Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBZLY:2009:BL1133

Instantie
Rechtbank Zwolle-Lelystad
Datum uitspraak
29-12-2009
Datum publicatie
29-01-2010
Zaaknummer
07.410031-09
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

klachtvereiste, verkrachting, ontucht met minderjarige pleegdochter, bewijsmotivering, strafmaatmotivering.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK ZWOLLE - LELYSTAD

Sector Strafrecht - Meervoudige Strafkamer

Parketnummer: 07.410031-09 (P)

Uitspraak: 29 december 2009

VONNIS IN DE STRAFZAAK VAN:

het openbaar ministerie

tegen

(verdachte)

geboren (geboorteplaats),

wonende te (adres)

thans verblijvende in P.I. Flevoland, Huis van Bewaring Lelystad.

ONDERZOEK TER TERECHTZITTING

Het onderzoek ter terechtzitting heeft plaatsgevonden op 23 juli 2009, 14 oktober 2009 en 15 december 2009.

De verdachte is verschenen, bijgestaan door mr. I.E. Leenhouwers, advocaat te Alkmaar.

Als officier van justitie was aanwezig mr. C.C.S. Bordenga-Koppes.

TENLASTELEGGING

De verdachte is, zoals ter terechtzitting d.d. 15 december 2009 gewijzigd, ten laste gelegd dat:

1.

Hij op of omstreeks 10 februari 2003, althans in of omstreeks de maand februari 2003 in de gemeente Staphorst, door geweld of andere feitelijkheden en/of bedreiging met geweld of andere feitelijkheden (slachtoffer) heeft gedwongen tot het ondergaan van (een) handeling(en) die bestond(en) uit of mede bestond(en) uit het seksueel binnendringen van het lichaam van die (slachtoffer), hebbende verdachte die (slachtoffer) gedwongen te dulden dat verdachte zijn, verdachtes, penis in de vagina van die (slachtoffer) duwde/bracht en bestaande dat geweld of die andere feitelijkheden hierin dat verdachte bovenop die (slachtoffer) is gaan liggen, waarbij hij haar aan de polsen vast heeft gehouden, althans die (slachtoffer) heeft vastgehouden en/of misbruik heeft gemaakt van het uit feitelijke verhoudingen voortvloeiende overwicht en/of zijn verdachtes, fysieke en/of psychische en/of emotionele overwicht en/of het leeftijdsverschil en/of misbruik heeft gemaakt van het vertrouwen dat die (slachtoffer) in hem als pleegvader had en/of heeft aangedrongen op seksuele handelingen en/of zich dominant en/of dwingend heeft opgesteld ten opzichte van die (slachtoffer) (waartegen die (slachtoffer) zich niet meer kon of durfde te verzetten, gelet op het reeds vele malen plaatsgehad hebbende seksuele misbruik) en/of (aldus) voor die (slachtoffer) een bedreigende situatie heeft doen ontstaan;

2 primair

Hij op verschillende tijdstippen in of omstreeks de periode van 07 september 1996 tot 07 september 2000 in de gemeente Staphorst en/of elders in Nederland, (telkens) met (slachtoffer) (geboren op 7 september 1984), die de leeftijd van twaalf jaren maar nog niet die van zestien jaren had bereikt (telkens), buiten echt, een of meer ontuchtige handeling(en) heeft gepleegd, die( telkens) bestond(en) uit of mede bestond(en) uit het seksueel binnendringen van het lichaam van die (slachtoffer), hebbende verdachte (telkens) zijn vinger(s) in de vagina van die (slachtoffer)geduwd en/of gestopt en/of gehouden en/of zijn penis in de mond van die (slachtoffer)gebracht en/of geduwd en/of gehouden;

althans, indien het vorenstaande onder 2 niet tot een veroordeling mocht of zou kunnen leiden:

2 subsidiair

Hij op verschillende tijdstippen in of omstreeks de periode van 01 februari 1996 tot 07 september 2002 in de gemeente Staphorst en/of elders in Nederland meermalen ontucht heeft gepleegd met zijn minderjarige pleegdochter, (slachtoffer), geboren op 07 september 1984 bestaande die ontucht hierin dat hij (telkens) de vagina van die (slachtoffer) heeft gelikt en/of over de vagina heeft gestreeld en/of heeft gevingerd en/of die (slachtoffer) hem heeft gepijpt en/of heeft afgetrokken en/of die (slachtoffer) aan zijn tepels liet likken en/of knijpen en/of die (slachtoffer) zijn penis heeft laten vastpakken en/of vasthouden.

VOORVRAGEN

De rechtbank heeft vastgesteld dat de dagvaarding geldig is, dat zijzelf bevoegd is tot kennisneming van deze zaak, dat de officier van justitie ontvankelijk is in haar vervolging en dat er geen redenen zijn voor schorsing van de vervolging.

BEWIJSMOTIVERING

Het standpunt van het openbaar ministerie

De officier van justitie, mr. C.C.S. Bordenga-Koppes, heeft ter terechtzitting betoogd dat hetgeen onder 1 en 2 primair ten laste is gelegd wettig en overtuigend bewezen kan worden en heeft ter terechtzitting de veroordeling van verdachte gevorderd ten aanzien van hetgeen onder voornoemde feiten ten laste is gelegd.

Het standpunt van de verdediging

De raadsvrouw heeft aangevoerd dat voor een bewezenverklaring van het onder 1 ten laste gelegde onvoldoende wettig bewijs voorhanden is nu volgens de raadsvrouw aangeefster inconsistent en onvoldoende concreet heeft verklaard omtrent de feitelijkheden en het door haar cliënt vermeend gepleegde fysieke geweld. Voorts is de raadsvrouw van mening dat het dossier ook overigens onvoldoende aanknopingspunten bevat om te kunnen spreken van dwang.

Met betrekking tot het onder 2 primair tenlastegelegde heeft de raadsvrouw zich afgevraagd of, nu onderhavig feit een klachtdelict betreft en de klacht in het dossier ontbreekt, de aangifte in voldoende mate te beschouwen is als de wens vervolging in te stellen.

Voorts heeft de raadsvrouw aangevoerd dat het onder 2 primair en subsidiair tenlastegelegde niet wettig bewezen kan worden, nu het dossier geen verklaringen bevat die de aangifte van het slachtoffer voldoende kunnen ondersteunen, terwijl de zich in het dossier bevindende getuigenverklaringen daarvoor onvoldoende betrouwbaar zijn. De raadsvrouw is verder van mening dat de aangifte onvoldoende betrouwbaar is om tot een bewezenverklaring te kunnen komen nu die aangifte volgens de raadsvrouw tegenstrijdigheden bevat.

Derhalve heeft de raadsvrouw de rechtbank verzocht de verdachte van het onder 1 en 2 primair en subsidiair tenlastegelegde vrij te spreken.

Het oordeel van de rechtbank

De rechtbank overweegt, op grond van de hierna in voetnoten vermelde bewijsmiddelen, het navolgende.

Met betrekking tot het onder 1 tenlastegelegde is de rechtbank van oordeel dat het dossier onvoldoende aanknopingspunten biedt om te komen tot bewezenverklaring van de omstandigheid dat verdachte aangeefster door geweld of andere feitelijkheden dan wel bedreiging met geweld of andere feitelijkheden heeft gedwongen tot het ondergaan van handelingen die mede bestonden uit het seksueel binnendringen van het lichaam van aangeefster. De aangifte is, wat de feitelijkheden betreft waaronder de verkrachting zou hebben plaatsgevonden, erg summier en wordt niet ondersteund door andere op dit incident toegesneden verklaringen in het dossier. Aangeefster heeft bovendien verklaard dat het is voorgekomen dat zij zelf seksuele gevoelens had en zich dan seksueel liet benaderen door haar pleegvader. Dat verdachte met aangeefster op of omstreeks 10 februari 2003 seksueel contact heeft gehad is een gegeven. Dat dit seksuele contact onder dwang heeft plaatsgevonden is echter, gezien het voorliggende dossier, onvoldoende vast te stellen. De enkele vermelding in het dagboek van aangeefster dat er sprake is geweest van gedwongen seks, acht de rechtbank, in het licht van het voorgaande, onvoldoende.

Gezien het voornoemde is de rechtbank van oordeel dat onvoldoende wettig bewijs voorhanden is om tot een bewezenverklaring van het onder 1 tenlastgelegde te komen. De rechtbank zal verdachte derhalve van het onder 1 tenlastegelegde vrijspreken.

Met betrekking tot het onder 2 primair ten laste gelegde overweegt de rechtbank het volgende. Dit betreft een klachtdelict.

Op 4 september 2008 heeft bij de Regiopolitie IJssellland een informatiegesprek plaatsgevonden tussen zedenrechercheurs en (slachtoffer) . Uit dit (op 1 december 2009) woordelijk uitgewerkte gesprek blijkt dat (slachtoffer) door de zedenrechercheurs is gewezen op de mogelijke consequenties van het doen van aangifte. Vervolgens heeft (slachtoffer) op 8 januari 2009 daadwerkelijk aangifte gedaan. Naar het oordeel van de rechtbank volgt daaruit dat (slachtoffer) ten tijde van het opmaken van de aangifte onmiskenbaar de bedoeling had dat vervolging zou worden ingesteld. Gezien het voornoemde is de rechtbank van oordeel dat aan het klachtvereiste is voldaan.

Met betrekking tot het onder 2 primair tenlastegelegde overweegt de rechtbank voorts het volgende.

Aangeefster heeft verklaard dat zij van haar 12e tot haar 16e levensjaar, nadat het gezin was verhuisd naar Staphorst, bij verdachte - destijds haar pleegvader - buiten echt, op zijn aandringen seksuele handelingen heeft verricht . Aangeefster heeft onder meer verklaard dat zij door verdachte werd gevingerd en dat zij verdachte moest pijpen. Tevens heeft aangeefster verklaard dat zij verdachte op de rug moest kriebelen en moest “helpen” bij het klaarkomen en aan zijn tepels moest draaien en dat zij daar geld voor kreeg . Volgens aangeefster vonden deze handelingen gemiddeld één maal per week plaats met name op de slaapkamer van haar pleegouders op de begane grond in de woning in Staphorst . Aangeefster heeft voorts verklaard dat zij regelmatig met verdachte naar de motorcross ging en dat aangeefster en verdachte hebben overnacht in een crossbus alwaar eveneens seksuele handelingen zouden hebben plaatsgevonden . Bij de rechter-commissaris heeft aangeefster eender verklaard over voornoemde seksuele handelingen alsook ter terechtzitting d.d. 15 december 2009, alwaar aangeefster als getuige is gehoord.

De verklaringen van haar pleegbroer (pleegbroer) en (getuige) ondersteunen de verklaringen van aangeefster. Beiden herinneren zich dat aangeefster zich met een zekere regelmaat op verzoek of in opdracht van verdachte naar de slaapkamer op de begane grond begaf om daar vervolgens geruime tijd te verblijven, waarbij de toegangsdeur werd gesloten. (getuige) heeft verklaard dat de pleegmoeder van aangeefster regelmatig op haar vraag waar (slachtoffer)was, heeft gezegd dat (slachtoffer)op de kamer was bij (verdachte) om “hem te helpen”. Naderhand bleek aangeefster dan geld te hebben gekregen van verdachte. (getuige) heeft ook wel eens gezien dat aangeefster zich achter verdachte (die slechts gekleed was in een boxershort) op het bed bevond om op zijn rug te kriebelen .

De verdachte heeft alle beschuldigingen categorisch van de hand gewezen. Voor zover er iets is gebeurd, betreft dat volgens hem vrijwillige gemeenschap, die slechts één keer heeft plaatsgevonden, en waaruit een dochter is geboren.

De rechtbank is van oordeel dat aangeefster in haar verklaringen consistent en gedetailleerd de seksuele handelingen tussen verdachte en haarzelf heeft beschreven. Met name haar verklaring dat zij aan de tepels van de verdachte diende te draaien of likken opdat verdachte opgewonden werd en verdachte zichzelf daarna aftrok, getuigt ervan dat zij op de hoogte was van intieme de verdachte betreffende, seksuele voorkeuren, die door de toenmalige partner van de verdachte en verdachte zelf zijn bevestigd. De raadsvrouw heeft betoogd dat het een feit van algemene bekendheid is, dat tepels een erogene zone vormen zodat aan de verklaring van aangeefster op dit punt geen beslissende betekenis kan worden toegekend. Daar tegenover staat naar het oordeel van de rechtbank echter dat het evenzeer een feit van algemene bekendheid is, dat erogene zones voor elk individu verschillend zijn zodat het feit dat aangeefster precies wist te beschrijven dat haar pleegvader opgewonden wordt van het draaien of likken aan zijn tepels, bijdraagt aan de betrouwbaarheid van haar verklaringen op dit punt. Verdachte heeft ter zitting nog verklaard dat aangeefster dit te weten is gekomen bij de gemeenschap die op of omstreeks 10 februari 2003 heeft plaatsgevonden maar de rechtbank gaat hieraan voorbij nu verdachte dit niet eerder naar voren heeft gebracht, terwijl hij hierover bij de politie wel uitgebreid is bevraagd.

Tegenover de consistente en gedetailleerde verklaringen van aangeefster heeft verdachte slechts een “botte” ontkenning van de gebeurtenissen geplaatst. Met name ook de verklaringen van verdachte omtrent de (totale afwezigheid van een) aanloop tot het seksuele contact tussen verdachte en aangeefster op of omstreeks 10 februari 2003 en de verklaringen omtrent de betalingen van verdachte aan aangeefster overtuigen de rechtbank niet. Gezien het voornoemde is in de ogen van de rechtbank de geloofwaardigheid van de visie van verdachte op de gebeurtenissen daarmee ernstig aangetast.

De rechtbank is samenvattend van oordeel dat het wettig bewijs ontleend kan worden aan de aangifte van aangeefster, haar aanvulling daarop, de verklaring die zij bij de rechter-commissaris heeft afgelegd, en de verklaring die zij onder ede ter terechtzitting heeft afgelegd. Steunbewijs is naar het oordeel van de rechtbank te vinden in voormelde verklaringen van de getuigen (pleegbroer) en (getuige). Voor zover er door (pleegbroer) over een ruzie die hij met verdachte zou hebben gehad en de verwondingen die hij daarbij zou hebben opgelopen, verklaringen zijn afgelegd die wellicht minder betrouwbaar zijn te achten, hoeft dit niet te betekenen dat diens verklaringen ten aanzien van de aan verdachte ten laste gelegde feiten zonder meer als niet betrouwbaar terzijde moeten worden gelaten. Dit geldt te meer nu de verklaringen van (getuige) de verklaringen van aangeefster en (pleegbroer) op hoofdlijnen ondersteunen. Anders dan de raadsvrouwe acht de rechtbank de verklaringen van (getuige) authentiek en uit eigen beleving verklaard.

De rechtbank is op basis van het voornoemde van oordeel dat wettig en overtuigend bewezen kan worden verklaard dat verdachte het hem onder 2 primair tenlastegelegde feit heeft begaan.

Van het meer of anders ten laste gelegde zal de verdachte worden vrijgesproken, aangezien de rechtbank dat niet wettig en overtuigend bewezen acht.

BEWEZENVERKLARING

De rechtbank is van oordeel dat verdachte van het onder 1 ten laste gelegde zal moeten worden vrijgesproken, omdat de rechtbank dit niet wettig en overtuigend bewezen acht.

De rechtbank acht wettig en overtuigend bewezen hetgeen de verdachte onder 2 primair ten laste is gelegd, met dien verstande dat

2 primair

Hij op verschillende tijdstippen in de periode van 07 september 1996 tot 07 september 2000 in de gemeente Staphorst en elders in Nederland, (telkens) met (slachtoffer) (geboren op 7 september 1984), die de leeftijd van twaalf jaren maar nog niet die van zestien jaren had bereikt (telkens), buiten echt, ontuchtige handeling(en) heeft gepleegd, die( telkens) bestond(en) uit of mede bestond(en) uit het seksueel binnendringen van het lichaam van die (slachtoffer), hebbende verdachte (telkens) zijn vinger(s) in de vagina van die (slachtoffer)geduwd en/of zijn penis in de mond van die (slachtoffer)gebracht.

Van het onder 1 en 2 meer of anders ten laste gelegde zal de verdachte worden vrijgesproken, aangezien de rechtbank dat niet wettig en overtuigend bewezen acht.

DE STRAFBAARHEID VAN HET FEIT

Het bewezene levert op:

Feit 2 primair,

Met iemand die de leeftijd van twaalf jaren maar nog niet de leeftijd van zestien jaren heeft bereikt, buiten echt, ontuchtige handelingen plegen die bestaan uit of mede bestaan uit het seksueel binnendringen van het lichaam,

strafbaar gesteld bij artikel 245 van het Wetboek van Strafrecht.

Er zijn geen feiten of omstandigheden die de strafbaarheid van het bewezen verklaarde uitsluiten. Dit levert de genoemde strafbare feiten op.

DE STRAFBAARHEID VAN DE VERDACHTE

Er zijn geen feiten of omstandigheden die de strafbaarheid van de verdachte uitsluiten. De verdachte is derhalve strafbaar.

OPLEGGING VAN STRAF EN/OF MAATREGEL

Het standpunt van het openbaar ministerie

De officier van justitie heeft op grond van hetgeen zij bewezen heeft geacht gevorderd:

- De veroordeling van verdachte tot een gevangenisstraf voor de duur van 36 maanden waarvan 6 maanden voorwaardelijk met een proeftijd van 2 jaren met de volgende bijzondere voorwaarden:

- dat de verdachte zich gedurende de proeftijd zal gedragen naar de voorschriften en aanwijzingen, te geven door of namens Reclassering Nederland, zulks zolang deze instelling of een door haar aan te wijzen andere reclasseringsinstelling dat gedurende de proeftijd nodig oordeelt, ook als dit inhoudt een ambulante behandeling, met opdracht aan die instelling als bedoeld in artikel 14d van het Wetboek van Strafrecht;

- dat verdachte gedurende de proeftijd op generlei wijze contact legt met aangeefster (slachtoffer) en haar dochter.

Het standpunt van de verdediging

De raadsvrouw van verdachte heeft aangevoerd dat indien de rechtbank tot een bewezenverklaring komt van de tenlastegelegde feiten haar cliënt bereid is mee te werken aan de hulpverlening die noodzakelijk wordt geacht.

Het oordeel van de rechtbank

Gelet op de aard en de ernst van het bewezen en strafbaar verklaarde, op de omstandigheden

waaronder verdachte zich daaraan heeft schuldig gemaakt en op de persoon van verdachte,

zoals van een en ander uit het onderzoek ter terechtzitting is gebleken, acht de rechtbank de

na te noemen beslissing passend.

Verdachte heeft gedurende lange tijd, meerdere jaren, met het slachtoffer ontuchtige handelingen gepleegd toen zij de leeftijd van twaalf jaren, maar nog niet de leeftijd van zestien jaren had bereikt. Het slachtoffer was bij verdachte als pleegkind in het gezin geplaatst omdat zij niet langer in haar eigen gezinssituatie kon blijven. Verdachte heeft een reeds beschadigd kind niet de veiligheid geboden die een pleegvader haar had moeten bieden maar heeft, in een situatie waarin het slachtoffer aan zijn zorg was toevertrouwd, misbruik gemaakt van deze afhankelijkheidspositie door zich bij herhaling aan haar op te dringen. De rechtbank is van oordeel dat verdachte zich door deze handelwijze verwerpelijk heeft gedragen en rekent dit verdachte dan ook zwaar aan.

Bij haar beslissing heeft de rechtbank rekening gehouden met:

een de verdachte betreffend blanco uittreksel justitiële documentatie d.d. 18 juni 2009;

- Een de verdachte betreffend Pro-Justitiarapport d.d. 26 juni 2009, uitgebracht door drs. C. Moerland, forensisch psycholoog, inhoudende dat verdachte enigszins verminderd toerekeningsvatbaar wordt geacht;

- een de verdachte betreffend adviesrapport Reclassering Nederland d.d. 31 juli 2009, uitgebracht door mw. A. Wierts.

De forensisch psycholoog drs. C. Moerland concludeert in het Pro-Justitiarapport dat bij verdachte waarschijnlijk sprake is van persoonlijkheidsproblematiek met vooral narcistische kenmerken en mogelijk zelfs van een persoonlijkheidsstoornis. Derhalve wordt geadviseerd verdachte enigszins verminderd toerekeningsvatbaar te beschouwen. Teneinde het recidivegevaar te beperken acht de forensisch psycholoog het raadzaam dat verdachte een daderbehandeling ondergaat bij een Forensisch Psychiatrische Polikliniek zoals de AFPN te Assen.

De rechtbank onderschrijft de inhoud van de Pro-Justitiarapportage als hiervoor omschreven en maakt de inhoud daarvan tot de hare.

In tegenstelling tot de officier van justitie is de rechtbank van oordeel dat het opleggen van een contactverbod tussen verdachte en het slachtoffer en haar dochter, gelet op de bloedband tussen verdachte en zijn biologische dochter alsmede de complexiteit van de verhoudingen tussen alle betrokkenen, te ver gaat om als bijzondere voorwaarde binnen een vastgestelde proeftijd aan verdachte op te leggen.

De oplegging van straf of maatregel is, behalve op de reeds aangehaalde wettelijke voorschriften, gegrond op de artikelen 10, 14a, 14b, 14c, 27 en 36f van het Wetboek van Strafrecht.

Benadeelde partij

De benadeelde partij (slachtoffer) heeft zich met een vordering tot schadevergoeding ten bedrage van € 12.500,-- gevoegd in het strafproces ten aanzien van het tenlastegelegde.

Standpunt officier van justitie

De officier van justitie heeft gevorderd dat de vordering van de benadeelde partij (slachtoffer), in zijn geheel zal worden toegewezen alsmede oplegging van de schadevergoedingsmaatregel ex artikel 36 f van het Wetboek van Strafrecht.

Standpunt verdediging

De raadsvrouw van verdachte is van oordeel dat de vordering van de benadeelde partij (slachtoffer) onvoldoende is onderbouwd en verzoekt de rechtbank de vordering van de benadeelde partij niet ontvankelijk te verklaren.

Het oordeel van de rechtbank

De rechtbank is van oordeel dat is komen vast te staan, dat de benadeelde partij (slachtoffer),

rechtstreeks schade heeft geleden ten gevolge van het ten laste van verdachte bewezen verklaarde feit.

De hoogte van die schade is, gelet op de bijbehorende voegingsformulier, genoegzaam komen vast te staan tot een bedrag van € 6.500,-- vermeerderd met de kosten van tenuitvoerlegging die - tot op heden - worden begroot op nihil.

De verdachte is voor de schade, voor zover toegewezen, naar burgerlijk recht aansprakelijk.

De rechtbank zal aan de verdachte op de voet van artikel 36f van het Wetboek van Strafrecht de verplichting opleggen tot betaling aan de Staat van bovengenoemde geldsom van

€ 6.500,--, ten behoeve van de benadeelde partij, te weten (slachtoffer).

BESLISSING

Het onder 2 primair ten laste gelegde is bewezen zoals hiervoor aangegeven en levert het strafbare feit op, zoals hiervoor vermeld. De verdachte is deswege strafbaar.

Het meer of anders ten laste gelegde is niet bewezen en de verdachte wordt daarvan vrijgesproken.

De rechtbank veroordeelt de verdachte tot een gevangenisstraf voor de duur van

24 maanden.

De tijd, door de verdachte vóór de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in verzekering en voorlopige hechtenis doorgebracht, zal bij de tenuitvoerlegging van de opgelegde gevangenisstraf in mindering worden gebracht.

Van de 24 maanden zal een gedeelte, groot 6 maanden, niet worden tenuitvoergelegd, tenzij de rechter later anders mocht gelasten op grond van het feit dat de verdachte zich voor het einde van een proeftijd van 2 jaar aan een strafbaar feit heeft schuldig gemaakt.

Als bijzondere voorwaarde wordt gesteld dat de verdachte zich gedurende de proeftijd zal gedragen naar de voorschriften en aanwijzingen, te geven door of namens Reclassering Nederland, zulks zolang deze instelling of een door haar aan te wijzen andere reclasseringsinstelling dat gedurende de proeftijd nodig oordeelt, ook als dit inhoudt een ambulante behandeling bij de AFPN te Assen, met opdracht aan die instelling als bedoeld in artikel 14d van het Wetboek van Strafrecht.

Schadevergoeding

De rechtbank veroordeelt de verdachte tot betaling aan de benadeelde partij (slachtoffer), van een bedrag van € 6.500,-- (zegge: zesduizendenvijfhonderd euro) vermeerderd met de wettelijke rente sinds de dag waarop aangeefster van het thans bewezen verklaarde feit aangifte heeft gedaan, te weten 8 januari 2009, tot aan die van de voldoening.

De verdachte wordt voorts veroordeeld in de kosten, door de benadeelde partij gemaakt, tot op heden begroot op nihil, en ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog te maken.

De rechtbank legt op aan verdachte de verplichting tot betaling aan de Staat van een bedrag, groot € 6.500,-, ten behoeve van het slachtoffer (slachtoffer), bij gebreke van betaling en verhaal te vervangen door 67 dagen hechtenis.

De rechtbank bepaalt dat, indien verdachte heeft voldaan aan zijn verplichting tot betaling aan de Staat daarmee zijn verplichting tot betaling aan de benadeelde partij in zoverre komt te vervallen en andersom dat, indien verdachte heeft voldaan aan zijn verplichting tot betaling aan de benadeelde partij daarmee zijn verplichting tot betaling aan de Staat in zoverre komt te vervallen.

De rechtbank bepaalt dat de benadeelde partij voor het meerdere in haar vordering niet ontvankelijk is en dat zij haar vordering voor het meerdere bij de burgerlijke rechter kan aanbrengen.

Aldus gewezen door mr. G.A. Versteeg, voorzitter, mrs. G.P. Nieuwenhuis en F.E.J. Goffin, rechters, in tegenwoordigheid van mr. S.A. van den Hoek als griffier en uitgesproken ter openbare terechtzitting van 29 december 2009.