Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBZLY:2009:BK8535

Instantie
Rechtbank Zwolle-Lelystad
Datum uitspraak
10-11-2009
Datum publicatie
07-01-2010
Zaaknummer
07.610033-09; 07.610047-09
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

bewijs, bedreiging, gedragsbeïnvloedende maatregel

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

RECHTBANK ZWOLLE - LELYSTAD

Sector Strafrecht - Meervoudige Strafkamer

Parketnummers : 07.610033-09 en 07.610047-09 (gevoegd ter terechtzitting) (P)

Uitspraak: 10 november 2009

Vonnis in de zaak van:

het openbaar ministerie

tegen

[verdachte],

geboren op [geboortedatum] te [geboorteplaats],

wonende te [woonplaats]

1. HET ONDERZOEK TER TERECHTZITTING

Dit vonnis is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzitting in eerste aanleg op 27 oktober 2009.

De rechtbank heeft kennis genomen van de vordering van de officier van justitie, mr. M.W. van der Borg, en van hetgeen door de raadsvrouw van verdachte, mr. G. Raap, advocaat te Almere, en de verdachte naar voren is gebracht.

2. DE TENLASTELEGGING

De verdachte is ten laste gelegd dat:

Parketnummer: 07.610033-09:

1.

hij op of omstreeks 18 maart 2009 in de gemeente Lelystad [slachtoffer 1] heeft bedreigd met enig misdrijf tegen het leven gericht, althans met zware mishandeling, immers heeft verdachte opzettelijk een of meermalen een snijbeweging met zijn hand over zijn hals/keel gemaakt, terwijl hij die [slachtoffer 1] in de ogen keek, welk gebaar betekende:"kop eraf"en/of "ik maak je af" en/of "ik ga je doden" en/of een gebaar maakte, welk gebaar betekende dat

hij, verdachte, die [slachtoffer 1] een kogel door het hoofd wilde schieten;

2.

hij op of omstreeks 26 maart 2009 in de gemeente Lelystad opzettelijk mishandelend een persoon (te weten [slachtoffer 2]), een of meermalen (met kracht) aan de haren heeft getrokken en/of op de arm(en) en/of in/tegen het gezicht, in ieder geval op/tegen het lichaam heeft gestompt/geslagen, waardoor deze letsel heeft bekomen en/of pijn heeft ondervonden;

3.

hij op of omstreeks 26 maart 2009 in de gemeente Lelystad met het oogmerk van wederrechtelijke toe-eigening heeft weggenomen een of meer gouden kettingen, in elk geval enig goed, geheel of ten dele toebehorende aan [slachtoffer 2], in elk geval aan een ander of anderen dan aan verdachte;

althans, indien het vorenstaande onder 3 niet tot een veroordeling mocht of zou kunnen leiden:

hij op of omstreeks 26 maart 2009 in de gemeente Lelystad opzettelijk en wederrechtelijk een of meer gouden kettingen, in elk geval enig goed, geheel of ten dele toebehorende aan [slachtoffer 2], in elk geval aan een ander of anderen dan aan verdachte, heeft vernield en/of beschadigd en/of onbruikbaar gemaakt;

4.

hij op of omstreeks 08 april 2009 in de gemeente Lelystad heeft vervoerd en/of verkocht en/of afgeleverd en/of verstrekt aan [persoon], in elk geval aanwezig heeft gehad, een hoeveelheid van ongeveer 1,58 respectievelijk 1,47 gram, in elk geval een hoeveelheid van niet meer dan 30 gram hennep, zijnde hennep een middel als bedoeld in de bij de Opiumwet behorende lijst II, dan wel aangewezen krachtens het vijfde lid van artikel 3a van die wet;

Parketnummer: 07.610047-09:

1.

hij op of omstreeks 31 mei 2009 in de gemeente Lelystad, op de openbare weg, [weg], tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen, met het oogmerk van wederrechtelijke toe-eigening heeft weggenomen een fiets (merk/type:Gazelle, kleur:blauw) en/of een (fiets)(bos) sleutel(s) in elk geval enig goed, geheel of ten dele toebehorende aan [slachtoffer 3], in elk geval aan een ander of anderen dan aan verdachte en/of zijn mededader(s), welke diefstal werd voorafgegaan en/of vergezeld en/of gevolgd van geweld en/of bedreiging met geweld tegen [slachtoffer 3], gepleegd met het oogmerk om die diefstal

voor te bereiden en/of gemakkelijk te maken en/of om bij betrapping op heterdaad aan zichzelf en/of aan zijn mededader(s) hetzij de vlucht mogelijk te maken, hetzij het bezit van het gestolene te verzekeren, welk geweld en/of welke bedreiging met geweld hierin bestond(en) dat hij, verdachte en/of zijn mededader(s), toen aldaar, meermalen, in ieder geval eenmaal, die [slachtoffer 3] de volgende woorden, althans woorden van gelijke dreigende aard of strekking heeft/hebben toegevoegd:

"Als je de fiets niet geeft dan kan ik je neersteken" en/of "Ik heb een mes bij mij en als je de fiets niet geeft dan steek ik je neer"en/of

-meermalen, in ieder geval eenmaal (met kracht) tegen/op het/de be(e)n(en), in ieder geval tegen/op het lichaam van die [slachtoffer 3] heeft/hebben geschopt/getrapt en/of

-meermalen, in ieder geval eenmaal (met kracht) heeft/hebben getracht (om) op/tegen het lichaam van die [slachtoffer 3] te slaan en/of

-onverhoeds (terwijl die [slachtoffer 3] de fiets tussen de benen had) (vanachteren) de fiets heeft/hebben op slot gedaan en/of

-tegen het lichaam van die [slachtoffer 3] heeft/hebben gestaan en/of

-onverhoeds zijn verdachte's fiets en/of die van zijn mededader(s) dwars voor de fiets van [slachtoffer 3] heeft/hebben neergezet, waardoor deze [slachtoffer 3] gedwongen werd om te stoppen en/of niet verder kon rijden,

en/of

hij op of omstreeks 31 mei 2009 in de gemeente Lelystad,op de openbare weg, [weg], tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen, met het oogmerk om zich en/of (een) ander(en) wederrechtelijk te bevoordelen door geweld en/of bedreiging met geweld [slachtoffer 3] heeft gedwongen tot de afgifte van een fiets (merk/type:Gazelle, kleur:blauw), in elk geval van enig goed, geheel of ten dele toebehorende aan [slachtoffer 3], in elk geval aan een ander of anderen dan aan verdachte en/of zijn mededader(s), welk geweld en/of welke bedreiging met geweld hierin bestond(en) dat hij,

verdachte en/of zijn mededader(s), toen aldaar, meermalen, in ieder geval eenmaal, die [slachtoffer 3] de volgende woorden, althans woorden van gelijke dreigende aard of strekking heeft/hebben toegevoegd:

"Als je de fiets niet geeft dan kan ik je neersteken" en/of "Ik heb een mes bij mij en als je de fiets niet geeft dan steek ik je neer"en/of

-meermalen, in ieder geval eenmaal (met kracht) tegen/op het/de be(e)n(en), in ieder geval tegen/op het lichaam van die [slachtoffer 3] heeft/hebben geschopt/getrapt en/of

-meermalen, in ieder geval eenmaal (met kracht) heeft/hebben getracht (om) op/tegen het lichaam van die [slachtoffer 3] te slaan en/of

-onverhoeds (terwijl die [slachtoffer 3] de fiets tussen de benen had) (vanachteren) de fiets heeft/hebben op slot gedaan en/of

-tegen het lichaam van die [slachtoffer 3] heeft/hebben gestaan en/of

-onverhoeds zijn verdachte's fiets en/of die van zijn mededader(s) dwars voor de fiets van [slachtoffer 3] heeft/hebben neergezet, waardoor deze [slachtoffer 3] gedwongen werd om te stoppen en/of niet verder kon rijden;

althans, indien het vorenstaande onder 1 niet tot een veroordeling mocht of zou kunnen leiden:

hij op of omstreeks 31 mei 2009 in de gemeente Lelystad, in elk geval in Nederland, een fiets (merk/type:Gazelle, kleur:blauw) heeft verworven, voorhanden heeft gehad en/of heeft overgedragen, terwijl hij ten tijde van het verwerven of het voorhanden krijgen van die fiets wist dat het (een) door misdrijf verkregen goed(eren) betrof;

3. DE VOORVRAGEN

De rechtbank heeft vastgesteld dat de dagvaarding geldig is, dat zij bevoegd is tot kennisneming van deze zaak, dat de officier van justitie ontvankelijk is in haar vervolging en dat er geen redenen zijn voor schorsing van de vervolging.

4. DE BEWIJSMIDDELEN EN DE BEOORDELING DAARVAN

Vaststaande feiten

De rechtbank stelt de hierna volgende feiten vast.

Op maandag 23 maart 2009 heeft [slachtoffer 1] aangifte gedaan van bedreiging gepleegd op 18 maart 2009.

Op donderdag 26 maart 2009 heeft [slachtoffer 2] aangifte gedaan van mishandeling en van diefstal van twee kettingen, gepleegd op dezelfde dag.

Op woensdag 8 april 2009 reed verbalisant F. van der Werff, in burger gekleed, in een onopvallende dienstauto op de [weg] in Lelystad. Hij reed in de richting van de Ziekenhuisweg, toen hij verdachte, een hem ambtshalve bekende persoon, op een parkeerplaats zag rijden. Verbalisant Van der Werff wist dat verdachte geen rijbewijs, categorie AM heeft. Hij ging richting verdachte, toen hij zag dat verdachte naast een zwarte personenauto stil ging staan en dat verdachte op het raam aan de bestuurderskant van deze auto klopte. De bestuurder van de zwarte personenauto deed het raam aan de bestuurderskant open. Verbalisant zag dat verdachte iets uit zijn rechter jaszak haalde en dit in de rechterhand van de bestuurder van de zwarte auto deed. Hij zag dat verdachte daarbij iets in zijn rechterhand kreeg geduwd.

Verbalisant Van der Werff heeft daarop beide personen staande gehouden en naar hun legitimatie gevraagd. Terwijl hij de documenten van de bestuurder van de personenauto in ontvangst nam, rook hij de, hem ambtshalve bekende, lucht van hennep. Hij heeft toen om assistentie gevraagd. Zowel verdachte als de bestuurder van de personenauto zijn aangehouden op diezelfde datum.

Verdachte is bij de aanhouding gefouilleerd. Hij bleek meerdere stukken briefgelden twee zakjes met een groen goedje, lijkende op hennep, in zijn jaszak te hebben. Deze betreffende zakjes zijn in beslag genomen. Ook bij de bestuurder van de personenauto zijn twee zakjes met een groen goedje, lijkende op hennep, in beslag genomen.

Op de bij verdachte aangetroffen en in beslag genomen zakjes is onderzoek verricht. Hieruit is gebleken dat in ieder zakje een bloemtop van een hennepplant zat van respectievelijk 1,58 gram en 1,47 gram.

Op 31 mei 2009 is aangifte gedaan door [slachtoffer 3] ter zake van straatroof gepleegd op dezelfde dag.

Het standpunt van de officier van justitie

Parketnummer 07.610033-09:

De officier van justitie acht het onder 1., 2., 3. en 4. ten laste gelegde wettig en overtuigend bewezen.

Ten aanzien van het onder 1. ten laste gelegde heeft de officier van justitie verwezen naar de aangifte van [slachtoffer 1], de verklaring van verdachte ter terechtzitting van 27 oktober 2009 en de verklaring van getuige [getuige].

Ten aanzien het onder 2. ten laste gelegde heeft de officier van justitie verwezen naar de aangifte van [slachtoffer 2] en de verklaring van getuige [getuige].

Ten aanzien van het onder 3. ten laste gelegde heeft de officier van justitie verwezen naar de aangifte van [slachtoffer 2] en de verklaringen van de getuigen [getuige] en [getuige].

Ten aanzien van het onder 4. ten laste gelegde heeft de officier van justitie verwezen naar het proces-verbaal van bevindingen van F. van der Werff, het proces-verbaal onderzoek verdovende middelen Opiumwet en de verklaring van [persoon].

Parketnummer 07.610047-09:

De officier van justitie acht het eerste cumulatief alternatief ten laste gelegde wettig en overtuigend bewezen en heeft daartoe verwezen naar de aangifte en verdere verhoren van [slachtoffer 3] en de verklaringen van getuigen [getuige] en [getuige].

Het standpunt van de verdediging

Parketnummer 07.610033-09:

De raadsvrouw heeft vrijspraak bepleit voor het onder 1., 2., 3. primair en 4. ten laste gelegde. Zij heeft daartoe het hierna volgende aangevoerd.

Ten aanzien van het onder 1. ten laste gelegde:

Verdachte en zijn klasgenoten maakten naar elkaar snijbewegingen langs de keel. Dit waren geintjes. Toen verdachte zo een beweging naar [slachtoffer 1] maakte, kon deze het moeilijk anders opvatten dan een geintje. [slachtoffer 1] kan zich hierdoor niet bedreigd hebben gevoeld. Verdachte heeft geen andere gebaren naar [slachtoffer 1] gemaakt.

Ten aanzien van het onder 2. en 3. primair ten laste gelegde:

De verklaringen van de vriendinnen van aangeefster [slachtoffer 2] zijn onduidelijk en tegenstrijdig, omdat niet iedereen gezien heeft dat verdachte [slachtoffer 2] in het gezicht sloeg, zelfs niet de vriendin die dichtbij aangeefster [slachtoffer 2] stond. Ook de diefstal kan niet worden bewezen, omdat het oogmerk van wederrechtelijke toe-eigening ontbrak. Verdachte heeft aangeefster [slachtoffer 2] een duw gegeven en om te zorgen dat ze niet zou vallen, heeft hij haar kettingen vastgepakt. De kettingen zijn kapot gegaan. Verdachte stond er mee in zijn handen, maar omdat hij zich schaamde, is hij weggelopen en heeft de kettingen meegenomen. De bedoeling was dat hij deze terug zou geven aan aangeefster, wanneer zij was gekalmeerd.

De raadsvrouw refereert zich aan het oordeel van de rechtbank ten aanzien van het onder 3. subsidiair ten laste gelegde.

Ten aanzien van het onder 4. ten laste gelegde:

Verdachte zag de politie en omdat hij geen brommercertificaat had, is hij naar de parkeerplaats gereden. Het zou wel heel dom van verdachte zijn om, wanneer hij de politie ziet, te gaan dealen. Dit heeft hij dan ook niet gedaan. De koper heeft verklaard dat hij, op het moment dat verdachte naast hem stond en de politie er aan kwam, aan het bellen was om weed te bestellen. De politie bevestigt dat koper op dat moment de telefoon in zijn handen had. Als verdachte de weed leverancier was, dan had hij nooit zo snel, nadat hij door koper gebeld was, bij de auto van koper kunnen zijn. Bovendien is de telefoon van verdachte onderzocht. Uit de verzamelde gegevens is niet gebleken dat verdachte telefonisch contact met de koper heeft gehad. Bovendien lag één van de bij koper aangetroffen zakjes in het handschoenenvakje en één op de stoel. Als hij net twee zakjes van verdachte had gekocht, dan zouden deze wel dichter bij hem hebben gelegen. Al met al blijft over dat verdachte ongeveer 3 gram weed bij zich had.

Parketnummer 07.610047-09:

De raadsvrouw heeft vrijspraak bepleit voor het eerste en tweede cumulatief alternatief ten laste gelegde. Zij heeft daartoe het volgende aangevoerd:

Verdachte ontkent aangever [slachtoffer 3] te hebben bedreigd. Hij kreeg de fiets van [slachtoffer 3]. De vriend van [slachtoffer 3] verklaart ook dat [slachtoffer 3] tegen verdachte heeft gezegd: “hier heb je fiets”. Aangever [slachtoffer 3] heeft in eerste instantie niets verklaard over schoppen en slaan door verdachte. Pas toen hij zijn aanvullende verklaring aflegde, herinnerde hij zich het schoppen en slaan. Hetzelfde geldt voor getuige [getuige]. De later afgelegde verklaringen zijn van een week na de aangifte. Deze zijn niet geloofwaardig. Aangever en de getuigen zijn vrienden van elkaar.

Het oordeel van de rechtbank

Parketnummer 07.610033-09:

Feit 1.:

De rechtbank heeft kennis genomen van de inhoud van de stukken van het onderliggende strafdossier en van hetgeen bij het onderzoek op voornoemde zitting naar voren is gebracht.

De rechtbank acht wettig en overtuigend bewezen hetgeen de verdachte onder 1. is ten laste gelegd. De rechtbank overweegt daartoe het hierna volgende.

[slachtoffer 1], de leraar van verdachte, heeft verklaard dat verdachte op 18 maart 2009, tijdens de les, meteen tegen begon te stribbelen en verbaal agressief was. Op dat moment gebaarde hij dat hij de keel van [slachtoffer 1] wilde doorsnijden. Daarna maakte verdachte een gebaar alsof hij [slachtoffer 1] een kogel door het hoofd wilde schieten. De gebaren vond [slachtoffer 1] erg bedreigend overkomen. Verdachte heeft ter terechtzitting van 27 oktober 2009 verklaard dat hij naar [slachtoffer 1] een gebaar heeft gemaakt alsof hij zijn keel doorsneed. Getuige [getuige] heeft verklaard dat hij heeft gezien dat verdachte een schietbeweging maakte. Zowel verdachte als getuige [getuige] verklaren dat de betreffende gebaren voor de grap zijn gemaakt.

De rechtbank overweegt dat dit soort gebaren in het algemeen als bedreigend worden aangemerkt. Dit is zeker het geval als ze worden gemaakt door iemand die reeds verbaal agressief was, zoals verdachte op dat moment. [slachtoffer 1] heeft dit ook als bedreigend ervaren.

Feit 2. en 3.:

De rechtbank heeft kennis genomen van de inhoud van de stukken van het onderliggende strafdossier en van hetgeen bij het onderzoek op voornoemde zitting naar voren is gebracht.

De rechtbank acht wettig en overtuigend bewezen hetgeen de verdachte onder 2. en 3. is ten laste gelegd. De rechtbank overweegt daartoe het hierna volgende.

Aangeefster [slachtoffer 2] heeft verklaard dat zij op 26 maart 2009 met vriendinnen in de stad, Lelystad, was toen zij verdachte tegen kwam. Op enig moment heeft aangeefster [slachtoffer 2] iets over de moeder van verdachte gezegd, waarna verdachte naar haar toe liep en haar met de rechter hand, met open handpalm, een harde klap in haar gezicht gaf. Dit deed haar pijn. Daarna greep verdachte naar haar hals en trok de twee gouden kettingen die om haar nek hingen kapot. Verdachte liep toen weg met de kettingen.

Getuige [getuige] heeft verklaard dat zij, nadat [slachtoffer 2] iets over de moeder van verdachte had gezegd, zag dat verdachte op die [slachtoffer 2] af kwam lopen en de ketting van haar hals trok. Hij rende weg met de ketting in zijn hand. Getuige [getuige] heeft verklaard dat zij zag dat verdachte [slachtoffer 2] bij de kin pakte en met de andere hand de twee kettingen die zij om had vastpakte en kapot trok, waarna hij weg liep en later rende.

Getuige [getuige] heeft verklaard dat, nadat [slachtoffer 2] iets over de moeder van verdachte zei, verdachte naar [slachtoffer 2] toe kwam lopen en haar met de vlakke hand in haar gezicht sloeg. Daarna pakte hij [slachtoffer 2] bij de keel, trok de kettingen van haar hals en liep weg.

Voormelde verklaringen komen, naar het oordeel van de rechtbank, op diverse punten in detail met elkaar overeen en zijn in zoverre niet tegenstrijdig of onduidelijk. Deze verklaringen worden dan ook gebruikt voor het bewijs van het onder 2. en 3. ten laste gelegde.

Ten aanzien van het oogmerk van wederrechtelijke toe-eigening, overweegt de rechtbank dat voor het bewezen verklaren van diefstal, voldoende is dat het oogmerk van wederrechtelijke toe-eigening bestond op het moment van wegneming van het betreffende goed. De rechtbank vindt in het dossier voldoende bewijs om te komen tot het oordeel dat het oogmerk op het moment van wegneming bestond, nu uit de getuigenverklaringen van [getuige], [getuige] en [getuige] blijkt dat verdachte de kettingen van de hals van aangeefster [slachtoffer 2] heeft getrokken en dat hij daarna, met de kettingen in de hand, is weggegaan.

Feit 4.:

De rechtbank heeft kennis genomen van de inhoud van de stukken van het onderliggende strafdossier en van hetgeen bij het onderzoek op voornoemde zitting naar voren is gebracht.

De rechtbank acht wettig en overtuigend bewezen hetgeen de verdachte onder 4. is ten laste gelegd. De rechtbank overweegt daartoe het hierna volgende.

Verbalisant Van der Werff heeft verklaard dat hij op 8 april 2009, nadat hij verdachte heeft staande gehouden en een henneplucht rook, verdachte heeft gefouilleerd. Hij trof toen twee zakjes met daarin een groen goedje aan. Deze zakjes zijn onderzocht en uit dit onderzoek is gebleken van het ene zakje een henneptop van 1,58 gram en het andere zakje een henneptop van 1,47 gram bevatte. Verdachte heeft ter terechtzitting ook verklaard twee zakjes hennep in zijn bezit te hebben gehad.

De rechtbank is voorts van oordeel dat het ten laste gelegde verkopen en/of afleveren en/of verstrekken van de in de tenlastelegging vermelde hoeveelheden aan [persoon] niet bewezen kan worden en zal verdachte hiervan vrijspreken, nu zich in het dossier geen onderzoeksrapport betreffende de inhoud van de bij [persoon] aangetroffen zakjes bevindt.

Parketnummer 07.610047-09:

De rechtbank heeft kennis genomen van de inhoud van de stukken van het onderliggende strafdossier en van hetgeen bij het onderzoek op voornoemde zitting naar voren is gebracht.

De rechtbank acht wettig en overtuigend bewezen hetgeen de verdachte als tweede cumulatief alternatief is ten laste gelegd. De rechtbank overweegt daartoe het hierna volgende.

Aangever [slachtoffer 3] heeft op 31 mei 2009 om 03:00 uur, vlak nadat hij van de fiets is beroofd, op straat aangifte gedaan. Daarna, op 3 juni 2009, heeft hij de aangifte aangevuld. Hij heeft verklaard dat hij op 31 mei 2009 stond te wachten met zijn fiets tussen zijn benen, toen hij ineens merkte dat zijn fiets van achteren op slot werd gedaan. De jongen die dit deed wilde de fiets hebben en zei: “Als je je fiets niet geeft, dan kan ik je neersteken.”. Deze jongen heeft [slachtoffer 3] met kracht twee schoppen tegen zijn dijbeen gegeven en heeft geprobeerd om [slachtoffer 3] te slaan.

Getuige [getuige] is voor de eerste maal op 2 juni 2009 gehoord. Hij was op dat moment aan het werk en is aldaar gehoord. Hij heeft een korte verklaring afgelegd over het feit dat “de Marokkaan” de fiets van [slachtoffer 3] op slot deed en de sleutel pakte. Op 8 juni 2009 heeft getuige [getuige] telefonisch een aanvullende verklaring afgelegd en desgevraagd verklaard dat hij heeft gezien dat [slachtoffer 3] werd geschopt door de andere jongen dan de zigeuner.

Op 5 juni 2009 is getuige [getuige] gehoord. Deze heeft verklaard dat hij op 31 mei 2009 ’s-ochtends vroeg met aangever [slachtoffer 3] en getuige [getuige] in de stad was. Op een gegeven ogenblik zag hij dat [slachtoffer 3] door twee personen tot stoppen werd gedwongen. Eén van deze personen zei dat de fiets waar [slachtoffer 3] op reed van zijn moeder was. [getuige] noemt deze persoon dader 1. [slachtoffer 3] is gestopt en dader 1, is achter [slachtoffer 3], die de fiets tussen de benen heeft, langs gelopen, heeft de fiets van [slachtoffer 3] op slot gedaan en de fietssleutel uit het slot gehaald. [getuige] is bij een kroeg naar binnen gegaan om de politie te bellen en toen hij weer buiten kwam, hoorde hij dader 1 zeggen: “Ik heb een mes bij me en als je de fiets niet geeft dan steek ik je neer” of woorden van gelijke strekking.

Verdachte heeft ter terechtzitting verklaard dat hij zag dat de fiets waarop aangever [slachtoffer 3] reed een gestolen fiets was en dat hij naar hem heeft geroepen dat die fiets van zijn, verdachte’s, moeder was.

De rechtbank is van oordeel dat bovengenoemde verklaringen voldoende betrouwbaar zijn om tot het bewijs te kunnen dienen. Het feit dat sommige details pas op een later tijdstip zijn verklaard, doet hier niet aan af, zeker niet nu in ogenschouw moet worden genomen dat de aangifte op straat is opgenomen en getuige [getuige] in eerste instantie op zijn werk is gehoord, waarvan hij wegens drukte geen vrij kon krijgen. Dat later, op een rustiger moment, bepaalde details weer in herinnering komen, is dan ook niet vreemd.

De raadsvrouw heeft nog betoogd dat één van de getuigen, daarmee bedoelt zij kennelijk getuige [getuige], heeft verklaard te hebben gehoord dat [slachtoffer 3] tegen verdachte heeft gezegd: “Hier heb je hem.” doelend op de fiets. Volgens de raadsvrouw volgt hieruit dat de verklaringen van verdachte en zijn vriend [getuige], die beide verklaren dat [slachtoffer 3] vrijwillig de fiets aan verdachte gaf, juist zijn. De rechtbank deelt deze mening, met verwijzing naar hetgeen voor het overige in deze verklaring staat, niet. Immers, uit de rest van de verklaring komt naar voren dat aangever [slachtoffer 3] de fiets niet eerder heeft afgegeven dan nadat door verdachte, die volgens getuige [getuige] erg boos was, tegen [slachtoffer 3] geschreeuwd is, de fiets op slot is gezet en de sleutel is afgepakt.

Bewezenverklaring

Parketnummer 07.610033-09:

De rechtbank acht wettig en overtuigend bewezen hetgeen verdachte onder 1., 2., 3. en 4.ten laste is gelegd, met dien verstande dat:

1.

hij op 18 maart 2009 in de gemeente Lelystad [slachtoffer 1] heeft bedreigd met enig misdrijf tegen het leven gericht, immers heeft verdachte opzettelijk een of meermalen een snijbeweging met zijn hand over zijn hals gemaakt, terwijl hij die [slachtoffer 1] in de ogen keek, en een gebaar gemaakt, welk gebaar betekende dat hij, verdachte, die [slachtoffer 1] een kogel door het hoofd wilde schieten;

2.

hij op 26 maart 2009 in de gemeente Lelystad opzettelijk mishandelend een persoon (te weten [slachtoffer 2]), tegen het gezicht heeft geslagen, waardoor deze pijn heeft ondervonden;

3.

hij op 26 maart 2009 in de gemeente Lelystad met het oogmerk van wederrechtelijke toe-eigening heeft weggenomen gouden kettingen, toebehorende aan [slachtoffer 2];

4.

hij op 08 april 2009 in de gemeente Lelystad heeft vervoerd een hoeveelheid van ongeveer 1,58 respectievelijk 1,47 gram, in elk geval een hoeveelheid van niet meer dan 30 gram hennep, zijnde hennep een middel als bedoeld in de bij de Opiumwet behorende lijst II, dan wel aangewezen krachtens het vijfde lid van artikel 3a van die wet;

Voor zover in de bewezen verklaarde tenlastelegging taal- en/of schrijffouten voorkomen, leest de rechtbank de tenlastelegging verbeterd. Blijkens het verhandelde op de terechtzitting is de verdachte daardoor niet geschaad in zijn verdediging.

De rechtbank acht niet bewezen hetgeen onder 1., 2., 3. en 4. meer of anders ten laste is gelegd. Verdachte zal daarvan worden vrijgesproken.

Parketnummer: 07.610047-09:

De rechtbank acht wettig en overtuigend bewezen hetgeen verdachte onder het tweede cumulatief alternatief ten laste is gelegd, met dien verstande dat:

1.

hij op 31 mei 2009 in de gemeente Lelystad,op de openbare weg, [weg], met het oogmerk om zich wederrechtelijk te bevoordelen door geweld en bedreiging met geweld [slachtoffer 3] heeft gedwongen tot de afgifte van een fiets (merk/type:Gazelle, kleur:blauw), geheel of ten dele toebehorende aan [slachtoffer 3], in elk geval aan een ander dan aan verdachte, welk geweld en welke bedreiging met geweld hierin bestond(en) dat hij,

verdachte, toen aldaar, die [slachtoffer 3] de volgende woorden heeft toegevoegd:

"Als je de fiets niet geeft dan kan ik je neersteken" en/of "Ik heb een mes bij mij en als je de fiets niet geeft dan steek ik je neer" en

-(met kracht) tegen het be(e)n van die [slachtoffer 3] heeft geschopt en

-heeft getracht (om) op het lichaam van die [slachtoffer 3] te slaan en

-onverhoeds (terwijl die [slachtoffer 3] de fiets tussen de benen had) (vanachteren) de fiets op slot heeft gedaan;

Voor zover in de bewezen verklaarde tenlastelegging taal- en/of schrijffouten voorkomen, leest de rechtbank de tenlastelegging verbeterd. Blijkens het verhandelde op de terechtzitting is de verdachte daardoor niet geschaad in zijn verdediging.

De rechtbank acht niet bewezen hetgeen meer of anders ten laste is gelegd. Verdachte zal daarvan worden vrijgesproken.

5. DE STRAFBAARHEID

Het bewezene levert op:

Parketnummer 07.610033-09:

Feit 1.: Bedreiging met enig misdrijf tegen het leven gericht, strafbaar gesteld bij artikel 285 van het Wetboek van Strafrecht.

Feit 2.: Mishandeling, strafbaar gesteld bij artikel 300 van het Wetboek van Strafrecht.

Feit 3.: Diefstal, strafbaar gesteld bij artikel 310 van het Wetboek van Strafrecht.

Feit 4.: Handelen in strijd met een in art. 3 onder B. van de Opiumwet gegeven verbod, strafbaar gesteld bij art. 11, eerste lid, van de Opiumwet.

Parketnummer 07.610047-09:

Afpersing, strafbaar gesteld bij artikel 317 van het Wetboek van Strafrecht.

Er zijn geen feiten of omstandigheden die de strafbaarheid van het bewezen verklaarde uitsluiten. Dit levert de genoemde strafbare feiten op.

Er zijn ook geen feiten of omstandigheden die de strafbaarheid van de verdachte uitsluiten. De verdachte is derhalve strafbaar.

6. DE STRAFOPLEGGING

De officier van justitie, mr. M.W. van der Borg heeft ter terechtzitting gevorderd:

- de veroordeling van verdachte ter zake van het ten laste gelegde tot:

? het opleggen van een gedragsbeïnvloedende maatregel (GBM) voor de duur van één jaar, te vervangen door 6 maanden jeugddetentie, bestaande uit:

• ITB Harde Kern

• Individuele behandeling bij De Waag

• Groepsgerichte behandeling bij De Waag

• Ouderbegeleiding vanuit De Waag

• Lifestyle-training van Tactus

• het zich houden aan de aanwijzingen van de jeugdreclassering.

Ten aanzien van de onder 4. ten laste gelegde overtreding, heeft de officier van justitie geen aparte straf geëist.

De verdediging heeft zich, voor wat de strafmaat betreft, aangesloten bij het advies van de Jeugdreclassering, maar verzocht de daarin expliciet opgenomen voorwaarden “geen gebruik van verdovende middelen” en “geen contact met medeverdachten c.q. mededaders” te vervangen door de meer algemene voorwaarde dat verdachte zich moet houden aan de aanwijzingen van de Jeugdreclassering.

Gelet op de aard en de ernst van het bewezen en strafbaar verklaarde, op de omstandigheden waaronder verdachte zich daaraan heeft schuldig gemaakt en op de persoon van verdachte, zoals van een en ander uit het onderzoek ter terechtzitting is gebleken, acht de rechtbank de hierna te noemen beslissing passend.

Bij haar beslissing heeft de rechtbank rekening gehouden met:

- een verdachte betreffend uittreksel justitiële documentatie d.d. 30 september 2009, waaruit blijkt dat verdacht niet eerder is veroordeeld;

- een de verdachte betreffend psychologisch onderzoek (Pro Justitia) d.d. 13 oktober 2009 uitgebracht door drs. M. van Heteren, gezondheidszorgpsycholoog;

- een de verdachte betreffend psychiatrisch onderzoek (Pro Justitia) d.d. 12 oktober 2009 uitgebracht door dr. G.C.G.M. Broekman, kinder- en jeugdpsychiater;

- een de verdachte betreffend adviesrapport d.d. 19 oktober 2009, uitgebracht door M. Kogenhop, jeugdreclasseerder van Bureau Jeugdzorg;

- een verdachte betreffend rapport raadsonderzoek strafzaken d.d. 22 oktober 2009, uitgebracht door M. van de Watering, Raadsonderzoeker, van de Raad voor de Kinderbescherming, met als bijlage het onderzoeksverslag d.d. 19 oktober 2009 van mw. drs. A. Dil, gezondheidspsycholoog.

De Raad voor de Kinderbescherming (verder te noemen: de Raad) heeft in zijn laatste rapport van 22 oktober 2009 aangegeven dat een gedragsbeïnvloedende maatregel geïndiceerd wordt geacht, omdat de veelvuldigheid van de begane misdrijven hiertoe aanleiding geven nu verdachte in korte tijd herhaaldelijk delicten heeft gepleegd. De maatregel is in het belang van een zo gunstig mogelijke verdere ontwikkeling van verdachte, omdat hij een geïntegreerd hulpaanbod nodig heeft om de problematiek op verschillende ontwikkelingsgebieden te verminderen en recidive te voorkomen.

Bij verdachte is sprake van een matige gedragsstoornis. Verdachte heeft een benedengemiddelde intelligentie en een beperkte gewetensfunctie. Hij neemt onvoldoende zijn eigen verantwoordelijkheid, bagatelliseert zijn eigen aandeel in de delicten en kan zich moeilijk verplaatsen in anderen. Probleembesef en –inzicht ontbreken. Hij legt de verantwoordelijkheid voor het delictgedrag buiten hem zelf en moeder houdt hem de hand boven het hoofd.

Uit risicotaxatie komt naar voren dat, indien verdachte geen behandeling krijgt, de kans op recidive hoog is.

De Raad acht een (voorwaardelijke) PIJ maatregel een te zware maatregel. Er zijn binnen een GBM voldoende behandelmogelijkheden en verdachte is gemotiveerd en inmiddels gestart met verschillende modules. Vervangende jeugddetentie is een voldoende stok achter de deur.

De Raad adviseert een gedragsbeïnvloedende maatregel voor de duur van één jaar met als onderdelen:

- intensieve begeleiding in het kader van ITB Harde Kern gedurende een periode van zes maanden;

- individuele behandeling gericht op het leren zich afzijdig te houden van deviant gedrag en tot het komen van betere vrienden, het inzicht verkrijgen in consequenties van het eigen gedrag en empathietraining;

- een groepsbehandeling gericht op het behandelen van agressief en/of antisociaal gedrag;

- leefstijltraining, gericht op het middelengebruik;

- Contactverbod met medeverdachten, c.q. mededaders;

- ouderbegeleiding in de vorm van opvoedondersteuning gericht op het leren onderhandelen en begrenzen;

- MHS als nazorg om verdachte geleidelijk te laten wennen aan zijn vrijheden en aan het zelfstandig toepassen van de geleerde vaardigheden.

De Raad adviseert een vervangende jeugddetentie voor de duur van zes maanden.

Ter zitting heeft S.B. Fransman, namens de Raad, het advies gehandhaafd en nogmaals benadrukt dat een (voorwaardelijke) PIJ te zwaar is, omdat verdachte nog maar net bekend is bij politie en justitie en de hulp net is opgestart. Bovendien komt verdachte zijn afspraken nu al goed na.

De Jeugdreclassering van Bureau Jeugdzorg Flevoland heeft in zijn adviesrapport van 19 oktober 2009 geadviseerd tot oplegging van de gedragsbeïnvloedende maatregel, welk advies ter zitting door M. Kogenhop, namens Bureau Jeugdzorg, is gehandhaafd.

De psycholoog heeft, in haar PJ rapport van 13 oktober 2009, geconcludeerd dat verdachte functioneert op zwakbegaafd niveau. Hij lijdt aan een matige gedragsstoornis, beginnend in de adolescentie. Gevreesd moet worden dat verdachte een persoonlijkheidsstoornis NAO ontwikkelt met zowel narcistische, borderline als antisociale kenmerken. Omdat verdachte nog jong is, is de diagnose uitgesteld. Vanwege de ontwikkelingsproblemen (zwakbegaafdheid, gedragsstoornis en de zich ontwikkelende persoonlijkheidsstoornis), wordt verdachte voor het ten laste gelegde verminderd toerekeningsvatbaar geacht. Ten aanzien van de kans op recidive concludeert de psycholoog dat verdachte zijn gedrag niet kan (t.g.v. zwakbegaafd functioneren) en niet wil (t.g.v. de gedragsstoornis en de zich ontwikkelende persoonlijkheidsstoornis) sturen. Hij probeert zijn omgeving te controleren en te bepalen daar waar interne controle op het gedrag volledig te kort schiet. De recidive kans t.a.v. een geweldsdelict wordt als groot geschat. Ook volgens de gebruikte risicotaxatie blijkt dat er bij betrokkene een hoog risico is op geweldsdelinquentie.

De psychiater concludeert aanvullend, in haar PJ rapport van 12 oktober 2009, dat tevens sprake is van alcohol – en cannabisabuse. Ten aanzien van de kans op recidive merkt de psychiater op dat verdachte een handelingspatroon toont waarin zijn agressieve gevoelens en impulsen niet afdoende worden afgeweerd en bij provocatie gemakkelijk worden uitgeleefd in de buitenwereld.

Door zowel de psycholoog als de psychiater wordt geadviseerd om aan verdachte een gedragsbeïnvloedende maatregel op te leggen. Omdat verdacht een berekenende jongen is die er voor zou kunnen kiezen om de behandelafspraken niet na te komen, wordt vanwege het hoge recidivegevaar van een geweldsdelict tegen personen gericht, geadviseerd om naast de GBM een voorwaardelijke PIJ op te leggen. In het geval van recidive, blijft dan gewaarborgd dat verdachte in residentieel jeugdverband behandeld wordt.

De rechtbank neemt, ten aanzien van het onder 1., 2. en 3. (parketnummer 07.610033-09) bewezen verklaarde en het bewezen verklaarde onder parketnummer 07.610047-09, het advies van de Raad voor de Kinderbescherming, om een maatregel betreffende het gedrag van de jeugdige op te leggen voor de duur van één jaar, over, zoals hierna omschreven, nu de ernst van de begane misdrijven hiertoe aanleiding geeft en de maatregel in het belang is van een zo gunstig mogelijke verdere ontwikkeling van de verdachte.

Ten aanzien van het onder 4. (parketnummer 07.610033-09) bewezen verklaarde, overweegt de rechtbank dat geen straf of maatregel behoeft te volgen. Verdachte zal, zodra de gedragsbeïnvloedende maatregel aanvangt, meer dan genoeg tijd moeten besteden aan de voorwaarden van voornoemde maatregel. Bovendien wordt de maatschappelijke verontwaardiging betreffende dit feit zodanig gering geacht, dat aparte bestraffing hiervan, in het licht van het bovenstaande bezien, geen redelijk doel lijkt te dienen.

De oplegging van de straf is, behalve op de reeds aangehaalde wettelijke voorschriften, gegrond op de artikelen 9a, 77a, 77g, 77h, 77w, 77wc, 77x, 77aa, 77gg en 91 van het Wetboek van Strafrecht.

7. BESLISSING

Parketnummer 07.610033-09:

Het onder 1., 2., 3. en 4. ten laste gelegde is bewezen zoals hiervoor aangegeven en levert de strafbare feiten op, zoals hiervoor vermeld. De verdachte is deswege strafbaar.

Het onder 1., 2., 3. en 4. meer of anders ten laste gelegde is niet bewezen en de verdachte wordt daarvan vrijgesproken.

Parketnummer 07.610047-09:

Het tweede cumulatief alternatief ten laste gelegde is bewezen zoals hiervoor aangegeven en levert de strafbare feiten op, zoals hiervoor vermeld. De verdachte is deswege strafbaar.

Het meer of anders ten laste gelegde is niet bewezen en de verdachte wordt daarvan vrijgesproken.

De rechtbank legt aan de verdachte, voor het met parketnummer 07.610033-09 onder 1., 2. en 3. bewezen verklaarde en voor het bewezen verklaarde met parketnummer 07-610047-09, op de maatregel betreffende het gedrag van de jeugdige voor de duur van 1 (één) jaar, bestaande uit:

1. intensieve begeleiding in het kader van ITB Harde Kern gedurende een periode van zes maanden;

2. individuele behandeling gericht op het leren zich afzijdig te houden van deviant gedrag en tot het komen van betere vrienden, het inzicht verkrijgen in consequenties van het eigen gedrag en empathietraining;

3. een groepsbehandeling gericht op het behandelen van agressief en/of antisociaal gedrag;

4. leefstijltraining, gericht op het middelengebruik;

5. contactverbod met medeverdachten, c.q. mededaders;

6. ouderbegeleiding in de vorm van opvoedondersteuning gericht op het leren onderhandelen en begrenzen;

7. maatregel hulp en steun als nazorg om verdachte geleidelijk te laten wennen aan zijn vrijheden en aan het zelfstandig toepassen van de geleerde vaardigheden.

- draagt Bureau Jeugdzorg Flevoland/Jeugdreclassering op de veroordeelde bij de Gedragsbeïnvloedende Maatregel hulp en steun te verlenen;

- beveelt dat, indien de verdachte niet naar behoren aan de tenuitvoerlegging van de maatregel heeft meegewerkt, vervangende jeugddetentie zal worden toegepast voor de duur van 6 maanden.

Bepaalt, ten aanzien van het met parketnummer 07.610033-09 onder 4. bewezen verklaarde, dat verdachte hieraan schuldig wordt bevonden, doch dat aan hem geen straf of maatregel zal worden opgelegd.

Het (geschorste) bevel tot voorlopige hechtenis wordt opgeheven.

Aldus gewezen door mr. C.P. Lunter, voorzitter, mrs. G.H. Meijer en J.P.C. Obbink, rechters, in tegenwoordigheid van mr. R.G. Dees, griffier, en uitgesproken ter openbare terechtzitting van 10 november 2009.