opgelegd een gevangenisstraf van vijftien maanden, waarvan vijf maanden voorwaardelijk met een proeftijd van twee jaar en de bijzondere voorwaarde dat verdachte zich tot het einde van de proeftijd zal gedragen naar aanwijzingen van de reclassering, ook als dat inhoudt dat verdachte een behandeling bij de AFPN moet volgen.

Het standpunt van de verdediging

De verdediging acht een gevangenisstraf gelijk aan de duur van het voorarrest met daarnaast voorwaardelijke gevangenisstraf met als bijzondere voorwaarde reclasseringstoezicht alsmede een werkstraf op zijn plaats. Ter onderbouwing is gewezen op het advies van de psycholoog H.R.J. ter Borg en van de reclassering.

Het oordeel van de rechtbank

De rechtbank heeft de op te leggen straf bepaald op grond van de aard en de ernst van het

bewezen en strafbaar verklaarde, op de omstandigheden waaronder verdachte zich daaraan

heeft schuldig gemaakt en op de persoon van verdachte, zoals van een en ander uit het

onderzoek ter terechtzitting is gebleken.

De rechtbank is in dit geval van oordeel dat een gedeeltelijk onvoorwaardelijke vrijheidsstraf noodzakelijk is, omdat aard en ernst van het bewezen en strafbaar verklaarde, gelet ook op het strafrechtelijk verleden van de verdachte, door een lichtere strafrechtelijke afdoening van de zaak miskend zouden worden.

De rechtbank heeft er daarbij in het bijzonder rekening mee gehouden dat een zedendelict als het onderhavige niet alleen bij het slachtoffer ernstig psychisch trauma teweegbrengt, dan wel teweeg kan brengen, doch daarnaast ook in de maatschappij gevoelens van onrust en onveiligheid oproept. Daarbij speelt in het nadeel van verdachte dat hij eerder, in 1998, in verband met vergelijkbare delicten is veroordeeld.

In het voordeel van de verdachte is meegewogen dat hij er blijk van heeft gegeven de gevolgen van zijn gedrag voor het slachtoffer, alsmede het laakbare van zijn gedragingen in te zien en dat hij gemotiveerd lijkt te zijn voor begeleiding door en behandeling op aanwijzing van de reclassering.

De rechtbank zal bepalen dat een gedeelte van de op te leggen gevangenisstraf voorwaardelijke niet tenuitvoergelegd zal worden, teneinde verdachte in de gelegenheid te stellen om middels behandeling en begeleiding herhalingsgevaar in de toekomst te verminderen. De rechtbank neemt daarbij in aanmerking dat behandeling en begeleiding – blijkens de over verdachte opgemaakte rapportages – geïndiceerd is en verdachte daarvoor gemotiveerd is. De rechtbank zal aan het voorwaardelijke deel van de gevangenisstraf de bijzondere voorwaarde van reclasseringstoezicht verbinden.

De rechtbank zal tevens een werkstraf opleggen gelet op de persoon van verdachte.

Bij haar beslissing heeft de rechtbank rekening gehouden met:

- een de verdachte betreffend uittreksel justitiële documentatie d.d. 20 oktober 2009;

- een de verdachte betreffend vroeghulp interventierapport d.d. 3 september 2009 uitgebracht door Reclassering Nederland.

- een de verdachte betreffend rapport reclasseringsadvies d.d. 5 november 2009 uitgebracht door Reclassering Nederland.

- een de verdachte betreffend rapport psychologisch onderzoek d.d. 20 november 2009 uitgebracht door H.R.J. te Borg, psycholoog.

Wettelijke bepalingen

De oplegging van straf of maatregel is, behalve op de reeds aangehaalde wettelijke voorschriften, gegrond op de artikelen 10, 14a, 14b, 14c, 22c, 22d, 27 en 57 van het Wetboek van Strafrecht.

BESLISSING

Het onder 1 en 2 ten laste gelegde is bewezen zoals hiervoor aangegeven en levert de strafbare feiten op, zoals hiervoor vermeld. De verdachte is deswege strafbaar.

Het onder 1 en 2 meer of anders ten laste gelegde is niet bewezen en de verdachte wordt daarvan vrijgesproken.

De rechtbank veroordeelt de verdachte tot een gevangenisstraf voor de duur van 11 maanden.

De tijd, door de verdachte vóór de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in verzekering en voorlopige hechtenis doorgebracht, zal bij de tenuitvoerlegging van de opgelegde gevangenisstraf in mindering worden gebracht.

Van de gevangenisstraf zal een gedeelte, groot vijf maanden, niet worden tenuitvoergelegd, tenzij de rechter later anders mocht gelasten op grond van het feit dat de verdachte zich voor het einde van een proeftijd van twee jaar aan een strafbaar feit heeft schuldig gemaakt dan wel de navolgende bijzondere voorwaarde niet heeft nageleefd.

Als bijzondere voorwaarde wordt gesteld dat de verdachte zich gedurende de proeftijd zal gedragen naar de voorschriften en aanwijzingen, te geven door of namens Reclassering Nederland, ook als dit inhoudt een ambulante behandeling bij de AFPN of een soortgelijke instelling, zulks zolang deze instelling of een door haar aan te wijzen andere reclasseringsinstelling dat gedurende de proeftijd nodig oordeelt, met opdracht aan die instelling als bedoeld in artikel 14d van het Wetboek van Strafrecht.

De rechtbank legt voorts aan verdachte op een taakstraf, te weten de werkstraf het verrichten van onbetaalde arbeid gedurende 240 uren.

De rechtbank beveelt dat voor het geval de veroordeelde de taakstraf niet of niet naar behoren verricht de taakstraf wordt vervangen door 120 dagen hechtenis, althans een aantal dagen hechtenis dat evenredig is aan het niet verrichte aantal uren taakstraf .

Aldus gewezen door mr. M.A. Wijnands-Veninga, voorzitter, mr. H.H.J Harmeijer en mr. F. Koster , rechters, in tegenwoordigheid van mr. O. Bahi als griffier en uitgesproken ter openbare terechtzitting van 24 december 2009.

Mr. Harmeijer en mr. M.A. Wijnands-Veninga, voornoemd waren buiten staat dit vonnis mede te ondertekenen.