Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBZLY:2009:BL4014

Instantie
Rechtbank Zwolle-Lelystad
Datum uitspraak
10-11-2009
Datum publicatie
16-02-2010
Zaaknummer
07.607222-09
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

ISD

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

RECHTBANK ZWOLLE – LELYSTAD

Sector Strafrecht - Meervoudige Strafkamer

Parketnummer : 07.607222-09 (P)

Uitspraak : 10 november 2009

Vonnis in de zaak van:

het openbaar ministerie

tegen

[verdachte],

geboren op [geboortedatum] te [geboorteplaats],

wonende te [woonplaats], [adres]

gedetineerd in de Penitentiaire Inrichting Noord,

locatie De Grittenborgh.

ONDERZOEK VAN DE ZAAK

Dit vonnis is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzitting in eerste aanleg. Het onderzoek is aangevangen op 20 oktober 2009 en is op die datum geschorst tot de terechtzitting van 28 oktober 2009. Bij de behandeling ter terechtzitting op 28 oktober 2009 is de verdachte verschenen, bijgestaan door mr. O. Bolluyt, advocaat te Almere.

De rechtbank heeft kennisgenomen van de vordering van de officier van justitie

mr. S.J. Buis.

TENLASTELEGGING

De zaak is aanhangig gemaakt bij dagvaarding van 25 september 2009.

Aan verdachte is ten laste gelegd dat:

1.

Hij op of omstreeks 18 juli 2009 in de gemeente Lelystad met het oogmerk van wederrechtelijke toe-eigening in/uit een tuinbedrijf van [aangever], heeft weggenomen een fiets, in elk geval enig goed, geheel of ten dele toebehorende aan [aangever], in elk geval aan een ander of anderen dan aan verdachte, waarbij verdachte zich de toegang tot de plaats des misdrijfs heeft verschaft en/of de/het weg te nemen goed(eren) onder zijn bereik heeft gebracht door middel van braak, verbreking en/of inklimming;

2.

Hij op of omstreeks 17 juli 2009 in de gemeente Lelystad met het oogmerk van wederrechtelijke toe-eigening heeft weggenomen een flesje zilverpoets ([m[merknaam]), in elk geval enig goed, geheel of ten dele toebehorende aan [aangever]), in elk geval aan een ander of anderen dan aan verdachte.

VOORVRAGEN

De rechtbank heeft vastgesteld dat de dagvaarding geldig is, zij bevoegd is tot kennisneming van de zaak, de officier van justitie ontvankelijk is in zijn vervolging en dat er geen redenen zijn voor schorsing van de vervolging.

BEWIJS

A. Vaststaande feiten

Ten aanzien van de ten laste gelegde feiten stelt de rechtbank de navolgende feiten vast.

Op 17 juli 2009 meldt verdachte zich bij het politiebureau Lelystad en verklaart ten overstaan van de verbalisant dat hij zich schuldig heeft gemaakt aan een winkeldiefstal. Verdachte overhandigde de verbalisant daarbij een flesje zilverpoets van het merk [merknaam] en verklaarde dat hij dit flesje had weggenomen bij de vestiging van [aangever] in Lelystad. Later op die dag wordt door verdachte een officiële verklaring afgelegd, waarin hij bovenstaande herhaalt.

Op 17 juli 2009 wordt door [aangever] aangifte gedaan van diefstal van een flesje Zilverpoets.

Verdachte wordt op 17 juli 2009 in verzekering gesteld en op 18 juli 2009 heengezonden.

Op 18 juli 2009 meldt verdachte zich wederom op het politiebureau in Lelystad en verklaart ten overstaan van de verbalisant dat hij zojuist een fiets heeft gestolen bij een tuincentrum van [aangever]. De gestolen fiets wordt door verdachte afgegeven aan de verbalisant voor onderzoek.

Verdachte wordt aangehouden en in verzekering gesteld en legt op 19 juli 2009 een officiële verklaring af.

Op 20 juli 2009 wordt door [aangever] aangifte gedaan van diefstal van een fiets.

B. Het standpunt van het Openbaar Ministerie

De officier van justitie heeft aangevoerd dat hetgeen aan verdachte onder 1 en 2 ten laste is gelegd wettig en overtuigend bewezen kan worden, met dien verstande dat hij bij het onder 1 ten laste gelegde feit niet wettig en overtuigend bewezen acht dat verdachte zich de toegang tot de plaats van het misdrijf heeft verschaft door middel van braak dan wel het weg te nemen goed onder zijn bereik heeft gebracht door middel van braak.

C. Het standpunt van de verdediging

De verdediging heeft zich ten aanzien van de bewezenverklaring gerefereerd aan het oordeel van de rechtbank.

D. Overwegingen van de rechtbank

De rechtbank is van oordeel dat de onder 1 en 2 ten laste gelegde feiten, onder verwijzing naar de aangifte van [aangever] , de aangifte van [aangever] en de bekennende verklaringen van verdachte , wettig en overtuigend kunnen worden bewezen.

E. Bewezenverklaring

De rechtbank acht wettig en overtuigend bewezen hetgeen de verdachte ten laste is gelegd, met dien verstande dat:

1.

Hij op 18 juli 2009 in de gemeente Lelystad met het oogmerk van wederrechtelijke toe-eigening uit een tuinbedrijf van [aangever] heeft weggenomen een fiets, toebehorende aan [aangever];

2.

Hij op 17 juli 2009 in de gemeente Lelystad met het oogmerk van wederrechtelijke toe-eigening heeft weggenomen een flesje zilverpoets ([merknaam]), toebehorende aan [aangever]).

Hetgeen aan verdachte onder 1 en 2 meer of anders is ten laste gelegd dan hier als bewezen is aangenomen, is niet bewezen. De verdachte moet hiervan worden vrijgesproken.

STRAFBAARHEID

Het bewezene levert op:

Feiten 1 en 2, telkens:

Diefstal, strafbaar gesteld bij artikel 310 van het Wetboek van Strafrecht.

De feiten en de verdachte zijn deswege strafbaar, nu geen feiten of omstandigheden gebleken zijn die die strafbaarheid zouden opheffen of uitsluiten.

OPLEGGING VAN STRAF OF MAATREGEL

De officier heeft gevorderd aan de verdachte de maatregel tot plaatsing in een inrichting voor stelselmatige daders op te leggen voor de duur van twee jaar.

De verdediging heeft bepleit geen maatregel tot plaatsing in een inrichting voor stelselmatige daders op te leggen. Door de verdediging is bepleit dat er een alternatief is voor een behandeling, te weten het volgen van een rehabilitatieprogramma bij [naam ] in Utrecht.

Gelet op de aard en de ernst van het bewezen en strafbaar verklaarde, op de omstandigheden waaronder verdachte zich daaraan heeft schuldig gemaakt en op de persoon van verdachte, zoals van een en ander uit het onderzoek ter terechtzitting is gebleken, acht de rechtbank de na te noemen beslissing passend.

Bij haar beslissing heeft de rechtbank rekening gehouden met:

een de verdachte betreffend uittreksel justitiële documentatie d.d. 24 september 2009;

- een adviesrapport d.d. 9 oktober 2009, opgemaakt door P.M. Visser en N. Talsma, respectievelijk reclasseringswerker en Hoofd Tactus Reclassering Flevoland van Tactus Verslavingszorg.

Blijkens bovengenoemd adviesrapport, uitgebracht door Tactus Verslavingszorg, wordt door hen geadviseerd om verdachte een ISD maatregel op te leggen. In het rapport wordt aangegeven dat niet is vastgesteld om welke persoonlijkheidsproblematiek het precies gaat bij verdachte. Er is sprake van agressieproblematiek, waarbij door het Pieter Baan Centrum in 2008 is vastgesteld dat zijn agressie een instrumenteel en controlerend karakter heeft. Voorts is sprake van verslavingsproblematiek. De kans op recidive wordt als hoog ingeschat. Door de reclassering wordt een plan van aanpak geschetst, welke bestaat uit een stabilisatiefase, een behandelfase en een nazorgfase. Volgens de reclassering bestaat er een contra-indicatie voor het opleggen van reclasseringstoezicht, aangezien verdachte steeds zijn eigen plan trekt. Aangezien verdachte al vele opnames in (verslavings)klinieken achter de rug heeft zonder dat dit tot een blijvende verandering in zijn leefpatroon heeft geleid, is het volgens de reclassering maar de vraag of verdachte te helpen is. Als “ultimum remedium” ziet de reclassering alleen nog als mogelijkheid het opleggen van een ISD-maatregel om verdachte langdurig in een klinische behandeling te krijgen en er zorg voor te dragen dat hij die behandeling ook afmaakt.

De rechtbank overweegt dat verdachte blijkens voornoemde rapportage van Tactus Verslavingszorg tal van behandelingen in een meer of minder dwingend kader achter de rug. Tot op heden, verdachte is nu 43 jaar en heeft een strafblad van 20 bladzijden, zonder (blijvend) resultaat.

Door de reclassering wordt ook aangegeven dat zij de kans van slagen in een ander kader vrij gering inschatten, gezien de lange hulpverleningsgeschiedenis. Daarmee blijft de kans op recidive volgens de reclassering onverminderd hoog.

De rechtbank overweegt dat wordt voldaan aan de eisen die de wet stelt aan het opleggen van een maatregel tot plaatsing in een inrichting voor stelselmatige daders.

Immers de door verdachte begane misdrijven betreffen misdrijven waarvoor voorlopige hechtenis is toegelaten, terwijl de verdachte in de vijf jaren voorafgaand aan de door hem begane misdrijven ten minste driemaal wegens een misdrijf onherroepelijk tot een vrijheidsbenemende straf of maatregel, een vrijheidsbeperkende maatregel of taakstraf is veroordeeld, en de feiten zijn begaan na tenuitvoerlegging van deze straffen of maatregelen. Voorts moet er ernstig rekening mee worden gehouden dat de verdachte wederom een misdrijf zal begaan en de veiligheid van personen of goed het opleggen van de maatregel eist.

De rechtbank is, gelet op voornoemde rapportages, van oordeel dat een behandeling van verdachte noodzakelijk is, teneinde het recidiverisico substantieel te verlagen. De rechtbank is dan ook van oordeel dat de maatregel tot plaatsing van verdachte in een inrichting voor stelselmatige daders wenselijk en noodzakelijk is, mede ter bescherming van de maatschappij.

De rechtbank acht het in dit geval niet aangewezen om de noodzaak van de voortzetting van de tenuitvoerlegging van de maatregel tussentijds te beoordelen.

De oplegging van straf of maatregel is, behalve op de reeds aangehaalde wettelijke voorschriften, gegrond op de artikelen 38m, 38n en 57 van het Wetboek van Strafrecht.

BESLISSING

Het onder 1 en 2 ten laste gelegde is bewezen zoals hiervoor aangegeven en levert de strafbare feiten op, zoals hiervoor vermeld. De verdachte is deswege strafbaar.

De rechtbank legt aan verdachte op de maatregel tot plaatsing in een inrichting voor stelselmatige daders (ISD) voor de duur van twee jaren.

Aldus gewezen door mr. H.Th. Pos, voorzitter, mrs. J.P.C. Obbink en C.P. Lunter, rechters, in tegenwoordigheid van mr. N. van Olst-van Esch, griffier en uitgesproken ter openbare terechtzitting van 10 november 2009.