Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBZLY:2009:BL0025

Instantie
Rechtbank Zwolle-Lelystad
Datum uitspraak
15-12-2009
Datum publicatie
20-01-2010
Zaaknummer
07.610031-09
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

bewijs, poging doodslag, poging zware mishandeling

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK ZWOLLE - LELYSTAD

Sector Strafrecht - Meervoudige Strafkamer

Parketnr. : 07.610031-09

Uitspraak: 15 december 2009

Vonnis in de zaak van:

het openbaar ministerie

tegen

[verdachte],

geboren op [geboortedatum] te [geboorteplaats],

wonende te [woonplaats].

Het onderzoek ter terechtzitting heeft plaatsgevonden op 1 december 2009. De verdachte is verschenen, bijgestaan door mr. N.C. Milani, advocaat te Almere.

De officier van justitie, mr. L.H.J. Vijlbrief, heeft ter terechtzitting gevorderd de veroordeling van verdachte tot een werkstraf van 160 uren, subsidiair 80 dagen jeugddetentie, waarvan 60 uren, subsidiair 30 dagen jeugddetentie voorwaardelijk, met een proeftijd van twee jaar en de bijzondere voorwaarde dat hij zich zal gedragen naar de voorschriften en aanwijzingen van de jeugdreclassering, ook indien die inhouden dat hij een behandeling zal volgen bij De Waag of soortgelijke instelling.

TENLASTELEGGING

De verdachte is ten laste gelegd dat:

1.

hij op of omstreeks 01 april 2009 in de gemeente Almere ter uitvoering van het door verdachte voorgenomen misdrijf om opzettelijk [slachtoffer] van het leven te beroven, althans zwaar lichamelijk toe te brengen, met dat opzet meermalen, in elk geval eenmaal (met kracht) met een mes, in elk geval een soortgelijk scherp voorwerp, in de richting van die [slachtoffer] en/of in de rugzak, die op de rug van die [slachtoffer] hing, heeft gestoken, terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid.

2.

hij op of omstreeks 01 april 2009 in de gemeente Almere [slachtoffer] heeft bedreigd met enig misdrijf tegen het leven gericht, althans met zware mishandeling, immers heeft verdachte opzettelijk dreigend met een, voor die [slachtoffer] zichtbaar, mes, in elk geval een daarop gelijkend voorwerp, in zijn, verdachtes, hand achter die [slachtoffer] aangerend en/of één of meer stekende bewegingen in de richting van die [slachtoffer] gemaakt en/of in de rugzak, die op de rug van die [slachtoffer] hing, gestoken.

Ten gevolge van een kennelijke vergissing staat in de tenlastelegging in de derde regel van het onder 1 ten laste gelegde "zwaar lichamelijk" in plaats van "zwaar lichamelijk letsel".

De rechtbank herstelt deze vergissing door het laatste te lezen voor het eerste. Blijkens het onderzoek ter terechtzitting wordt de verdachte daardoor in de verdediging niet geschaad.

BEWIJS

De verdachte dient van het onder 1 impliciet primair ten laste gelegde (poging tot doodslag) te worden vrijgesproken, omdat de rechtbank dit niet wettig en overtuigend bewezen acht.

De rechtbank heeft daartoe het volgende overwogen.

Verdachte heeft het slachtoffer, dat voor hem uit fietste en een rugtas droeg, met een vlindermes gestoken. Het mes heeft daarbij de rugzak en een metalen deodorantbusje dat zich in die rugzak bevond doorboord. Nu niet vast is komen te staan hoe lang het lemmet was van het mes, kan niet met voldoende zekerheid gezegd worden dat het mes in voldoende mate het lichaam van het slachtoffer kon binnendringen om diens dood te bewerkstelligen. De rechtbank heeft daarbij tevens in aanmerking genomen dat een steek van een mes met een lemmet van geringe lengte in de rug minder schade zal aanrichten dan in het hoofd, de nek of voorzijde van het lichaam.

Wel gezegd kan worden dat het handelen van verdachte zwaar lichamelijk letsel ten gevolge zou kunnen hebben. Verdachte heeft echter verklaard dat zijn opzet niet gericht was op het toebrengen van zwaar lichamelijk letsel aan het slachtoffer. De rechtbank verwerpt dat verweer met de volgende motivering.

Nu verdachte met het mes een zich in de rugtas bevindende metalen deodorantbusje heeft doorboord, is naar het oordeel van de rechtbank de conclusie gerechtvaardigd dat zonder deze weerstand het lichaam van het slachtoffer was geraakt, met de door verdachte willens en wetens aanvaarde en aanmerkelijke kans op zwaar lichamelijk letsel als gevolg.

De rechtbank acht aldus wettig en overtuigend bewezen hetgeen de verdachte ten laste is gelegd, met dien verstande dat:

1.

hij op 1 april 2009 in de gemeente Almere ter uitvoering van het door verdachte voorgenomen misdrijf om opzettelijk [slachtoffer] zwaar lichamelijk letsel toe te brengen, met dat opzet (met kracht) met een mes in de richting van die [slachtoffer] en in de rugzak, die op de rug van die [slachtoffer] hing, heeft gestoken, terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid.

2.

hij op 1 april 2009 in de gemeente Almere [slachtoffer] heeft bedreigd met enig misdrijf tegen het leven gericht, immers heeft verdachte opzettelijk dreigend met een, voor die [slachtoffer] zichtbaar, mes in zijn, verdachtes, hand achter die [slachtoffer] aangerend en stekende bewegingen in de richting van die [slachtoffer] gemaakt en in de rugzak, die op de rug van die [slachtoffer] hing, gestoken.

Van het meer of anders ten laste gelegde zal de verdachte worden vrijgesproken, aangezien de rechtbank dat niet wettig en overtuigend bewezen acht.

STRAFBAARHEID

Het bewezene levert op:

Feit 1: Poging tot zware mishandeling, strafbaar gesteld bij artikel 302, juncto de artikelen 300 en 45 van het Wetboek van Strafrecht.

Feit 2: Bedreiging met enig misdrijf tegen het leven gericht, strafbaar gesteld bij artikel 285 van het Wetboek van Strafrecht.

De verdachte is deswege strafbaar, nu geen feiten of omstandigheden gebleken zijn die die strafbaarheid zouden opheffen of uitsluiten.

OPLEGGING VAN STRAF OF MAATREGEL

Gelet op de aard en de ernst van het bewezen en strafbaar verklaarde, op de omstandigheden waaronder verdachte zich daaraan heeft schuldig gemaakt en op de persoon van verdachte, zoals van een en ander uit het onderzoek ter terechtzitting is gebleken, acht de rechtbank de na te noemen beslissing passend.

Bij haar beslissing heeft de rechtbank rekening gehouden met:

• een de verdachte betreffend uittreksel justitiële documentatie d.d. 4 november 2009;

• een de verdachte betreffend rapport d.d. 30 november 2009, uitgebracht door de William Schrikker Jeugdreclassering;

• een de verdachte betreffend rapport d.d. 5 november 2009, uitgebracht door R.M.C. Hoogstraten, psycholoog.

De deskundige Hoogstraten is in zijn rapport tot de conclusie gekomen dat verdachte lijdende is aan een ziekelijke stoornis van de geestvermogens in de vorm van een pervasieve ontwikkelingsstoornis N.A.O. en een oppositionele gedragsstoornis en dat verdachte functioneert op zwakbegaafd niveau. Verdachte is verminderd toerekeningsvatbaar te beschouwen, aldus concludeert de deskundige.

De rechtbank neemt de conclusie van de deskundige over en maakt die tot de hare.

Zowel de deskundige Hoogstraten als de Jeugdreclassering zijn van mening dat verdachte, teneinde de kans op recidive te verminderen, in het kader van een bijzondere voorwaarde een ambulante behandeling bij De Waag dan wel een andere instelling dient te ondergaan.

De rechtbank kan zich, gelet op de persoon van verdachte en de genoemde rapporten, verenigen met genoemd advies. Zij zal verdachte, mede de aard en ernst van het bewezen en strafbaar verklaarde in aanmerking nemende, veroordelen overeenkomstig de vordering van de officier van justitie.

De oplegging van straf of maatregel is, behalve op de reeds aangehaalde wettelijke voorschriften, gegrond op de artikelen 27, 77a, 77g, 77h, 77m, 77n, 77x, 77y, 77z, 77aa en 77gg van het Wetboek van Strafrecht.

BESLISSING

Het onder 1 en 2 ten laste gelegde is bewezen zoals hiervoor aangegeven en levert de strafbare feiten op, zoals hiervoor vermeld. De verdachte is deswege strafbaar.

Het onder 1 en 2 meer of anders ten laste gelegde is niet bewezen en de verdachte wordt daarvan vrijgesproken.

De rechtbank legt aan verdachte op een taakstraf, te weten de werkstraf het verrichten van onbetaalde arbeid gedurende 160 uren.

De rechtbank beveelt dat voor het geval de veroordeelde de taakstraf niet of niet naar behoren verricht de taakstraf wordt vervangen door 80 dagen jeugddetentie, althans een aantal dagen jeugddetentie dat evenredig is aan het aantal niet verrichte uren taakstraf .

De tijd, door verdachte voor de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in verzekering en voorlopige hechtenis doorgebracht, zal bij de tenuitvoerlegging van de opgelegde taakstraf in mindering worden gebracht, berekend naar de maatstaf van 2 uren taakstraf per dag.

Van de taakstraf zal een gedeelte, groot 60 uren, niet worden ten uitvoer gelegd, tenzij de rechter later anders mocht gelasten op grond van het feit dat de verdachte zich voor het einde van een proeftijd van twee jaar aan een strafbaar feit heeft schuldig gemaakt, of gedurende die proeftijd de hierna te melden bijzondere voorwaarde niet heeft nageleefd.

Als bijzondere voorwaarde wordt gesteld dat de verdachte zich gedurende de proeftijd zal gedragen naar de voorschriften en aanwijzingen, ook indien die inhouden dat verdachte een behandeling zal volgen bij De Waag of soortgelijke instelling, te geven door het Bureau Jeugdzorg Flevoland, jeugdreclassering, zulks zolang deze instelling dat gedurende de proeftijd nodig oordeelt, ten deze feitelijk uit te voeren door de William Schrikker Jeugdreclassering, met opdracht aan die instelling als bedoeld in artikel 77aa van het Wetboek van Strafrecht.

Het (geschorste) bevel tot voorlopige hechtenis wordt opgeheven.

Aldus gewezen door mr. H. Th. Pos, voorzitter, tevens kinderrechter, mrs. A.P. de Jong-de Goede en C.P. Lunter, rechters, in tegenwoordigheid van mr. E.H. Ruitenbeek, griffier, en uitgesproken ter openbare terechtzitting van 15 december 2009.