Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBZLY:2009:BK8631

Instantie
Rechtbank Zwolle-Lelystad
Datum uitspraak
20-10-2009
Datum publicatie
07-01-2010
Zaaknummer
07.620228-09
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

bewijs, gemotiveerde vrijspraak

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

RECHTBANK ZWOLLE - LELYSTAD

Sector Strafrecht - Meervoudige Strafkamer

Parketnr. : 07.620228-09

Uitspraak: 20 oktober 2009

Vonnis in de zaak van:

het openbaar ministerie

tegen

[verdachte],

geboren op [geboortedatum] te [geboorteplaats],

wonende te [woonplaats].

Het onderzoek ter terechtzitting heeft plaatsgevonden op 6 oktober 2009. De verdachte is verschenen, bijgestaan door mr. M.G.C. van Riet, advocaat te Amsterdam.

De officier van justitie, mr. M. Kamper, heeft ter terechtzitting, onder vrijspraak van het onder 5 ten laste gelegde, gevorderd de veroordeling van verdachte ter zake het onder 1, 2, 3 en 4 ten laste gelegde tot:

• een gevangenisstraf voor de duur van vier jaar en zes maanden, met aftrek van voorarrest;

• toewijzing van de vorderingen van de benadeelde partijen [aangever] en [aangever 2], met toepassing van de schadevergoedingsmaatregel als bedoeld in artikel 36f van het Wetboek van Strafrecht.

De officier van justitie heeft voorts gevorderd dat de rechtbank een beslissing zal nemen met betrekking tot de in beslag genomen voorwerpen.

TENLASTELEGGING

De verdachte is ten laste gelegd dat:

(volgt tenlastelegging)

BEWIJS

De rechtbank is ten aanzien van het onder 1 en 3 ten laste gelegde van oordeel dat er, nu er niet meer is dan een aangifte van [aangever], onvoldoende wettig en overtuigend bewijs voorhanden is om tot een veroordeling te komen. Weliswaar heeft die [aangever] op 29 april 2009 verdachte aan de wijkagent aangewezen als de dader, maar de rechtbank hecht daar, onder meer nu zij in haar eerder weergegeven signalement van de dader spreekt van een man met kort kroeshaar, niet die waarde aan die de officier van justitie daaraan toekent. Nader onderzoek naar wat de wijkagent heeft vernomen is achterwege gebleven, evenals onderzoek naar hetgeen de door [aangever] genoemde [persoon], barman in het café dat [aangever] en verdachte beiden vaker hebben bezocht, over de dader zou kunnen verklaren. Daarmee is niet komen vast te staan dat de door [aangever] aangewezen persoon verdachte betreft.

Ten aanzien van het onder 2 ten laste gelegde is de rechtbank van oordeel dat er naast de aangifte, onvoldoende steunbewijs voorhanden is om tot een veroordeling te komen. Uit onderzoek door het NFI naar de capuchon van de dader die in de woning van [aangever 2] en [slachtoffer] is achtergebleven, is weliswaar gebleken dat er DNA-materiaal van verdachte op die capuchon is aangetroffen, maar ook DNA-materiaal van tenminste één andere man. Aldus is niet uit te sluiten dat niet verdachte maar een andere, onbekend gebleven man als dader aangemerkt moet worden. Bovendien wordt een foto van verdachte niet door [aangever 2] herkend indien laatstgenoemde deelneemt aan een simultane fotobewijsconfrontatie, terwijl [aangever 2] bij zijn aangifte verklaart de jongen te herkennen omdat hij hem in de zomer van 2008 eerder had gezien. Dat nadien in de woning van verdachte een jas is aangetroffen die bij de bij [aangever 2] door de overvallers achtergelaten capuchon zou kunnen horen, is onvoldoende om tot bewijs te dienen. Ten aanzien van de trui en de capuchon is door een medewerker van [winkel] weliswaar verklaard dat deze met “grote waarschijnlijkheid” bij elkaar horen gelet op de structuur, de stofgroep, de gebruikte materialen en het model van de jas. Gerelateerd is echter ook dat het identificatienummer met daarin het model en het modedetail zijn verwijderd waarmee naar het oordeel van de rechtbank niet onomstotelijk is komen vast te staan dat capuchon en jas bij elkaar horen.

Ook ten aanzien van het onder 4 ten laste gelegde is de rechtbank van oordeel dat er onvoldoende wettig en overtuigend bewijs voorhanden is. Zowel aangeefster [aangeefster] als [ge[getuige] verklaart de dader te hebben gezien. Aangeefster tijdens de overval en [getuige] toen hij met verdachte bij [aangeefster] weed zou hebben gekocht een paar weken daarvoor. Getuige [getuige] verklaart over het bezoek dat hij gebracht heeft aan [aangeefster] in aanwezigheid van een persoon maar kan van deze niet meer dan een weinig specifiek signalement geven. De verklaring van [getuige] kan dan ook niet tot het bewijs dienen. Een fotoconfrontatie om vast te stellen wie in aanwezigheid van [getuige], [aangeefster] enige weken voor de overval heeft bezocht om weed te kopen heeft niet plaatsgevonden. De verklaring van [getuige], de stiefzoon van [aangeefster] die van [getuige] vernomen zou hebben dat verdachte de overval zou hebben gepleegd, kan evenmin dienen tot het bewijs nu een aantal door die [getuige] genoemde bijzonderheden over verdachte ten aanzien van woonadres, autobezit en gezinssamenstelling onjuist blijken te zijn.

In de woning van verdachte zijn zogenaamde weedsealtjes, een telefoonoplader van het merk LG en visdraad aangetroffen. Aangeefster heeft verklaard dat zij de oplader als de hare herkent aan de stekker. De rechtbank hecht hieraan geen waarde, nu stekkers ten opzichte van elkaar weinig onderscheidende kenmerken vertonen en aangeefster geen specifieke, onderscheidende kenmerken van die stekker heeft genoemd die maken dat die oplader zonder enige twijfel aan haar toebehoorde. Als aangeefster een aantal sealtjes weed wordt getoond, verklaart zij die zakjes (aan de kleur) te herkennen als de hare. De verbalisant geeft aangeefster echter te kennen: “ Dit spul komt niet bij u vandaan”. Nu bovendien niet is uit te sluiten dat de sealtjes universeel zijn en dus niet te onderscheiden van elkaar, is niet komen vast te staan dat de getoonde sealtjes bij [aangeefster] zijn weggenomen. Ten aanzien van het bij verdachte aangetroffen visdraad staat evenmin vast dat dit bij [aangever] is weggenomen nu laatstgenoemde daaromtrent heeft verklaard niet met zekerheid te kunnen zeggen of dit uit haar woning afkomstig is.

De officier van justitie heeft vrijspraak gevorderd voor het onder 5 ten laste gelegde. De rechtbank kan zich daarmee verenigen, nu ook naar haar oordeel onvoldoende wettig en overtuigend bewijs voorhanden is.

De verdachte dient gelet op al het voorgaande van de gehele tenlastelegging te worden vrijgesproken, omdat de rechtbank dit niet wettig en overtuigend bewezen acht. Dientengevolge zullen de benadeelde partijen niet-ontvankelijk verklaard worden in hun vordering.

De rechtbank zal, nu verdachte heeft verklaard dat de jas en capuchon ook van een ander kunnen zijn, de bewaring ten behoeve van de rechthebbende(n) gelasten van die op de lijst van inbeslaggenomen voorwerpen vermelde voorwerpen, nu voorshands niet duidelijk is wie als zodanig kan/kunnen worden aangemerkt.

De rechtbank zal de teruggave aan verdachte gelasten van de overige aan hem toebehorende en op de lijst van inbeslaggenomen voorwerpen vermelde voorwerpen, aangezien die niet vatbaar zijn voor verbeurdverklaring dan wel onttrekking aan het verkeer.

BESLISSING

Het ten laste gelegde is niet bewezen en de verdachte wordt daarvan vrijgesproken.

De rechtbank verklaart de benadeelde partij [aangever 2] en de benadeelde partij [aangever] niet-ontvankelijk in hun vordering.

De rechtbank gelast de bewaring van de op de lijst van inbeslaggenomen voorwerpen vermelde jas en capuchon ten behoeve van de rechthebbende(n).

De rechtbank gelast de teruggave van de overige in beslag genomen voorwerpen aan verdachte.

Aldus gewezen door mr. J.P.C. Obbink, voorzitter, mrs. C.E. Buitendijk en C.P. Lunter, rechters, in tegenwoordigheid van mr. E.H. Ruitenbeek, griffier, en uitgesproken ter openbare terechtzitting van 20 oktober 2009.

Mrs. Obbink en Buitendijk en de griffier zijn buiten staat dit vonnis te ondertekenen.