Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBZLY:2009:BL3705

Instantie
Rechtbank Zwolle-Lelystad
Datum uitspraak
25-11-2009
Datum publicatie
17-02-2010
Zaaknummer
125339 / HA ZA 06-1261
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Letselschadevordering:

- Waarde partijrapport

- Pre-existente klachten

- Causaal verband tussen restklachten en verminderde belastbaarheid

- Beschikbaar stellen van patiëntenkaart

Wetsverwijzingen
Burgerlijk Wetboek Boek 6
Burgerlijk Wetboek Boek 6 162
Wet aansprakelijkheidsverzekering motorrijtuigen
Wet aansprakelijkheidsverzekering motorrijtuigen 6
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
JA 2010/63

Uitspraak

vonnis

RECHTBANK ZWOLLE-LELYSTAD

Sector civiel recht

zaaknummer / rolnummer: 125339 / HA ZA 06-1261

Vonnis van 25 november 2009

in de zaak van

[eiser],

wonende te [woonplaats],

eiseres,

advocaat mr. R.K.E. Buysrogge,

tegen

de naamloze vennootschap

N.V. UNIVÉ SCHADE,

gevestigd te Zwolle,

gedaagde,

advocaat mr. D. Meulenberg.

Partijen zullen hierna [eiser] en Univé genoemd worden.

1. De procedure

1.1. Het verloop van de procedure blijkt uit:

- de dagvaarding

- de conclusie van antwoord

- de conclusie van repliek

- de conclusie van dupliek

- de akte uitlating producties.

1.2. Ten slotte is vonnis bepaald.

2. De feiten

2.1. [eiser] (geboren op [1974]) is op 18 november 1994, als bestuurster van een auto, betrokken geraakt bij een ongeval, waarbij de door haar bestuurde auto is aangereden door een andere auto, bestuurd door [A.]. De laatste auto was verzekerd bij Univé. Univé heeft haar, uit artikel 6 WAM voortvloeiende, aansprakelijkheid jegens [eiser] volledig erkend.

2.2. [eiser] is nadien neurologisch begeleid door dr. J.J.W. Prick, die in een brief d.d. 23 december 1994 over haar schrijft: (…)

“Begin november was patiente betrokken bij een autoongeval; zij reed op een voorrangsweg en kwam in aanrijding met een automobilist die van rechts de straat op reed zonder voorrang te verlenen. Er was geen duidelijk trauma capitis. Geen bewusteloosheid. Vrijwel aansluitend aan het ongeval klaagde zij over nekklachten. De dagen na het ongeluk werden de nekklachten steeds erger, kreeg zij ook steeds meer hoofdpijn, ontstond er duizeligheidsklachten, ten dele inspanningsafhankelijk. Visuele klachten had zij niet. Concentratie is onveranderd gebleven. Voor het overige waren er geen verwondingen. Nadien waren er ook geen andere klachten.

De verdere neurologische en tractusanamnese vermeldt geen grote bijzonderheden, behoudens preexistent lichte nek- en hoofdpijnklachten, m.n. bij wat meer stress. De voorgeschiedenis is blanco. (…)

Conclusie

Autoongeval met mogelijk acceleratie/deceleratietrauma van de nek met nadien persisterende nek- en hoofdpijnklachten en duizeligheid.

2.3. Op verzoek van beide partijen heeft de neuroloog dr. H.J. Gelmers op 16 maart 1996 een rapport uitgebracht over de gezondheidstoestand van [eiser]. Hij heeft daarbij vastgesteld dat [eiser] ten gevolge van het ongeval een craniocervicaal acceleratietrauma, gevolgd door het late whiplash syndroom heeft opgelopen. Op de hem gestelde vragen heeft dr. Gelmers geantwoord: (…)

4 ik acht een eindtoestand bereikt

5 ik heb helaas geen therapeutische suggesties

6 ten aanzien van de prognose vrees ik dat met blijvende klachten rekening moet worden gehouden

7 de beperkingen hangen samen met de een lichte pijndysfunctie, een verminderde belastbaarheid, in het bijzonder van de bovenste gordel, en een verhoogde vermoeidbaarheid poliklinisch whiplashprogramma.

daardoor is betrokkene niet beperkt in de ADL functies, maar duidelijk in de hobby’s sport en recreatie. Een beroep oefent zij nog niet uit, maar gevreesd moet worden dat ook in de eventuele beroepsuitoefening beperkingen zullen bestaan, afhankelijk van de aard van het beroep dat zij zal kiezen.

8 Er bestaat als gevolg van het op 20 febr. 1994 doorgemaakte ongeval functionele invaliditeit en wel uit te drukken in een percentage van 4%.

2.4. [eiser] heeft van 8 augustus 1995 tot 11 oktober 1995 een revalidatie dagbehandeling ondergaan in Het Roessingh te Enschede, centrum voor revalidatie. In een brief van de revalidatiearts F.A.A. van Dam d.d. 31 oktober 1995 staat:

Diagnose:

* Whiplashsyndroom sinds november 1994 na auto-ongeval.

Verloop/Situatie bij afsluiting van het whiplash-programma

(..) Met name bij de oefeningen en gedoseerde conditieopebouw bleek haar zeer geringe belastbaarheid. Confrontatie hiermee, terwijl zij als zeer actief hockey speelster en – trainster voorheen een uitstekende conditie had, was heel moeilijk voor haar. Zij vindt het nog steeds heel moeilijk eraan te wennen gedwongen te zijn activiteiten gedoseerd te moeten uitvoeren en dan ook nog op een heel laag niveau. (…) Bij de psychologische screening op 17-07-1995 kwamen geen cognitieve beperkingen naar voren.(…)

Wat betreft haar opleiding en eventueel toekomstige mogelijkheden: ze probeert toch het komende jaar M.E.A.O. examen te halen. Ook hierbij stuit zij op de aangegeven belastingsbeperkingen.

2.5. In 1996 is [eiser] gestart met de opleiding tot makelaar. Per mei 1998 is zij begonnen als stagiaire bij een makelaarskantoor te Amsterdam, waar zij op 1 november 1998 in dienst is getreden als assistent makelaar. In mei 2001 heeft [eiser] haar makelaarsdiploma gehaald.

2.6. In de periode van 1 mei 1999 tot 21 mei 2000 heeft [eiser] fulltime gewerkt en per laatstgenoemde datum heeft zij zich voor één dag in de week ziek gemeld. In januari 2001 heeft [eiser] haar werkzaamheden fulltime hervat en half februari 2001 is zij teruggevallen naar vier dagen werken per week. Per einde wachttijd (20-05-2001) is [eiser] geschikt geacht voor passend werk voor vier dagen per week en ontving [eiser] een arbeidsongeschiktheidsuitkering passend bij een arbeidsongeschiktheidsklasse van 15-25%.

2.7. Bij beschikking van 11 november 2002 heeft het UWV de WAO-uitkering van [eiser] met ingang van 1 januari 2002 ingetrokken omdat [eiser] met haar medische beperkingen en bekwaamheden nog arbeid kan verrichten waarmee zij meer dan 85% kan verdienen van hetgeen de gelijksoortige persoon zou verdienen, zodat haar verlies aan verdiencapaciteit minder dan 15% is. [eiser] heeft bezwaar gemaakt tegen deze beslissing, welk bezwaar ongegrond is verklaard.

2.8. Sedert november 1999 stond [eiser] onder behandeling bij de manueel therapeut R. Griffioen, werkzaam bij Medisch centrum IBIS te Amstelveen. Griffioen heeft op 12 maart 2002 het volgende over [eiser] geschreven: “Zij wordt behandeld voor de restklachten welke gediagnosticeerd zijn door ons als Post-whiplashsyndroom ten gevolge van het ongeval dd. november 1994.

Beschrijving van de aanvankelijke klachten; Nekpijn, duizeligheid (licht gevoel in het hoofd) hoofdpijn, mobiliteits beperkingen van de cervicale wervelkolom vnl in extensie en rotatie bdz. Gevoel van futloosheid en een zeer lage belastbaarheid in ADL.

De behandeling bestaat uit gerichte manuele therapie met name voor de cervicale wervelkolom en trainingstherapie ter conditie verbetering en belastbaarheidsverhoging zowel in sport als werk. De belastbaarheid is in een periode van 2 jaar opgevoerd naar ongeveer 80%.

De status praesens is dat Mevr [eiser] nog wel wisselende klachten van de nek heeft en periodiek hoofdpijn met name als de belasting langduriger is. Vooral het trias nekpijn, hoofdpijn en duizelingen beletten haar meer dan 80% te werken.

Prognose: er is nog verbetering te bereiken op het gebied van belastbaarheid met name door het voortzetten van sportactiviteiten met aandacht voor stabiliserende oefeningen van de werkvelkolom en cardio-respiratoire training.

Verder reageert zij erg goed op een onderhoudsbehandelregime manuele therapie met een frequentie van eenmaal per 6 a 8 weken. Dit is in de toekomst zeker nog verder af te bouwen.”

2.9. In [2004] is [eiser] bevallen van een dochter en daarna is ze drie dagen per week gaan werken op een ander makelaarskantoor.

2.10. Univé heeft aan voorschotten onder algemene titel EUR 35.000,00 aan [eiser] betaald. Daarnaast heeft ze een totaalbedrag van EUR 6.329,60 aan Bureau Pals vanwege buitengerechtelijke kosten voldaan.

3. De vordering

3.1. [eiser] vordert samengevat en na wijziging van eis - veroordeling van Univé tot betaling van EUR 293.925,63, vermeerderd met rente, alsmede de afgifte van een belastinggarantie, met veroordeling van Univé in de proceskosten. Voormeld bedrag bestaat uit de volgende posten:

- verlies van verdienvermogen: EUR 260.221,00

- gemiste hockeyinkomsten: EUR 3.891,17

- overige materiele schade: EUR 4.084,02

- smartengeld: EUR 10.000,00

- kosten rechtsbijstand EUR 15.729,44.

3.2. [eiser] stelt daartoe onder meer dat zij in de situatie zonder ongeval haar mbo-diploma in 1995 zou hebben behaald en dat sprake is geweest van een jaar studievertraging. Voorts stelt zij dat zij in de situatie zonder ongeval in 1998 fulltime als assistent makelaar werkzaam zou zijn geweest en dat zij op die wijze tot [2004] gewerkt zou hebben, waarna zij vanwege de geboorte van haar eerste kind een dag in de week minder zou zijn gaan werken. Dat zou zij tot het twaalfde levensjaar van haar jongste kind hebben gedaan, zodat zij in 2018 weer fulltime zou hebben gewerkt. Op basis van deze uitgangspunten heeft Pals Groep een actuariële berekening gemaakt, die sluit op een bedrag van EUR 260.221,00.

3.3. Ook stelt zij na het ongeval niet in staat te zijn geweest om hockeytrainingen te geven, waardoor zij inkomsten heeft gemist, welke trainingen zij zou hebben gegeven tot het moment dat zij fulltime zou hebben gewerkt.

3.4. Wat de smartengeldvergoeding betreft betoogt [eiser] dat zij haar hobby’s, waaronder de hockeysport niet meer kan beoefenen en dat zij tot op heden aanzienlijke klachten en beperkingen heeft, zodat, mede gelet op haar jonge leeftijd, een vergoeding van EUR 10.000,00 te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf 18 november 1994 geïndiceerd is.

3.5. De kosten van rechtbijstand door de Pals Groep hebben volgens [eiser] EUR 15.729,44 bedragen.

4. Het verweer

4.1. Univé heeft het gevorderde betwist.

4.2. Op de stellingen van partijen zal hieronder – voor zover van belang – nader worden ingegaan.

5. De beoordeling

5.1. [eiser] onderbouwt haar vorderingen onder meer met een beroep op het rapport van dr. Gelmers, waaruit volgens haar blijkt dat zij als gevolg van het ongeval een “zware whiplash” heeft opgelopen met een blijvend invaliditeitspercentage van 4%.

5.2. Univé heeft de juistheid van dat rapport betwist en de betekenis ervan voor het geschil tussen partijen gerelativeerd.

5.3. De rechtbank overweegt dienaangaande als volgt.

Voorop staat dat de rapportage van een deskundige in beginsel tot bewijs kan dienen, ook al is deze rapportage anders dan op de voet van de artikelen 194 – 199 of 202 – 207 Rv. tot stand gekomen. Naar vaste rechtspraak staat immers de waarde die aan de inhoud van een deskundigenrapport kan worden toegekend ter discretie van de feitenrechter. Op grond van het rapport kan in ieder geval worden vastgesteld dat [eiser] als gevolg van het ongeval een craniocervicaal acceleratietrauma, gevolgd door het late whiplash syndroom heeft opgelopen. Weliswaar staat er ook in dat rapport dat sprake is van een medische eindtoestand, maar uit de stellingen van [eiser] en de door haar overgelegde brieven uit de behandelende (medische) sector volgt dat dat een onjuiste aanname is. Er blijkt juist uit dat de revalidatietherapie en de behandelingen die zij nadien heeft ondergaan, hebben geleid tot een verbetering van haar gezondheidstoestand en een verhoging van haar belastbaarheid.

5.4. [eiser] stelt dat zij ondanks die verbeteringen niet in staat is gebleken fulltime te werken, maar slechts 80%, hetgeen zij nog steeds aan het ongeval wijt. Univé heeft dat betwist en voert aan dat [eiser] ook voor het ongeval bekend was met lichte nek- en hoofdpijnklachten, met name bij wat meer stress, hetgeen niet bij het onderzoek door dr. Gelmers aan de orde is geweest. Voorts zou de karakterstructuur van [eiser] (perfectionisme en geldingsdrang) haar in de weg hebben gestaan bij het fulltime verrichten van haar werkzaamheden. Univé wijst er daarbij op dat [eiser] in staat is gebleken om in de periode van 1 mei 1999 tot 21 mei 2000 fulltime te werken en dat zij daarvoor wekelijks gedurende 4 dagen heeft gewerkt en 1 dag studeerde. De huidige klachten en beperkingen van [eiser] zouden niet voortvloeien uit het haar overkomen ongeval.

5.5. Hoewel Univé kan worden toegegeven dat daarin steun te vinden is voor haar stelling dat [eiser] anno 1999 geen klachten meer had die tot (uren)beperkingen leidden, is de rechtbank van oordeel dat deze feiten nog niet tot de conclusie nopen dat nadien geen sprake meer kan zijn van uitval wegens ongevalsgerelateerde klachten. Enerzijds zijn in de door [eiser] overgelegde bescheiden van de manueel therapeut Griffioen (die haar in die periode behandelde) en de (verzekerings)artsen aanknopingspunten te vinden voor haar stelling dat zij structureel en consequent (rest)klachten heeft geuit die gediagnosticeerd zijn als post whiplashsyndroom en leiden tot verminderde belastbaarheid. Anderzijds valt bij lezing van de stukken op dat daarbij nooit is onderzocht in hoeverre andere oorzaken een rol hebben gespeeld bij haar uitval en verminderde belastbaarheid. In ieder geval kan de rechtbank op basis van de voorliggende stukken niet beoordelen of thans nog steeds sprake is van door het ongeval veroorzaakte restklachten die bij [eiser] hebben geleid tot een verminderde belastbaarheid voor haar werkzaamheden. Sinds het medisch expertiseonderzoek door dr. Gelmers zijn meer dan 15 jaar verlopen. De destijds gekozen vraagstelling (die summierlijk blijkt uit de in dat rapport gegeven antwoorden) schiet tekortschiet, zeker wanneer ze wordt vergeleken met de door de IWMD (Interdisciplinaire Werkgroep Medische Deskundigen) ontwikkelde vraagstelling, waaraan de rechtbank de voorkeur geeft wanneer zij zelf een deskundige benoemt. Bovendien hebben na dat onderzoek behandelingen plaatsgevonden die de belastbaarheid hebben vergroot, waarbij Griffioen een positieve prognose heeft gegeven. Hij schrijft immers in 2002 dat er nog verbetering te bereiken zou zijn op het gebied van belastbaarheid, met name door het voortzetten van sportactiviteiten met aandacht voor stabiliserende oefeningen van de werkvelkolom en cardio-respiratoire training en dat het onderhoudsbehandelregime (manuele therapie) in de toekomst zeker nog verder af te bouwen zou zijn.

5.6. De rechtbank is, met Univé, van oordeel dat voormelde feiten afbreuk doen aan de waarde van het expertiserapport van dr. Gelmers en een hernieuwd neurologisch onderzoek en, zo de neuroloog dat noodzakelijk acht, neuropsychologisch onderzoek geïndiceerd is.

Aangezien [eiser] ten tijde van het ongeval geen relevante werkervaring had, kan het niet op voorhand uitgesloten worden geacht dat haar karakterstructuur en de door dr. Prick geduide pre-existente lichte nek- en hoofdpijnklachten met name bij wat meer stress (mede) debet zijn aan haar urenbeperking. In ieder geval heeft [eiser] het causale verband tussen het ongeval en de huidige door haar ervaren klachten nog niet bewezen. Daarbij merkt de rechtbank op dat [eiser] weliswaar stelt dat zij nog steeds klachten en beperkingen heeft, maar welke dat zijn blijft ongewis nu zij die niet expliciet noemt.

5.7. Aansluitend dient onderzoek door een arbeidsdeskundige plaats te vinden, aan de hand van een nog door de verzekeringsarts vast te stellen beperkingenprofiel. Aldus kan beoordeeld worden of [eiser] met de mogelijk als dan vastgestelde beperkingen slechts in staat is om haar werkzaamheden voor 80% te verrichten, zoals zij stelt. Deze deskundige kan zich dan tevens uitlaten over de arbeidsparticipatie van vrouwen in de makelaardij nu partijen daarover ook van mening verschillen.

5.8. Om te kunnen vaststellen of en in hoeverre [eiser] in de hypothetische situatie zonder ongeval ook enige klachten zou hebben gehad bij het fulltime uitvoeren van werkzaamheden, is het zinvol dat haar medische situatie, zowel voor als na het ongeval, nauwkeurig in beeld wordt gebracht. De informatie van de huisarts is daarbij zeer belangrijk. Het ligt op de weg van [eiser], die als patiënte recht heeft op afgifte van de bij haar huisarts over haar aanwezige medische informatie, er zorg voor te dragen dat deze informatie beschikbaar komt.

4.10. Tussen partijen staat ter discussie of [eiser] gehouden is haar patiëntenkaart aan de deskundige en aan de medisch adviseur van Univé beschikbaar te stellen. De rechtbank overweegt dienaangaande als volgt. Het gaat bij het antwoord op die vraag om een afweging tussen twee grondrechten, het recht op een eerlijk proces, meer specifiek het recht op “equality of arms” en het recht op bescherming van de persoonlijke levenssfeer. Het is niet mogelijk om deze rechten in abstracto tegen elkaar af te wegen. Per geval zal een afweging moeten worden gemaakt. Daarbij spelen factoren als de hoogte van de schadeclaim, de (gestelde) duur van de gestelde klachten en aanwijzingen voor het bestaan van een relevante medische voorgeschiedenis een belangrijke rol. De uitkomst van de afweging zal in elk geval dienen te voldoen aan de beginselen van proportionaliteit en subsidiariteit. Bij het bepalen van het gewicht dat aan een bepaald belang wordt toegekend, is daarmee onder meer relevant of aan dit bepaalde belang op een andere, minder ingrijpende manier tegemoetgekomen kan worden.

5.9. [eiser] heeft een vordering van een aanzienlijke omvang ingesteld. Die vordering is gebaseerd op de stelling dat zij alleen vanwege het ongeval gedeeltelijk arbeidsongeschikt is geworden en daardoor forse inkomensschade (EUR 260.221,00) lijdt. Univé heeft voldoende gemotiveerd gesteld dat de klachten van [eiser] mogelijk mede het gevolg zijn van reeds aanwezige fysieke beperkingen (pre-existenties) en karakterstructuur, ergo niet ongevalgerelateerde feiten. Om die stelling van Univé te kunnen beoordelen, is een onderzoek naar de volledige medische voorgeschiedenis van [eiser] onontkoombaar. De deskundige zal dan ook dienen te beschikken over de volledige medische informatie van [eiser]. Om de bevindingen van de deskundige, mede naar aanleiding van de volledige informatie, te kunnen beoordelen, en indien nodig te weerleggen, dienen partijen ook te beschikken over die informatie. [eiser] beschikt over die informatie, Univé niet. Dat betekent dat Univé in haar processuele positie ten opzichte van [eiser] een relevante kennisachterstand heeft. Onder die omstandigheden komt aan het belang van Univé bij inzage in de volledige medische informatie meer gewicht toe dan aan het belang van [eiser] bij het achterhouden van deze persoonlijke informatie. In dit kader is van belang dat [eiser] geen relevante werkervaring heeft op grond waarvan objectief kan worden vastgesteld dat zij voor het ongeval geschikt was voor een belastende functie als makelaar en dat zij 4½jaar na het ongeval geruime tijd zonder urenbeperking in deze functie heeft gewerkt, zodat Univé terecht vragen heeft bij het causale verband. Er is geen sprake van een “fishing expedition”. Er is evenmin aanleiding om te veronderstellen dat Univé misbruik zal maken van de door haar verkregen informatie, bijvoorbeeld door aan de hand van die informatie allerlei chicaneuse causaliteitsverweren te voeren, zoals [eiser] lijkt te suggereren. De slotsom is dat [eiser] haar patiëntenkaart dient op te vragen bij haar huisarts en deze zowel aan de deskundige(n) als aan Univé beschikbaar dient te stellen.

5.10. Partijen hebben zich al uitgelaten over het aantal deskundigen, hun discipline en hun persoon. Partijen zijn er niet in geslaagd een eensluidend voorstel te doen, zodat de rechtbank - met inachtneming van wat partijen over de desbetreffende deskundigen hebben gesteld – zelf de deskundigen aan de hand van haar register zal kiezen. Ten aanzien van de aan de deskundige te stellen vragen heeft Univé gesteld dat de vraagstelling conform het IWMD-model zal moeten zijn, hetgeen de rechtbank onderschrijft, terwijl [eiser] zich daarover nog niet heeft uitgelaten. Partijen worden in de gelegenheid gesteld zich uitsluitend uit te laten over de aan de neuroloog, de verzekeringsgeneeskundige en de arbeidsdes-kundige voor te leggen vragen. De rechtbank zal iedere verdere beslissing aanhouden.

6. De beslissing

De rechtbank

6.1. verwijst de zaak naar de rol van woensdag 9 december 2009 voor akte door beide partijen.

6.2. houdt iedere verdere beslissing aan.

Dit vonnis is gewezen door mr. M.H.S. Lebens-de Mug, mr. J. van der Hulst en mr. A.A.A.M. Schreuder en in het openbaar uitgesproken op 25 november 2009.