Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBZLY:2009:BL7639

Instantie
Rechtbank Zwolle-Lelystad
Datum uitspraak
17-12-2009
Datum publicatie
07-04-2010
Zaaknummer
165548 - KG ZA 09-614
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Kort geding
Inhoudsindicatie

Verblijf zonder recht of titel in woning van familie.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Prg. 2010, 118
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

vonnis

RECHTBANK ZWOLLE-LELYSTAD

Sector civiel recht

zaaknummer / rolnummer: 165548 / KG ZA 09-614

Vonnis in kort geding van 17 december 2009

in de zaak van

[eiseres],

wonende te [woonplaats],

eiseres,

advocaat mr. N.R.H. Boasman- Trustfull,

tegen

[gedaagde]

wonende te [woonplaats],

gedaagde,

advocaat mr. S.O. Reiziger.

Partijen zullen hierna [eiseres] en [gedaagde] genoemd worden.

1. De procedure

1.1. Het verloop van de procedure blijkt uit:

- de dagvaarding

- de mondelinge behandeling op 16 december 2009

- de pleitnota van [gedaagde].

1.2. Ten slotte is vonnis bepaald.

2. De feiten

2.1. [eiseres] is huurster van de woning aan het [adres] te [woonplaats] (hierna de woning).

2.2. Eind 2006 hebben [partner van] en [eiseres] [gedaagde], de partner van [gedaagde] (de stiefzoon van [partner van]) en de twee minderjarige kinderen van [gedaagde] in huis genomen en hen de vliering van de woning ter beschikking gesteld om daar te slapen.

2.3. In eerste instantie werd door de [partner van en eiseres] boodschappen gedaan voor alle bewoners. Tussen partijen is in dat verband afgesproken dat [gedaagde] een bedrag van EUR 200,- per maand zou betalen als bijdrage voor de boodschappen. Voor het overige hoefde [gedaagde] niets te betalen.

2.4. In de zomer van 2007 is [partner van] overleden. Op enig moment daarna is [gedaagde] (een deel van) de boodschappen gaan doen ten behoeve van alle bewoners en is zij (geleidelijk) gestopt met het betalen van de overeengekomen bijdrage van EUR 200,-.

2.5. Op 29 oktober 2009 heeft [eiseres] [gedaagde] schriftelijk verzocht om het huis voor 20 december 2009 te verlaten. Zij heeft onder meer geschreven:

“We hebben jullie 3 jaar geleden in huis genomen omdat jullie geen onderdak hadden. Het was rond de kersttijd en we vonden het onmenselijk om jullie niet in huis te nemen. Het zou in principe voor ongeveer 3 maanden zijn. Tegen die tijd hadden jullie zeker wel een andere woning gevonden. Inmiddels zijn nu bijna 3 jaar verder maar nog geen zicht op enige verandering.

(…)

Nu wil ik verder met mijn leven. Ik wil rust, stilte en kalmte in mijn huis. Ik voel me vaak een vreemde in mijn huis.

(…)

Ik heb al eerder met jullie besproken dat het tijd wordt om weg te gaan. Jullie gaven ook steeds aan druk bezig te zijn met het zoeken naar een woning. Jullie hadden vorig jaar al aangegeven dat jullie rond de zomer iets anders zouden hebben en dat jaar ervoor ook. Maar hier heb ik nooit meer wat over gehoord. Ik krijg ook nooit iets te horen over jullie zoektocht naar een ander huis. Alleen dat jullie bezig zijn. Het duurt gewoon te lang en het is niet leuk meer. Mijn zoon heeft ook met jullie gepraat over de situatie. Jullie gaven zelf ook aan dit niet langer te kunnen volhouden, maar nog steeds geen verandering.

Dus moet ik nu voor mezelf opkomen en nu zeggen dat ik het niet meer aankan.

(…)

Ik wil geen ruzie en conflicten hierdoor hebben met jullie want laten we eerlijk zijn ik heb goed voor jullie gezorgd en mijn huis met liefde voor jullie opengedaan. Dit betekend ook niet dat ik jullie na 20 december nooit meer wil zien want we zijn familie en hebben wel een band met elkaar.”

2.6. Op 3 november 2009 is er een gesprek geweest tussen [eiseres], [gedaagde] en medewerkers van stichting MEE, Bureau Jeugdzorg en de GGD. Van dit gesprek is door de medewerkster van de GGD een verslag opgemaakt, waarin het volgende is genoteerd:

“Aanleiding van het gesprek is dat [gedaagde] met haar twee kinderen geruime tijd bij [eiseres] inwoont.

[eiseres] heeft aangegeven dit niet meer te willen, en heeft dit via een brief aan [gedaagde] laten weten.

Ik heb bij Ymere (de verhuurder, vzr) nagevraagd in hoeverre [gedaagde] woonrecht heeft, volgens Ymere is dit niet het geval.

Tijdens het huisbezoek is besproken dat [gedaagde] met haar twee kinderen andere woonruimte moet gaan zoeken.

Tevens is geadviseerd om zich in te laten schrijven bij de noodopvang voor gezinnen.”

2.7. Bij brief van 20 november 2009 heeft (de raadsman van) [gedaagde] zich op het standpunt gesteld dat tussen partijen een huurovereenkomst is gesloten en dat [gedaagde] het recht heeft om in de woning te verblijven. Tevens is aangekondigd dat geen gevolg zal worden gegeven aan de wens van [eiseres] dat [gedaagde] de woning uiterlijk 20 december 2009 zal hebben verlaten.

3. Het geschil

3.1. [eiseres] vordert, samengevat, ontruiming door [gedaagde] van de huurwoning aan het [adres] te [woonplaats]

3.2. [gedaagde] voert verweer. Op de stellingen van partijen wordt hierna, voor zover van belang, nader ingegaan.

4. De beoordeling

4.1. Partijen twisten over de vraag of [gedaagde] gehouden is de woning van [eiseres] te verlaten.

4.2. [gedaagde] heeft zich op het standpunt gesteld dat er sprake is van een huurovereenkomst tussen partijen en dat zij op grond daarvan gerechtigd is in de woning te verblijven. Bovendien heeft [eiseres] volgens [gedaagde] geen spoedeisend belang bij toewijzing van haar vorderingen.

4.3. [eiseres] heeft gesteld dat er geen sprake is van een huurovereenkomst. Van meet af aan is tussen partijen duidelijk geweest dat het noodopvang betrof van tijdelijke aard. [eiseres] heeft aangegeven zowel financieel als psychisch het verblijf van het gezin van [gedaagde] in haar woning niet meer te kunnen dragen. Na het overlijden van haar man is het inkomen van [eiseres] verminderd, terwijl [eiseres] wel de lasten van de woning betaalt. De overeengekomen bijdrage van EUR 200,- per maand wordt al een jaar in het geheel niet meer betaald door [gedaagde], aldus [eiseres]. [eiseres] heeft aangegeven door de drukte van en de problemen met het gezin van [gedaagde] niet meer tot rust te komen. Zij heeft gesteld de behoefte te voelen om haar eigen woning te ontvluchten. Volgens [eiseres] lijdt haar werk er inmiddels ook al onder.

4.4. Gelet op hetgeen door [eiseres] is gesteld over de financiële en psychische last die het verblijf van het gezin van [gedaagde] voor haar met zich brengt, moet worden geoordeeld dat [eiseres], anders dan door [gedaagde] is gesteld, voldoende spoedeisend belang heeft bij toewijzing van haar vorderingen.

4.5. Volgens de eigen verklaring van [gedaagde] was het – toen zij bij de [partner van en eiseres] introk – de bedoeling van partijen dat [gedaagde] zo snel mogelijk woonruimte voor zichzelf zou gaan zoeken. [gedaagde] heeft zich met dat doel, naar eigen zeggen, ook meteen ingeschreven bij een woningbouwvereniging, echter in eerste instantie alleen in de gemeente Hilversum. Pas na het gesprek op 3 november 2009, waarbij onder andere een medewerkster van de GGD aanwezig was, heeft [gedaagde] zich ingeschreven in Almere en bij het Leger des Heils. Voorts is vast komen te staan dat [gedaagde] geen vergoeding betaalde voor de aan haar gezin ter beschikking gestelde vliering.

De geldelijke bijdrage die zij leverde was nadrukkelijk bedoeld als bijdrage voor de kosten van boodschappen. Zo heeft ook [gedaagde] ter zitting verklaard. [gedaagde] verrichtte wel taken van huishoudelijk aard, maar gesteld noch gebleken is dat deze werkzaamheden tussen partijen waren overeengekomen als betaling voor de terbeschikkingstelling van de vliering. De raadsman van [gedaagde] heeft aanvankelijk gesteld dat hij beschikt over een schriftelijk bewijsstuk waaruit zou volgen dat tussen partijen een huurprijs van EUR 450,- per maand zou zijn overeengekomen. Ter zitting heeft [gedaagde] desgevraagd uitleg gegeven over het doel en de betekenis van voormeld bewijsstuk. Naar aanleiding van deze verklaring heeft de raadsman van [gedaagde] zijn stelling dat tussen partijen een huurprijs (van EUR 450,-) zou zijn overeengekomen niet langer gehandhaafd. Gelet op het voorgaande is de voorzieningenrechter dan ook voorshands van oordeel dat er tussen partijen geen sprake is van een huurovereenkomst.

4.6. Nu [eiseres] niet langer instemt met het verblijf van [gedaagde] en haar gezin in de woning, verblijft [gedaagde] zonder recht of titel in de woning en zal [gedaagde] de woning met de haren dienen te verlaten.

4.7. Bij het bepalen van een redelijke ontruimingstermijn moeten de belangen van beide partijen tegen elkaar worden afgewogen. Enerzijds is hierbij van belang dat [eiseres] gebukt gaat onder de aanwezigheid van [gedaagde] en haar gezin. Zoals hiervoor al is overwogen was het van meet af aan de bedoeling dat de opvang slechts tijdelijk zou zijn en dat [gedaagde] zo snel mogelijk andere woonruimte zou zoeken. Hiertoe lijkt zij niet veel actie te hebben ondernomen: de enkele inschrijving in Hilversum kan niet als een intensieve zoektocht naar vervangende woonruimte worden beschouwd. Eerst begin november 2009 heeft [gedaagde] aanvullende moeite gedaan door zich ook in Almere en bij het Leger des Heils in te schrijven. Anderzijds acht de voorzieningenrechter van belang dat de huidige situatie al nagenoeg drie jaar bestaat, waarvan een groot deel met instemming van [eiseres]. Behalve last heeft zij, zeker ook in de periode na het overlijden van haar man, gemak en steun gehad aan [gedaagde]. Een serieuze poging om [gedaagde] en haar gezin uit de woning te laten vertrekken lijkt eerst met de brief van 29 oktober 2009 door [eiseres] te zijn ondernomen. Daarnaast is van belang dat, daargelaten dat [gedaagde] dit in overwegende mate aan zichzelf heeft te wijten, [gedaagde] momenteel (nog) niet over vervangende woonruimte beschikt. Bovendien is de tienerdochter van [gedaagde], die op dit moment ook nog bij [eiseres] inwoont, zwanger en is ter zitting aan de orde gekomen dat zij in februari 2010 uit de woning van [eiseres] zal vertrekken om met begeleiding van Jeugdzorg bij haar partner te gaan wonen. Tot slot acht de voorzieningenrechter van belang dat partijen in familieverhouding staan tot elkaar. [eiseres] heeft zelf verklaard belang te hechten aan deze relatie. Al deze omstandigheden afwegende is de voorzieningenrechter van oordeel dat het redelijk is om [gedaagde] en haar gezin een ontruimingstermijn te gunnen tot 1 maart 2010.

4.8. Tegen de gevorderde uitschrijving bij de gemeentelijke basisadministratie op het adres [adres] te [woonplaats] is geen afzonderlijk verweer gevoerd. Deze vordering is, met inachtneming van de ontruimingstermijn, toewijsbaar.

4.9. De gevorderde machtiging om de ontruiming zo nodig zelf te doen uitvoeren met behulp van de sterke arm van justitie zal worden afgewezen, omdat zij ingevolge art. 556 lid 1 en art. 557 Rv overbodig is.

4.10. [gedaagde] zal als de in het ongelijk gestelde partij in de proceskosten worden veroordeeld. De kosten aan de zijde van [eiseres] worden begroot op:

- dagvaarding EUR 92,98

- betaald vast recht 131,00

- in debet gesteld vast recht 131,00

- salaris advocaat 904,00

Totaal EUR 1.258,98

5. De beslissing

De voorzieningenrechter

5.1. veroordeelt [gedaagde] om uiterlijk 1 maart 2010 het pand aan het [adres] te [woonplaats] met al het hare en al de haren te ontruimen en ontruimd te houden, met afgifte van de sleutels van de woning aan [eiseres],

5.2. veroordeelt [gedaagde] om zich uiterlijk 1 maart 2010, of zoveer eerder als zij de woning heeft verlaten, uit te schrijven bij de gemeentelijke basisadministratie op het adres [adres] te [woonplaats] en hiervan een bewijsstuk aan [eiseres] af te geven,

5.3. veroordeelt [gedaagde] in de proceskosten, aan de zijde van [eiseres] tot op heden begroot op EUR 1.258,98, te voldoen aan de griffier door overmaking op rekeningnummer 1923.25.930 ten name van MvJ Arrondissement Zwolle onder vermelding van "proceskostenveroordeling" en het zaak- en rolnummer,

5.4. verklaart dit vonnis tot zover uitvoerbaar bij voorraad,

5.5. wijst het meer of anders gevorderde af.

Dit vonnis is gewezen door mr. G.A.M. Peper en in het openbaar uitgesproken op 17 december 2009.