Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBZLY:2009:BK8894

Instantie
Rechtbank Zwolle-Lelystad
Datum uitspraak
16-10-2009
Datum publicatie
12-01-2010
Zaaknummer
Awb 09/348
Rechtsgebieden
Belastingrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Aanslag gemeentelijke belastingen verpleeg- en reactiveringscentrum. Onvoldoende gemotiveerd op grond waarvan geen toepassing is gegeven aan het bepaalde in artikel 220e van de gemeentewet. Beroep gegrond.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
FutD 2010-0138
Belastingblad 2010/319

Uitspraak

RECHTBANK ZWOLLE-LELYSTAD

Sector Bestuursrecht, Meervoudige Belastingkamer

Registratienummer: Awb 09/348

Uitspraak als bedoeld in artikel 8:77 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) juncto artikel 26 Algemene wet inzake rijksbelastingen (AWR) in het geding tussen

Eiser te woonplaats,

gemachtigde drs. H.B. ten Kate MRE

en

de ambtenaar belast met de heffing van de gemeente Kampen, verweerder.

1. Ontstaan en loop van het geding

Met dagtekening van 31 maart 2008 heeft verweerder eiseres een aanslag gemeentelijke belastingen toegezonden, betreffende het belastingjaar 2008. Blijkens dit aanslagbiljet is eiseres ten aanzien van de locatie (..), (..) te (..), aangeslagen voor onder meer de onroerendezaakbelasting gebruiker niet-woning.

Bij brief van 10 mei 2008 heeft eiseres pro forma bezwaar gemaakt tegen de opgelegde onroerendezaakbelasting gebruiker. Bij brief van 11 juli 2008 heeft eiseres de gronden van bezwaar aangevuld.

Bij uitspraak op bezwaar van 30 januari 2009 heeft verweerder het bezwaar ongegrond verklaard. Eiseres heeft bij schrijven van 11 maart 2009 beroep ingesteld tegen de uitspraak op bezwaar. Verweerder heeft op 6 mei 2009 een verweerschrift ingediend.

Het beroep is op 3 september 2009 ter zitting behandeld. Eiseres heeft zich doen vertegenwoordigen door de heer M.F.J. van Arragon, kantoorgenoot van haar gemachtigde. Verweerder heeft zich doen vertegenwoordigen door de heer S. Stempfer.

De rechtbank heeft vervolgens het onderzoek gesloten.

2. De feiten

(…) is een verpleeg- en reactiveringscentrum te (..). Het biedt plaats aan 162 cliënten. Daarvan zijn 78 plaatsen voor cliënten met een indicatie psychogeriatrie, 52 plaatsen voor cliënten met een lichamelijke beperking, 30 plaatsen voor reactivering en 2 plaatsen voor palliatieve terminale zorg. De cliënten beschikken in de meeste gevallen over een eigen kamer/appartement. Per twee appartementen is er een badkamer beschikbaar. De gezamenlijke woonkamer met keuken wordt met 6 à 7 cliënten gedeeld.

De waarde ingevolgde de Wet onroerende zaakbelastingen is door verweerder vastgesteld op € 16.411.000,--. Deze waarde heeft verweerder als grondslag gebruikt voor de opgelegde aanslag onroerendezaakbelasting gebruiker niet-woningen.

3. Het geschil

In geschil is de vraag of verweerder bij het opleggen van de aanslag onroerende- zaakbelastingen gebruiker niet-woningen terecht geen toepassing heeft gegeven aan artikel 220e van de Gemeentewet.

Eiseres heeft onder verwijzing naar jurisprudentie en informatie van de VNG gesteld dat verweerder ten onrechte geen toepassing heeft gegeven aan het amendement De Pater-van der Meer. De appartementen en gezamenlijke ruimten, de reactiveringsafdeling uitgezonderd, dienen in hoofdzaak tot woning of zijn in hoofdzaak dienstbaar aan woondoeleinden. Eiseres heeft gesteld dat de heffingsgrondslag voor het gebruikersdeel van de onroerendezaakbelasting € 8.796.296,-- bedraagt.

Verweerder heeft gesteld dat de heffingsgrondslag voor het gebruikersdeel van de onroerendezaakbelasting correct is vastgesteld, omdat het object niet in aanmerking komt voor de vrijstelling op grond van het amendement De Pater-van der Meer. Verweerder heeft gesteld dat in onderhavig object de (medische) verpleging het doel is van het verblijf en dat de “woon”functie vergelijkbaar is met die van een ziekenhuis. Het object is daarmee in eerste aanleg ingericht voor verpleging en pas in tweede instantie is een min of meer continu verblijf mogelijk. Er zijn geen voorzieningen die een voordurend zelfstandig verblijf mogelijk maken. Een persoonlijke aankleding naar behoefte van de bewoner is volgens verweerder uiterst beperkt mogelijk.

Voor een meer uitvoerige motivering van de standpunten van partijen verwijst de rechtbank naar de gedingstukken.

4. Beoordeling van het geschil

In artikel 220 van de Gemeentewet is het volgende bepaald:

Ter zake van binnen de gemeente gelegen onroerende zaken kunnen onder de naam onroerende-zaakbelastingen worden geheven:

a. een belasting van degenen die bij het begin van het kalenderjaar onroerende zaken die niet in hoofdzaak tot woning dienen, al dan niet krachtens eigendom, bezit, beperkt recht of persoonlijk recht, gebruiken;

b. een belasting van degenen die bij het begin van het kalenderjaar van onroerende zaken het genot hebben krachtens eigendom, bezit of beperkt recht.

Artikel 220a van de Gemeentewet luidt als volgt:

1. Met betrekking tot de onroerende-zaakbelastingen wordt als onroerende zaak aangemerkt de onroerende zaak, bedoeld in hoofdstuk III van de Wet waardering onroerende zaken.

2. Een onroerende zaak dient in hoofdzaak tot woning indien de waarde die op grond van hoofdstuk IV van de Wet waardering onroerende zaken is vastgesteld voor die onroerende zaak in hoofdzaak kan worden toegerekend aan delen van de onroerende zaak die dienen tot woning dan wel volledig dienstbaar zijn aan woondoeleinden.

Artikel 220c van de Gemeentewet luidt als volgt:

De heffingsmaatstaf voor de onroerende-zaakbelastingen is de op de voet van hoofdstuk IV van de Wet waardering onroerende zaken voor de onroerende zaak vastgestelde waarde voor het kalenderjaar, bedoeld in artikel 220

In artikel 220e van de Gemeentewet is bepaald dat in afwijking van artikel 220c bij de bepaling van de heffingsmaatstaf voor de onroerendezaakbelasting bedoeld in artikel 220, onderdeel a, buiten aanmerking wordt gelaten de waarde van gedeelten van de onroerende zaak die in hoofdzaak tot woning dienen dan wel in hoofdzaak dienstbaar zijn aan woondoeleinden.

Artikel 220e is in de Gemeentewet opgenomen bij amendement van het Kamerlid De Pater-van der Meer.

Verweerder heeft de vraag of de 132 appartementen en de daarbij behorende gezamenlijke ruimten in hoofdzaak tot woning dienen dan wel in hoofdzaak dienstbaar zijn aan woondoeleinden ontkennend beantwoord. Daarbij heeft verweerder, gelet op hetgeen ter zitting naar voren is gebracht, grote waarde gehecht aan de voor artikel 16, onder c, van de Wet WOZ geldende criteria voor een zelfstandig gedeelte. Verweerder heeft ter zitting gesteld dat de appartementen niet als woningen kunnen worden aangemerkt, omdat ze niet beschikken over een eigen keuken en eigen sanitair.

Naar het oordeel van de rechtbank heeft verweerder hiermee een onjuiste maatstaf aangelegd. Immers, indien de appartementen als zelfstandige objecten zouden zijn aan te merken, dan zouden deze reeds als gevolg van de objectafbakening niet in de waardering van de onroerende zaak zijn betrokken en zou er voor deze woningen evenmin een aanslag onroerendezaakbelasting voor gebruiker niet-woning zijn opgelegd. Dat de kamers/appartementen niet geheel zelfstandig zijn, betekent dus niet dat daardoor geen sprake kan zijn van een woondeel dat in hoofdzaak tot woning dient, dan wel in hoofdzaak dienstbaar is aan woondoeleinden. De rechtbank wijst er in dit verband op dat de cliënten langdurig in het verpleeghuis verblijven, zij een eigen kamer/appartement en een gezamenlijke woonkamer hebben, waar zij zelf (onder begeleiding) koken, de kamers/appartementen van binnenuit afsluitbaar zijn en de kamers/appartementen door de cliënten met eigen meubilair worden ingericht.

Verweerder heeft daarnaast gewezen op het feit dat de verpleging en verzorging van de cliënten plaatsvindt in de appartementen en gezamenlijke ruimten. De hoofdfunctie van deze ruimten is daardoor volgens verweerder verpleging, waardoor er geen sprake is van in hoofdzaak tot woning dienen of in hoofdzaak dienstbaar zijn aan woondoeleinden. Naar het oordeel van de rechtbank sluit het feit dat in het verpleeghuis het wonen is gecombineerd met verpleging echter niet uit dat delen van het verpleeghuis op zichzelf beschouwd tot woning dienen dan wel volledig dienstbaar zijn aan woondoeleinden. De rechtbank verwijst hierbij naar het arrest van de Hoge Raad van 16 november 2007 (LJN: AZ9075). Verweerder had derhalve na moeten gaan of delen van de onroerende zaak tot woning dienen, dan wel volledig dienstbaar zijn aan woondoeleinden, en, zo ja, of de waarde van de onroerende zaak in hoofdzaak aan die delen kan worden toegerekend.

Gelet op hetgeen hiervoor is overwogen komt de rechtbank tot de conclusie dat verweerder in de uitspraak op bezwaar onvoldoende heeft gemotiveerd op grond waarvan geen toepassing is gegeven aan het bepaalde in artikel 220e van de Gemeentewet. Het beroep is derhalve gegrond en de bestreden uitspraak op bezwaar dient te worden vernietigd.

Nu de ter zitting getoonde bouwtekeningen niet overeenkomen met de werkelijke situatie en partijen niet hebben kunnen uitleggen op welke wijze de woonvorm van de cliënten is ingevuld en op welke wijze de verpleging plaatsvindt, is het voor de rechtbank ondoenlijk om vast te stellen welke delen al dan niet in hoofdzaak tot woning dienen, dan wel in hoofdzaak dienstbaar zijn aan woondoeleinden. Verweerder zal daarom worden opgedragen opnieuw op het bezwaar te beslissen met in achtneming van deze uitspraak.

5. Proceskosten

De rechtbank acht termen aanwezig voor het uitspreken van een proceskostenveroordeling als bedoeld in artikel 8:75 van de Awb.

6. Beslissing

De rechtbank:

- verklaart het beroep gegrond;

- vernietigt de uitspraak op bezwaar;

- draagt verweerder op een nieuwe uitspraak op bezwaar te nemen met inachtneming van deze uitspraak;

- veroordeelt verweerder in de kosten die eiseres in verband met de behandeling van het beroep heeft moeten

maken, tot op heden begroot op € 644,--;

- gelast dat verweerder het door eiseres betaalde griffierecht ad € 288,-- vergoedt

Deze uitspraak is gedaan door mr. E.W. Akkerman, voorzitter, mr. L.E.C. van Rijckevorsel-Besier en mr. L.Y. Gramsbergen, rechters, en in het openbaar uitgesproken in tegenwoordigheid van mr. E.N.M van de Beld als griffier, op

Afschrift verzonden op: