Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBZLY:2009:BL1463

Instantie
Rechtbank Zwolle-Lelystad
Datum uitspraak
07-10-2009
Datum publicatie
01-02-2010
Zaaknummer
153267 - HA ZA 09-98
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Boedelverdeling na echtscheiding.

Toedeling van het huurrecht van een standplaats voor een woonwagen en toedeling van die woonwagen ("chalet").

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

vonnis

RECHTBANK ZWOLLE-LELYSTAD

Sector civiel recht

zaaknummer / rolnummer: 153267 / HA ZA 09-98

Vonnis van 7 oktober 2009

in de zaak van

[eiser],

domicilie kiezende te [woonplaats],

eiser,

advocaat mr. F.A. de Munnik- Hoogendoorn,

tegen

[gedaagde],

wonende te [woonplaats],

gedaagde,

advocaat mr. Th.H. Meeuwis.

Partijen zullen hierna [eiser] en [gedaagde] genoemd worden.

1. De procedure

1.1. Het verloop van de procedure blijkt uit:

- het tussenvonnis van 3 juni 2009

- de twee akten met producties van [eiser]

- het proces-verbaal van comparitie van 25 september 2009.

1.2. Ten slotte is vonnis bepaald.

2. De feiten en het geschil

2.1. Partijen zijn sedert 21 januari 2008 ex-echtgenoten. Het geschil betreft de afwikkeling van de gemeenschap van goederen waarin partijen gehuwd zijn geweest.

2.2. Op de vorderingen van partijen, hun stellingen en verweren wordt hierna, voor zover van belang, nader ingegaan.

3. De beoordeling

3.1. Huurrecht [adres] en chalet

Partijen hebben enkele jaren voorafgaand aan de echtscheiding een bedrag van netto

EUR 75.000,= ontvangen als vergoeding voor het moeten verlaten van hun standplaats vanwege de aanleg van de Hanzelijn. Partijen hebben dit bedrag grotendeels geïnvesteerd in de aanschaf van een nieuw chalet op een door de gemeente [woonplaats] aangewezen nieuwe locatie, [adres] te [woonplaats], waarvoor zij een huurcontract met een zogenoemd langstlevende-beding zijn aangegaan. De huursom bedraagt (thans) EUR 300,= per jaar. Partijen zijn het erover eens dat het huurrecht het belangrijkste vermogensbestanddeel is dat in het kader van de ontbonden huwelijksgoederengemeenschap tussen partijen dient te worden verdeeld.

3.2. Het standpunt van [eiser] houdt in dat het huurrecht van de grond aan hem dient te worden toegedeeld, aangezien de nieuwe locatie hem feitelijk en juridisch de mogelijkheid biedt aldaar een autoreparatiebedrijf te starten. Hij stelt zich op het standpunt dat het chalet hem in dat geval tevens kan worden toegedeeld tegen een waarde van

EUR 48.000,=, welk bedrag hij bij helfte (lees EUR 24.000,=) bereid is te vergoeden aan [gedaagde]. Anders dan hij is [gedaagde] niet economisch gebonden aan de standplaats. Zij kan na inschrijving bij de gemeente op een (ander) woonwagenkamp een andere standplaats krijgen. Verkoop en/of verplaatsing van het chalet is tot op heden niet gelukt vanwege de grootte van het chalet voor een (gemiddelde) campingplaats, de hoge kosten van het verplaatsen en het eventuele beletsel van een mogelijk vereiste bouwvergunning voor het elders plaatsen van het chalet. Om die reden wenst [eiser] geen toedeling van het chalet aan hem indien hij niet tevens het huurrecht van de grond krijgt.

3.3. [gedaagde], die geen financiële middelen heeft voor de uitkoop van [eiser] en leeft van een Wajong-uitkering, vordert op haar beurt toedeling van het huurrecht van de grond. Zij heeft haar hele leven in een woonwagen gewoond, kan niet aarden in een ‘gewoon’ huis en kan in het kader van de verdeling van de ontbonden huwelijksgoederengemeenschap opnieuw haar intrek nemen in de oude stawagen van partijen op genoemd perceel. Het chalet, waarvan zij de waarde stelt op EUR 55.000,=, kan onderhands aan derden worden verkocht dan wel tegen vergoeding aan [eiser] worden toegedeeld, mits hij dit verwijdert van de standplaats.

Ter zitting heeft [gedaagde] haar standpunt in zoverre gewijzigd dat zij er de voorkeur aan geeft dat het huurrecht van de grond aan haar wordt toegedeeld, ook indien zij bij eventuele toedeling van het chalet aan [eiser] geen enkele financiële vergoeding krijgt voor het chalet.

3.4. Uit vorengenoemde standpunten van partijen leidt de rechtbank af dat het chalet in de ogen van partijen voor hen beiden geen economisch rendabel vermogensbestanddeel is, indien dit niet kan blijven staan op de huidige standplaats. Voor [gedaagde] geldt dat zij haar intrek in de oude stawagen kan nemen en dat het haar aan financiële middelen ontbreekt om [eiser] uit te kopen. Voor [eiser] geldt dat hij de uitkoop van [gedaagde] kan en wil financieren mits hij het huurrecht van de grond krijgt. Daar staat weer tegenover dat [gedaagde] niet geïnteresseerd is in enige financiële vergoeding aan haar voor het chalet. Zij wil (slechts) blijven wonen op de huidige standplaats van partijen.

3.5. Onbetwist staat vast dat de kosten van aanschaf van het chalet EUR 45.000,= bedragen, nog los van de overige investeringen van circa EUR 15.000,= voor vervoer, cv, leidingen, riolering en gevelbekleding. Tegen die achtergrond houdt de rechtbank het ervoor dat het chalet onmiskenbaar een waarde vertegenwoordigt in het economisch verkeer als een te verplaatsen (recreatie)woning.

3.6. De rechtbank laat bij de toedeling van het huurrecht van de grond het belang van [gedaagde] prevaleren. [gedaagde] woont haar hele leven in een woonwagen en kan op de huidige locatie de oude stawagen weer betrekken. Zij geeft hieraan de voorkeur (zelfs) boven een (aanzienlijke) financiële vergoeding van [eiser]. Weliswaar is aannemelijk is dat [gedaagde] ook elders in een woonwagen kan wonen, echter ook voor [eiser] geldt dat niet valt in te zien waarom hij zijn voornemen om een autoreparatiebedrijf niet elders kan vormgeven en dat hij dit voornemen uitsluitend kan realiseren op de onderhavige locatie waarvoor blijkbaar slechts een huursom ad EUR 300,= per jaar verschuldigd is. De enkele stelling van [eiser] dat de gemeente [woonplaats] bereid zou zijn een dergelijke bestemming via nog te verlenen vergunningen toe te staan op deze locatie doet daar niet aan af, nog afgezien van de vraag of deze stelling al juist is. Deze stelling is immers gemotiveerd betwist door [gedaagde] en [eiser] zelf stelt dat met de gemeente gesproken is over een werklocatie, hetgeen iets anders is dan een concrete toezegging door het daartoe bevoegde bestuursorgaan dat alle benodigde vergunningen voor het kunnen vestigen van een autoreparatiebedrijf daadwerkelijk kunnen en zullen worden afgegeven. Of het daartoe zal komen is voor de rechtbank volslagen duister.

3.7. In het kader van de belangenafweging tussen partijen staat voorop dat het een feit van algemene bekendheid is dat er (zeker thans) meer dan voldoende bestaande, te huur staande bedrijfsunits zijn waarin een autoreparatiebedrijf kan worden opgestart tegen (eveneens relatief) beperkte kosten van huur, zodat niets in de weg staat aan het voornemen van [eiser] om een dergelijk bedrijf te starten.

Daar komt bij dat er blijkbaar tot op heden nog geen bijzondere investeringen zijn verricht op het terrein van partijen, ook al zou [gedaagde] dit volgens [eiser] verhinderd hebben. Er zijn slechts gwl-aansluitingen aangelegd. Voorts bevreemdt het dat [eiser] (thans) blijkbaar geen vaste woon- of verblijfplaats heeft, geen (tijdelijke) baan heeft (in de autobranche), blijkbaar al jaren zonder uitkering en/of fiscaal door hem verantwoord inkomen leeft en slechts via een particulier een bedrag van EUR 24.000,= voor de uitkoop van [gedaagde] zegt te kunnen financieren.

3.8. Tenslotte geldt dat [eiser] het antwoord is schuldig gebleven op de vraag hoe hij zijn bedrijfsmiddelen meent te kunnen financieren: het bouwen van een loods met hefbrug (wat veel kostbaarder is dan het huren van een bedrijfsunit), de aanschaf van autogereedschappen en de kosten van verzekeringen en public relations.

Anders geformuleerd, zelfs indien aan de vaagheid van de plannen en aan het niet verifieerbaar onderbouwde financiële kader waarbinnen het voornemen van [eiser] vorm zou moeten krijgen wordt voorbijgegaan, dan nog zijn er geen klemmende omstandigheden waarom het belang van [eiser] prevaleert om juist op deze plek een nieuw autoreparatiebedrijf te kunnen realiseren.

Het belang van [eiser] is immers niet anders dan een voornemen om een autobedrijf op te starten, hetgeen huwelijksgoederenrechtelijk een niet tussen partijen te verdelen vermogensbestanddeel is, doch een belang dat meegewogen wordt in het kader van de totale belangenafweging tussen partijen bij de toedeling van de vermogensbestanddelen van partijen.

3.9. Tegen de achtergrond van deze beslissing inzake het huurrecht zal de rechtbank ex aequo et bono ter compensatie van de onderbedeling van [eiser] het chalet om niet aan hem toedelen, ook al wenst [eiser] geen toedeling van het chalet zonder het recht dit te kunnen gebruiken op de huidige standplaats.

[gedaagde] dient binnen 1 week na dagtekening van dit vonnis het chalet definitief te verlaten en de sleutels aan [eiser] ter hand te stellen, zodat hij de gelegenheid krijgt het chalet te (laten) verplaatsen en/of te slopen.

3.10. Overige vermogensbestanddelen

Met de toedeling van het chalet en de daaruit te realiseren (verkoop)waarde is [eiser] ruim overbedeeld. Daarmee is hij genoegzaam gecompenseerd voor wat betreft zijn overige vorderingen wegens onderbedeling. Zijn vorderingen op dit punt treffen overigens slechts zeer ten dele doel, namelijk hoofdzakelijk slechts voor wat betreft de belastingteruggave 2007 na echtscheiding aan [gedaagde] en de door partijen aangeschafte inboedel.

3.11. De rechtbank overweegt in dat verband nog dat het overschot van aanvankelijk

EUR 20.000,= van de door partijen ontvangen schade-uitkering ad EUR 75.000,=, na aankoop en betaling door partijen van het chalet ad EUR 45.000,= en onder meer nieuwe inboedel, merendeels door [gedaagde] staande huwelijk is uitgegeven in verband met diverse, door haar verifieerbaar onderbouwde kosten voor het kunnen bewonen van het chalet en derhalve niet voor vergoeding bij helfte aan [eiser] in aanmerking komt. Daarmee verwerpt de rechtbank het betoog onder 9 van de pleitaantekeningen van de advocaat van [eiser]. Dat geldt evenzeer voor de afkoop door [gedaagde], staande huwelijk, van de begrafenisverzekering. Anders dan [eiser] veronderstelt, geldt er geen verantwoordingsplicht voor het uitgavenpatroon staande huwelijk en dus kan ervan worden uitgegaan dat de staande huwelijk ontvangen, geringe uitkering is opgegaan aan kosten van de gewone huishouding vóór de datum van echtscheiding van partijen. De door [eiser] na datum echtscheiding door hem gemaakte taxatiekosten blijven voor zijn rekening. Geen vergoeding is [eiser] verschuldigd wegens verkoop/afvoeren staande huwelijk van de oude caravan.

3.12. De rechtbank zal zonder nadere vergoedingsverplichting tussen partijen de (oude) stacaravan toedelen aan [gedaagde], de rekeningen van ieder van partijen aan die partij op wiens/wier naam deze reeds staan, de computer en het gereedschap aan [eiser] en de inboedel van partijen aan [gedaagde].

3.13. Gelet op de relatie tussen partijen zullen de proceskosten tussen hen worden gecompenseerd, in die zin dat iedere partij de eigen kosten draagt.

4. De beslissing

De rechtbank

stelt de verdeling van de tussen partijen ontbonden huwelijksgoederengemeenschap aldus vast

4.1. deelt toe aan [eiser] het chalet, gelegen aan de [adres] te [woonplaats], met dien verstande dat [eiser] het chalet niet aldaar mag bewonen, doch slechts gerechtigd is dit te (doen) verwijderen en/of af te breken,

4.2. beveelt [gedaagde] uiterlijk 7 dagen na dit vonnis medewerking te verlenen aan de levering van het chalet aan [eiser],

4.3. deelt toe aan [eiser] de bankrekening(en) op zijn naam, het gereedschap en de computeronderdelen,

4.4. deelt toe aan [gedaagde] het huurrecht ten aanzien van [adres] te [woonplaats], de inboedel van partijen, de stawagen, de bankrekening(en) op haar naam en de door haar ontvangen belastingteruggaven,

4.5. verklaart dit vonnis tot zover uitvoerbaar bij voorraad,

4.6. compenseert de kosten van deze procedure tussen partijen, in die zin dat iedere partij de eigen kosten draagt,

4.7. wijst het meer of anders gevorderde af.

Dit vonnis is gewezen door mr. L.M. Rijksen en in het openbaar uitgesproken op 7 oktober 2009.