Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBZLY:2009:BK7252

Instantie
Rechtbank Zwolle-Lelystad
Datum uitspraak
13-10-2009
Datum publicatie
21-12-2009
Zaaknummer
07/420444-08
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Bewijsoverwegingen

Diefstal

Oogmerk

Strafmaatmotivering

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

RECHTBANK ZWOLLE - LELYSTAD

Sector Strafrecht - Meervoudige Strafkamer

Parketnummers: 07/420444-08 en 07/420233-09(P)

Uitspraak: 13 oktober 2009

VONNIS IN DE STRAFZAAK VAN:

het openbaar ministerie

tegen

(verdachte)

geboren (geboorteplaats)

wonende (adres)

ONDERZOEK TER TERECHTZITTING

Het onderzoek ter terechtzitting met gesloten deuren heeft plaatsgevonden op 29 september 2009. De verdachte is verschenen, bijgestaan door mr. J.C.F. Kooijmans, advocaat te Zwolle.

Tevens zijn verschenen de moeder van de verdachte en de heer S. Brinkhuis namens de afdeling Jeugdreclassering van het Bureau Jeugdzorg Overijssel te Zwolle.

Als officier van justitie was aanwezig mr. A.E.M. Doedens.

Ter terechtzitting heeft de rechtbank in het belang van het onderzoek de voeging bevolen van de bij afzonderlijke dagvaardingen onder parketnummers 07/420444-08 en 07/420233-09 tegen de verdachte aangebrachte zaken.

TENLASTELEGGING

De verdachte is ten laste gelegd dat:

in de zaak met parketnummer 07420444-08:

1.

hij op of omstreeks 06 december 2008 in de gemeente Zwolle op of aan de

openbare weg, de Melkmarkt, tezamen en in vereniging met anderen, althans

alleen, met het oogmerk van wederrechtelijke toe-eigening heeft weggenomen een

geldbedrag van 20 euro en/of een portemonnee, in elk geval enig goed, geheel

of ten dele toebehorende aan (benadeelde partij 1), in elk geval aan een ander of

anderen dan aan verdachte, welke diefstal werd voorafgegaan en/of vergezeld

en/of gevolgd van geweld en/of bedreiging met geweld tegen (benadeelde partij 1),

gepleegd met het oogmerk om die diefstal voor te bereiden en/of gemakkelijk te

maken en/of om bij betrapping op heterdaad aan zichzelf hetzij de vlucht

mogelijk te maken, hetzij het bezit van het gestolene te verzekeren, welk

geweld en/of welke bedreiging met geweld hierin bestond(en) dat hij, verdachte

en/of zijn mededader(s) opzettelijk gewelddadig en/of bedreigend

- naar die (benadeelde partij 1) is/zijn (toe)gelopen en/of

- die (benadeelde partij 1) heeft/hebben ingesloten en/of

- tegen die (benadeelde partij 1) heeft/hebben gezegd: "Ik krijg nog geld van je, 5 euro"

en/of "Geef me 5 euro, dan kunnen we wiet kopen" en/of

- die (benadeelde partij 1) bij de jas en/of keel en/of lichaam heeft/hebben vastgepakt

en/of vastgepakt gehouden;

althans, indien het vorenstaande onder 1 niet tot een veroordeling mocht of zou

kunnen leiden:

hij op of omstreeks 06 december 2008 in de gemeente Zwolle op of aan de

openbare weg, de Melkmarkt, tezamen en in vereniging met een ander of anderen,

althans alleen, met het oogmerk om zich en/of (een) ander(en) wederrechtelijk

te bevoordelen door geweld en/of bedreiging met geweld (benadeelde partij 1) heeft

gedwongen tot de afgifte van een geldbedrag van 20 euro en/of een portemonnee,

in elk geval van enig goed, geheel of ten dele toebehorende aan (benadeelde partij 1),

in elk geval aan een ander of anderen dan aan verdachte en/of zijn

mededader(s), welk geweld en/of welke bedreiging met geweld hierin bestond(en)

dat

hij, verdachte en/of zijn mededader(s) opzettelijk gewelddadig en/of

bedreigend

- naar die (benadeelde partij 1) is/zijn (toe)gelopen en/of

- die (benadeelde partij 1) heeft/hebben ingesloten en/of

- tegen die (benadeelde partij 1) heeft/hebben gezegd: "Ik krijg nog geld van je, 5 euro"

en/of "Geef me 5 euro, dan kunnen we wiet kopen" en/of

- die (benadeelde partij 1) bij de jas en/of keel en/of lichaam heeft/hebben vastgepakt

en/of vastgepakt gehouden;

althans, indien het vorenstaande onder 1 niet tot een veroordeling mocht of zou

kunnen leiden:

A:

hij op of omstreeks 06 december 2008 in de gemeente Zwolle tezamen en in

vereniging met een ander of anderen, althans alleen, met het oogmerk van

wederrechtelijke toe-eigening heeft weggenomen een portemonnee en/of een

geldbedrag van 20 euro, in elk geval enig goed, geheel of ten dele

toebehorende aan (benadeelde partij 1), in elk geval aan een ander of anderen dan aan

verdachte en/of zijn mededader(s);

en/of

B:

hij op of omstreeks 06 december 2008 in de gemeente Zwolle met een ander of

anderen, op of aan de openbare weg, Melkmarkt, in elk geval op of aan een

openbare weg, openlijk in vereniging geweld heeft gepleegd tegen (benadeelde partij 1),

welk geweld bestond uit

- het insluiten van die (benadeelde partij 1) en/of

- het bij de jas en/of keel en/of hals vastpakken van die (benadeelde partij 1) en/of

- het opzettelijk dreigend zeggen: "Ik krijg nog geld van je, 5 euro" en/of

"Geef me 5 euro, dan kunnen we wiet kopen" althans woorden van gelijke

strekking en/of aard en/of;

2.

hij op of omstreeks 19 november 2008 in de gemeente Zwolle, op aan de openbare

weg (straatnaam) en/of een voor publiek toegankelijk plaats te weten (plaats benadeelde partij 2), tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans

alleen, met het oogmerk van wederrechtelijke toe-eigening heeft weggenomen een

geldbedrag van 969 euro en/of een (mobiele) telefoon, in elk geval enig goed,

geheel of ten dele toebehorende aan (respectievelijk) (benadeelde partij 2) in elk geval aan een ander of anderen dan aan verdachte, welke

diefstal werd voorafgegaan en/of vergezeld en/of gevolgd van geweld en/of

bedreiging met geweld tegen (benadeelde partij 2), gepleegd met het oogmerk om die

diefstal voor te bereiden en/of gemakkelijk te maken en/of om bij betrapping

op heterdaad aan zichzelf hetzij de vlucht mogelijk te maken, hetzij het bezit

van het gestolene te verzekeren, welk geweld en/of welke bedreiging met geweld

hierin bestond(en) dat hij, verdachte en/of zijn mededader(s) opzettelijk

gewelddadig en/of (be)dreigend

- met onder andere bivakmutsen en/of panty's op hun hoofden de shop van het

tankstation (naam tankstation) is/zijn binnengelopen en/of daarbij één of meer

mes(sen) zichtbaar heeft/hebben gedragen en/of (vervolgens)

- een van die messen op de balie heeft/hebben gelegd en/of

(daarbij) tegen die (benadeelde partij 2) heeft/hebben gezegd: "Dit is een overval" en/of

"Kassa open" en/of "nu kun je de politie niet bellen";

althans, indien het vorenstaande onder 2 niet tot een veroordeling mocht of zou

kunnen leiden:

hij op of omstreeks 19 november 2008 in de gemeente Zwolle op aan de openbare

weg de (straatnaam en/of een voor publiek toegankelijke plaats te weten (plaats benadeelde partij 2), tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans

alleen, met het oogmerk om zich en/of (een) ander(en) wederrechtelijk te

bevoordelen door geweld en/of bedreiging met geweld (benadeelde partij 2) heeft

gedwongen tot de afgifte van een geldbedrag van 969 euro en/of een (mobiele)

telefoon, in elk geval van enig goed, geheel of ten dele toebehorende aan

(respectievelijk) (tankstation) en/of (benadeelde partij 2), in elk geval aan een ander of

anderen dan aan verdachte en/of zijn mededader(s), welk geweld en/of welke

bedreiging met geweld hierin bestond(en) dat hij, verdachte en/of zijn

mededader(s) opzettelijk gewelddadig en/of (be)dreigend

- met onder andere bivakmutsen en/of panty's op hun hoofden de shop van het

tankstation (naam tankstation) is/zijn binnengelopen en/of daarbij één of meer

mes(sen) zichtbaar heeft/hebben gedragen en/of (vervolgens)

- een van die messen op de balie heeft/hebben gelegd en/of

(daarbij) tegen die (benadeelde partij 2) heeft/hebben gezegd: "Dit is een overval" en/of

"Kassa open" en/of "nu kun je de politie niet bellen";

in de zaak met parketnummer 07/420233-09:

hij op of omstreeks 30 maart 2009 in de gemeente Zwolle tezamen en in

vereniging met een ander of anderen, althans alleen, met het oogmerk van

wederrechtelijke toe-eigening heeft weggenomen een horloge en/of een telefoon,

in elk geval enig goed, geheel of ten dele toebehorende aan (respectievelijk)

(benadeelde partij 3) en/of (benadeelde partij 4), in elk geval aan een ander of anderen dan aan

verdachte en/of zijn mededader(s);

De rechtbank nummert het bij dagvaarding met parketnummer 07/420233-09 ten laste gelegde feit als feit 3.

VOORVRAGEN

De rechtbank heeft vastgesteld dat de dagvaarding geldig is, dat zijzelf bevoegd is tot kennisneming van deze zaak, dat de officier van justitie ontvankelijk is in haar vervolging en dat er geen redenen zijn voor schorsing van de vervolging.

BEWIJSMOTIVERING

Het standpunt van het openbaar ministerie

De officier van justitie is van oordeel dat het onder 1 primair, 2 primair en 3 ten laste gelegde kan worden bewezen.

Het standpunt van de verdediging

De raadsman van de verdachte heeft vrijspraak bepleit ten aanzien van het onder 1 en 3 ten laste gelegde. Ten aanzien van het onder 2 ten laste gelegde heeft de raadsman van de verdachte zich gerefereerd aan het oordeel van de rechtbank.

Het oordeel van de rechtbank

De rechtbank is van oordeel dat het onder 1 primair, 2 primair en 3 ten laste gelegde bewezen kan worden verklaard. De hierna volgende bewezenverklaring steunt op de volgende bewijsmiddelen .

Ten aanzien van het onder 1 ten laste gelegde:

Door aangever (benadeelde partij 1) is in zijn aangifte van 6 december 2008 onder meer verklaard dat hij op 6 december 2008 omstreeks 0.00 uur in de binnenstad van Zwolle wilde gaan pinnen bij de Rabobank aan de Melkmarkt. Terwijl hij naar de pinautomaat liep zag hij vlak in de buurt een klein groepje jongens staan. Een van de jongens kende hij als (naam) Aangever heeft 20 euro gepind, heeft dat geld in zijn rechter broekzak gedaan en heeft zijn portemonnee in zijn linker broekzak, aan de voorzijde van zijn spijkerbroek, gestopt.

Aangever wilde vervolgens naar de Jufferenwal gaan. Toen hij op ongeveer 20 meter van de pinautomaat vandaan was stond dat groepje jongens om hem heen. Aangever weet niet meer of ze met z’n drieën of vieren waren, maar wel dat het (naam) was, samen met een jongen met rood haar en een jongen die hij kent als “(X)”.

(naam) zei tegen aangever.: “ik krijg nog geld van je, 5 euro. Geef me 5 euro dan kunnen we wiet kopen.” De jongen met het rode haar pakte aangever bij zijn jas, ter hoogte van zijn keel. Aangever zag en voelde dat (naam) met zijn hand in de broekzak van aangever ging en zijn portemonnee eruit haalde. Daarna haalde de jongen met het rode haar het geld uit de andere broekzak van aangever. Aangever verzette zich met spartelen en de jongens weg te duwen, maar ze waren te sterk voor hem. De jongen met het rode haar zei vervolgens “kijk uit, camera’s” en liep hard weg. De andere jongens gingen er achteraan. Aangever zag dat ze de Melkmarktsteeg in liepen. Aangever had zijn portemonnee toen al weer uit de handen van (naam) gegrist en is achter de jongens aan gegaan, omdat hij zijn geld terug wilde. In de Melkmarktsteeg werd aangever tegengehouden door de jongens die hem hadden beroofd en door een jongen bij wiens zus aangever in de klas zit, (naam zus).

Aangever riep tegen de jongens die hem beroofd hadden dat hij zijn geld terug wilde, waarop de jongen met het rode haar hem 10 euro teruggaf. De andere 10 euro hebben ze gehouden.

Op 5 januari 2009 is aangever (benadeelde partij 1) telefonisch nader gehoord en heeft hij onder meer verklaard dat de jongen met het rode haar hem hardhandig bij de kraag van zijn jas greep en dat hij voelde dat de kraag van zijn jas werd strakgetrokken door de greep van die jongen. Aangever voelde dat de kraag strak om zijn keel werd getrokken. Die jongens wisten volgens aangever dat hij geld had daar hij kort ervoor geld gepind had. Dat hadden zij gezien. Zij deden een snelle greep in zijn broekzak en haalden daar het geld uit.

Door getuige (naam getuige) is op 6 december 2008 onder meer verklaard dat hij op 6 december 2008 tussen 00.45 uur en 01.30 uur op de Melkmarkt bij de steeg stond en toen een groep van 4 à 5 jongens de steeg in zag lopen. Achter deze groep liep één jongen. De getuige (naam getuige) hoorde dat die jongen iets riep van: “ik wil mijn geld terug”. De getuige (naam getuige) begreep dat die jongen een klasgenoot van (naam zus) was en zag daarna dat die jongen naar de groep liep en dat het dreigde te escaleren. Hij zag dat zich in de groep van jongens één blonde jongen bevond. Deze blonde jongen reageerde zeer agressief. Hij zag dat hij de klasgenoot van zijn zus sloeg en duwde.

De getuige (naam getuige) heeft de klasgenoot van zijn zus vervolgens bij de groep weggetrokken. De groep jongens liep over de Melkmarkt verder richting de Grote Markt.

De klasgenoot van zijn zus vertelde de getuige (naam getuige) dat hij geld had gepind en dat men hem beroofd had.

Door de verdachte is bij zijn eerste verhoor op 10 december 2008 verklaard dat hij op 5 december 2008 omstreeks 24.00 uur, terwijl hij met (naam 2) en (naam 3) in de stad nabij de Melkmarkt stond, zag dat (benadeelde partij 1) bij de pinautomaat van de Rabobank stond te pinnen en dat hij dat geld na het pinnen los in zijn broekzak deed. Toen (benadeelde partij 1) bij hen kwam staan begonnen ze wat te ouwehoeren met elkaar. Op een gegeven moment stond hij, verdachte, naast (benadeelde partij 1) en pakte toen de portemonnee van (benadeelde partij 1) uit diens kontzak. Toen (benadeelde partij 1) naar de portemonnee greep trok verdachte de portemonnee snel weg, zodat (benadeelde partij 1) misgreep. Hij zag dat (naam 3) zijn hand in de broekzak van (benadeelde partij 1) stak en dat hij hem er bijna gelijk weer uit haalde. Hij hoorde (benadeelde partij 1) vervolgens zeggen tegen (naam 3): “Wat heb je uit mijn broekzak gepakt?” of zoiets. (benadeelde partij 1) reageerde vervolgens wat agressief. Ik zag dat (benadeelde partij 1) boos werd en ik zag vervolgens dat hij (naam 3) begon te duwen. Het is volgens verdachte niet waar dat hij nog geld van (benadeelde partij 1) kreeg. Dat heeft verdachte toen verzonnen.

Verdachte heeft op 10 december 2008 een nadere verklaring afgelegd, onder meer inhoudende dat hij zag dat (naam 3) het geld bij (benadeelde partij 1) uit zijn broekzak pakte.

Medeverdachte (naam 3) heeft onder meer verklaard dat hij met (naam 1), (naam 2) en (naam 4) bij de Melkmarkt in Zwolle was toen (benadeelde partij 1) er op een gegeven moment aan kwam en naar de pinautomaat liep. (naam 3) zag dat (benadeelde partij 1) een 10 euro biljet los in een van zijn broekzakken had zitten en griste dit toen uit zijn broekzak. (benadeelde partij 1) begon toen tegen (naam 3) te duwen en te trekken.

Medeverdachte (naam 2) heeft onder meer verklaard , dat (naam 1) voor de gein de portemonnee van (benadeelde partij 1) uit zijn zak pakte. Het was meer trekken en duwen en hij wilde zijn portemonnee terug. (naam 1) en (naam 3) waren aan het trekken en duwen tegen (benadeelde partij 1).

De rechtbank acht op grond van het voorgaande wettig en overtuigend bewezen hetgeen de verdachte onder 1 primair ten laste is gelegd.

Het verweer van de verdediging dat het oogmerk van wederrechtelijke toe-eigening heeft ontbroken wordt door de rechtbank verworpen. Naar het oordeel van de rechtbank is komen vast te staan dat verdachte de portemonnee uit de broekzak van aangever heeft gepakt en dat hij zich daarna gedurende enige tijd als heer en meester daarover heeft gedragen, hetgeen onder meer blijkt uit het feit dat verdachte heeft bekend dat hij, toen aangever naar zijn portemonnee greep, de portemonnee snel wegtrok, zodat aangever misgreep. De rechtbank ziet geen aanleiding om te twijfelen aan de verklaring van aangever, dat hijzelf de portemonnee (uiteindelijk) weer uit handen van verdachte heeft gegrist. Voorts is naar het oordeel van de rechtbank komen vast te staan dat het door aangever gepinde geld uit diens broekzak is gepakt door medeverdachte (naam 3) en dat verdachte en diens medeverdachte (naam 3) met dat geld zijn weggerend. Ook staat vast dat er een duw- en trekpartij is ontstaan tussen (onder meer) verdachte, medeverdachte (naam 3) enerzijds en aangever anderzijds. De rechtbank acht niet aannemelijk, dat slechts sprake zou zijn geweest van een grap, mede ook omdat het dan voor de hand had gelegen dat medeverdachte (naam 3) het weggenomen geld op het moment dat de situatie dreigde te escaleren terug zou hebben gegeven. Verdachte en zijn medeverdachten hebben er juist voor gekozen om weg te rennen met medeneming van het geld en hebben daarvoor geen aannemelijke verklaring gegeven. De rechtbank begrijpt daaruit, dat de verdachten het oogmerk hadden van wederrechtelijke toe-eigening. De rechtbank wordt in haar overtuiging gesterkt nu aangever (aanvullend) heeft verklaard, dat de jongens, zoals zij te werk gingen, serieus bezig waren en op zijn geld uit waren.

De rechtbank is op grond van de door verdachte en medeverdachte gepleegde feitelijkheden tegen aangever van oordeel dat sprake is van een zodanig nauwe en bewuste samenwerking dat een en ander moet worden aangemerkt als medeplegen.

Ten aanzien van het onder 2 ten laste gelegde:

Op 19 november 2008 is blijkens een aangifte van regiomanager (naam manager) van (naam tankstation) een overval gepleegd op het tankstation van (naam tankstation) aan de (adres), waarbij een geldbedrag van circa 960 euro is weggenomen.

De op 19 november 2008 aanwezige pompbediende (benadeelde partij 2) heeft verklaard dat zij op die dag omstreeks 20.00 uur achter de balie zat en toen is overvallen door twee jongens met bivakmutsen en panty’s op hun hoofd en dat beide jongens zichtbaar een mes droegen. Een van de jongens had een mes op de balie gelegd en tegen haar gezegd: “Dit is een overval” en “Kassa open” en “Nu kun je de politie niet bellen”. De jongen die naast haar stond had, nadat zij de kassa had geopend, het briefgeld uit de kassalade gepakt. De kleine jongen pakte muntgeld uit de kassalade en pakte haar mobiele telefoon weg. Daarop hadden beide jongens de shop verlaten.

Medeverdachte (naam 5) heeft bekend de overval samen met verdachte te hebben gepleegd. Verdachte heeft (vervolgens) ook bekend dit feit samen met (naam 5) gepleegd te hebben.

De rechtbank acht op grond van het voorgaande wettig en overtuigend bewezen hetgeen de verdachte onder 2 primair ten laste is gelegd.

Ten aanzien van het onder 3 ten laste gelegde:

Op 30 maart 2009 worden blijkens de aangiftes van (benadeelde partij 4) en (benadeelde partij 3) hun mobiele telefoon respectievelijk horloge ontvreemd uit de kleedkamer van het sportcomplex aan het (adres). Door aangeefster (benadeelde partij 3) is bij haar aangifte verklaard dat zij bij aankomst in het sportcomplex (verdachte) en (naam 6) bij de ingang zag zitten. Bij haar nadere verhoor heeft zij deze verklaring bevestigd en verduidelijkt dat zij (verdachte) herkende aan zijn gezicht en dat het niet zo is geweest dat zij alleen een jongen met een petje zou hebben zien zitten.

(naam 6) heeft bij zijn verhoor op 26 juni 2009 verklaard deze diefstallen samen met (verdachte) gepleegd te hebben. (naam 6) is op de uitkijk gaan staan en (verdachte) is de kleedkamer binnengegaan. Op enig moment kwam (verdachte) de kleedkamer uit en zijn zij weggerend. (verdachte) liet (naam 6) vervolgens zien wat hij gestolen had, een dameshorloge en een mobiele telefoon.

De rechtbank acht op grond van het voorgaande, niettegenstaande de ontkennende verklaring van de verdachte, wettig en overtuigend bewezen hetgeen de verdachte onder 3 primair ten laste is gelegd.

De rechtbank gaat voorbij aan het verweer van de verdediging dat aan de juistheid van de verklaring van (naam 6) getwijfeld kan worden. Hetgeen door de verdediging is gesteld geeft de rechtbank geen aanleiding om aan de juistheid van de verklaring van (naam 6) te twijfelen. De rechtbank merkt daarbij op, dat (naam 6) niet slechts eenmaal is gehoord, zoals de verdediging stelt. De omstandigheid dat zijn (in tweede instantie) bekennende en voor verdachte belastende verklaring telefonisch is afgelegd doet naar het oordeel van de rechtbank niet af aan de betrouwbaarheid daarvan als bewijsmiddel. De verklaring van (naam 6) acht de rechtbank betrouwbaar,, omdat hij ook zichzelf daarin belast. Daarnaast wordt de betrouwbaarheid van de verklaringen van (naam 6) ondersteund door de verklaringen van aangeefster (benadeelde partij 3). Zij heeft (tot tweemaal toe) verklaard dat zij voorafgaande aan de diefstallen (verdachte) en (naam 6) bij het sportcomplex heeft gezien. In dat licht moet de verklaring van verdachte dat hij toen niet in de buurt van de sporthal is geweest en dat hij thuis bij zijn moeder was, als ongeloofwaardig worden aangemerkt.

BEWEZENVERKLARING

De rechtbank acht derhalve wettig en overtuigend bewezen hetgeen de verdachte onder 1 primair, 2 primair en 3 ten laste is gelegd, met dien verstande dat

1. hij op 6 december 2008 in de gemeente Zwolle op of aan de openbare weg, de Melkmarkt, tezamen en in vereniging met anderen, met het oogmerk van wederrechtelijke toeëigening, heeft weggenomen een geldbedrag van 20 euro en een portemonnee, toebehorende aan (benadeelde partij 1), welke diefstal werd voorafgegaan en vergezeld van bedreiging met geweld tegen (benadeelde partij 1), gepleegd met het oogmerk om die diefstal voor te bereiden en gemakkelijk te maken, welke bedreiging met geweld hierin bestond dat hij, verdachte en zijn mededaders, opzettelijk bedreigend:

- naar die (benadeelde partij 1) zijn toegelopen en

- die (benadeelde partij 1) hebben ingesloten en

- tegen die (benadeelde partij 1) hebben gezegd: “Ik krijg nog geld van je, 5 euro” en “Geef me 5

euro, dan kunnen we wiet kopen” en

- die (benadeelde partij 1) bij de jas en/of keel en/of lichaam hebben vastgepakt en/of vastgepakt

gehouden;

2. hij op 19 november 2008 in de gemeente Zwolle op of aan de openbare weg, de (adres) en een voor publiek toegankelijke plaats, te weten (plaats benadeelde partij 2), tezamen en in vereniging met een ander, met het oogmerk van wederrechtelijke toeëigening, heeft weggenomen een geldbedrag van 969 euro en een mobiele telefoon, toebehorende aan (respectievelijk) (tankstation) en (benadeelde partij 2), welke diefstal werd voorafgegaan en vergezeld van bedreiging met geweld tegen (benadeelde partij 2), gepleegd met het oogmerk om die diefstal voor te bereiden en gemakkelijk te maken, welke bedreiging met geweld hierin bestond dat hij, verdachte en zijn mededader opzettelijk bedreigend:

- met onder andere bivakmutsen en panty’s op hun hoofden de shop van het tankstation

(naam tankstation) zijn binnengelopen en daarbij messen zichtbaar hebben gedragen en

vervolgens

- een van die messen op de balie hebben gelegd en daarbij tegen die (benadeelde partij 2) hebben

gezegd: “Dit is een overval” en “Kassa open” en “Nu kun je de politie niet bellen”;

3. hij op 30 maart 2009 in de gemeente Zwolle tezamen en in vereniging met een ander

heeft weggenomen een horloge en een telefoon, toebehorende aan respectievelijk (benadeelde partij 3) en (benadeelde partij 4).

Van het onder 1 primair, 2 primair en 3 meer of anders ten laste gelegde zal de verdachte worden vrijgesproken, aangezien de rechtbank dat niet wettig en overtuigend bewezen acht.

KWALIFICATIE

Het bewezene levert op:

Feit 1:

Diefstal, voorafgegaan en vergezeld van bedreiging met geweld tegen personen, gepleegd met het oogmerk om die diefstal voor te bereiden en gemakkelijk te maken, terwijl het feit wordt gepleegd op de openbare weg en wordt gepleegd door twee of meer verenigde personen,

strafbaar gesteld bij artikel 312 juncto artikel 310 van het Wetboek van Strafrecht.

Feit 2:

Diefstal, voorafgegaan en vergezeld van bedreiging met geweld tegen personen, gepleegd met het oogmerk om die diefstal voor te bereiden en gemakkelijk te maken, terwijl het feit wordt gepleegd op de openbare weg en wordt gepleegd door twee of meer verenigde personen,

strafbaar gesteld bij artikel 312 juncto artikel 310 van het Wetboek van Strafrecht.

Feit 3:

Diefstal door twee of meer verenigde personen,

strafbaar gesteld bij artikel 311 juncto artikel 310 van het Wetboek van Strafrecht

DE STRAFBAARHEID

Er zijn geen feiten of omstandigheden die de strafbaarheid van het bewezenverklaarde uitsluiten. Dit levert de genoemde strafbare feiten op.

Er zijn ook geen feiten of omstandigheden die de strafbaarheid van de verdachte uitsluiten. De verdachte is derhalve strafbaar.

OPLEGGING VAN STRAF EN/OF MAATREGEL

Het standpunt van het openbaar ministerie

De officier van justitie heeft op grond van hetgeen zij bewezen heeft geacht gevorderd de veroordeling van de verdachte voor het onder 1 primair en 2 primair ten laste gelegde in de zaak met parketnummer 07/420444-08 en de veroordeling van de verdachte voor het ten laste gelegde in de zaak met parketnummer 07/420233-09 tot:

- jeugddetentie voor de tijd van 180 dagen, met aftrek van voorarrest (62 dagen), waarvan 118 dagen voorwaardelijk, met als bijzondere voorwaarde een verplicht jeugdreclasseringscontact, waaronder ook begrepen de Maatregel Hulp en Steun, en zo nodig ook inhoudende een behandeling van de verdachte bij Accare;

- een werkstraf van 60 uur.

De officier van justitie heeft voorts gevorderd:

- de opheffing van het geschorste bevel voorlopige hechtenis;

- hoofdelijke toewijzing van de vordering van de benadeelde partij (benadeelde partij 2) ten aanzien van het onder 2 ten laste gelegde in de zaak met parketnummer 07/420444-08 tot een bedrag van € 55,00, met tevens oplegging van de schadevergoedingsmaatregel als bedoeld in artikel 36f van het Wetboek van Strafrecht voor voornoemd bedrag;

- hoofdelijke toewijzing van de vordering van de benadeelde partij (benadeelde partij 2) ten aanzien van het onder 2 ten laste gelegde ad € 969,19 in de zaak met parketnummer 07/420444-08, met tevens oplegging van de schadevergoedingsmaatregel als bedoeld in artikel 36f van het Wetboek van Strafrecht voor voornoemd bedrag;

- hoofdelijke toewijzing van de vordering van de benadeelde partij (benadeelde partij 4) ten aanzien van het ten laste gelegde in de zaak met parketnummer 07/420233-09 ad

€ 99,99, met tevens oplegging van de schadevergoedingsmaatregel als bedoeld in

artikel 36f van het Wetboek van Strafrecht voor voornoemd bedrag.

Het standpunt van de verdediging

De verdediging heeft bepleit om, ingeval van bewezenverklaring van een of meer feiten , overeenkomstig het advies van de Raad voor de Kinderbescherming en de Jeugdreclassering, te volstaan met het opleggen aan verdachte van onvoorwaardelijke jeugddetentie gelijk aan de duur van het ondergane voorarrest, en de eventueel noodzakelijk geachte meerdere op te leggen jeugddetentie in voorwaardelijke vorm op leggen, al dan niet in combinatie met een werkstraf.

Het oordeel van de rechtbank

Gelet op de aard en de ernst van het bewezen en strafbaar verklaarde, op de omstandigheden

waaronder verdachte zich daaraan heeft schuldig gemaakt en op de persoon van verdachte,

zoals van een en ander uit het onderzoek ter terechtzitting is gebleken, acht de rechtbank de

na te noemen beslissing passend.

De rechtbank is in dit geval van oordeel dat een onvoorwaardelijke vrijheidsstraf noodzakelijk is, omdat aard en ernst van het bewezen en strafbaar verklaarde, door een lichtere strafrechtelijke afdoening van de zaak miskend zouden worden.

De rechtbank rekent het de verdachte met name zwaar aan dat hij zich in korte tijd heeft schuldig gemaakt aan het medeplegen van een tweetal berovingen, onder bedreiging met geweld. Dergelijke feiten veroorzaken grote maatschappelijke onrust en plegen in het algemeen bij slachtoffers van dit soort delicten het nodige psychische leed te berokkenen.

Daarnaast rekent de rechtbank het de verdachte aan dat hij zich tijdens zijn schorsing uit de voorlopige hechtenis nog heeft schuldig gemaakt aan diefstal. Een en ander rechtvaardigt in beginsel het opleggen van een langere jeugddetentie dan het door verdachte ondergane voorarrest. Gelet echter op de positieve ontwikkeling die verdachte (behoudens de door hem op 30 maart 2009 gepleegde diefstal) sinds zijn schorsing van de voorlopige hechtenis en de daarop aansluitende deelname aan het ITB-traject Harde Kern heeft doorgemaakt, acht de rechtbank termen aanwezig om de op te leggen onvoorwaardelijke jeugddetentie te beperken tot de duur van het door verdachte ondergane voorarrest, en de jeugddetentie voor het overige in voorwaardelijke vorm op te leggen. De rechtbank houdt er bij het bepalen van de straf ook rekening mee dat verdachte gedurende de schorsing van de voorlopige hechtenis het ITB- traject Harde Kern met goed gevolg heeft afgerond.

De rechtbank acht daarnaast ook een werkstraf aangewezen.

Met het oog op een zo gunstig mogelijke verdere ontwikkeling van de verdachte naar volwassenheid alsmede met het oog op het tegengaan van recidive acht de rechtbank het van belang om aan het voorwaardelijke deel van de op te leggen jeugddetentie als bijzondere voorwaarde een verplicht jeugdreclasseringscontact te verbinden, hetgeen ook zal kunnen inhouden dat verdachte gedurende de proeftijd één of meer behandelingen zal volgen bij FJP Accare of een soortgelijke instelling.

Bij haar beslissing heeft de rechtbank (onder meer) rekening gehouden met:

een de verdachte betreffend uittreksel justitiële documentatie d.d. 7 juli 2009;

- een de verdachte betreffend psychologisch onderzoeksrapport d.d. 25 maart 2009

uitgebracht door drs. J.P.M. van der Leeuw, klinisch psycholoog/psychotherapeut;

- een de verdachte betreffend Rapport raadsonderzoek strafzaken d.d. 2 juli 2009

uitgebracht door de Raad voor de Kinderbescherming te Zwolle;

- een de verdachte betreffende adviesrapportage d.d. 24 september 2009 uitgebracht

door de afdeling Jeugdreclassering van het Bureau Jeugdzorg Overijssel te Zwolle;

- een brief d.d. 24 september 2009 van de Raad voor de Kinderbescherming te Zwolle

betreffende voornoemde adviesrapportage.

De rechtbank neemt de in voornoemde psychologische onderzoeksrapportage vervatte conclusies betreffende de (licht) verminderde toerekeningsvatbaarheid van de verdachte op de daarvoor in voornoemde rapportage genoemde gronden over en maakt die tot de hare.

De oplegging van straf of maatregel is, behalve op de reeds aangehaalde wettelijke voorschriften, gegrond op de artikelen 77a, 77g, 77h, 77i, 77m, 77n, 77o, 77x, 77y, 77z, 77aa en 77gg van het Wetboek van Strafrecht.

Vorderingen benadeelde partijen

Benadeelde partij (benadeelde partij 2) (feit 2)

Bij het onderzoek ter terechtzitting is komen vast te staan, dat de benadeelde partij (benadeelde partij 2), wonende te Zwolle, rechtstreeks schade heeft geleden ten gevolge van het ten laste van verdachte onder 2 bewezen verklaarde feit.

De hoogte van die schade is, gelet op de inhoud van het “voegingsformulier benadeelde partij in het strafproces” en gelet op hetgeen tijdens het onderzoek ter terechtzitting naar voren is gekomen, genoegzaam komen vast te staan tot een bedrag van € 55,00, vermeerderd met de kosten die -tot op heden- worden begroot op nihil.

De vordering van de benadeelde partij, die in die vordering ontvankelijk is, is in dier voege toewijsbaar.

De verdachte is voor de schade, voor zover toegewezen, naar burgerlijk recht hoofdelijk aansprakelijk.

De rechtbank zal voorts ter zake van het onder 2 bewezen verklaarde feit aan de verdachte op de voet van artikel 36f van het Wetboek van Strafrecht de verplichting opleggen tot betaling aan de Staat van bovengenoemde geldsom van € 55,00 ten behoeve van het slachtoffer (benadeelde partij 2).

Benadeelde partij (benadeelde partij 2) (feit 2)

Bij het onderzoek ter terechtzitting is komen vast te staan, dat de benadeelde partij (benadeelde partij 2), gevestigd te (plaatsnaam) rechtstreeks schade heeft geleden ten gevolge van het ten laste van verdachte onder 2 bewezen verklaarde feit.

De hoogte van die schade is, gelet op de inhoud van het “voegingsformulier benadeelde partij in het strafproces” en gelet op hetgeen tijdens het onderzoek ter terechtzitting naar voren is gekomen, genoegzaam komen vast te staan tot een bedrag van € 969,19, vermeerderd met de kosten die -tot op heden- worden begroot op nihil.

De vordering van de benadeelde partij, die in die vordering ontvankelijk is, is in dier voege toewijsbaar.

De verdachte is voor de schade, voor zover toegewezen, naar burgerlijk recht hoofdelijk aansprakelijk.

De rechtbank zal voorts ter zake van het onder 2 bewezen verklaarde feit aan de verdachte op de voet van artikel 36f van het Wetboek van Strafrecht de verplichting opleggen tot betaling aan de Staat van bovengenoemde geldsom van € 969,19 ten behoeve van het slachtoffer (benadeelde partij 2).

Benadeelde partij (benadeelde partij 4) (feit 3)

Bij het onderzoek ter terechtzitting is komen vast te staan, dat de benadeelde partij F.J. Drogt, wonende te Zwolle, rechtstreeks schade heeft geleden ten gevolge van het ten laste van verdachte onder 3 bewezen verklaarde feit.

De hoogte van die schade is, gelet op de inhoud van het “voegingsformulier benadeelde partij in het strafproces” en gelet op hetgeen tijdens het onderzoek ter terechtzitting naar voren is gekomen, genoegzaam komen vast te staan tot een bedrag van € 99,99, vermeerderd met de kosten die -tot op heden- worden begroot op nihil.

De vordering van de benadeelde partij, die in die vordering ontvankelijk is, is in dier voege toewijsbaar.

De verdachte is voor de schade, voor zover toegewezen, naar burgerlijk recht hoofdelijk aansprakelijk.

De vordering van de benadeelde partij (benadeelde partij 4) is naar het oordeel van de rechtbank voor wat het meer gevorderde onvoldoende onderbouwd. De rechtbank zal derhalve bepalen dat de benadeelde partij in die vordering voor dat deel niet ontvankelijk is en dat de vordering voor dat deel slechts bij de burgerlijke rechter kan worden aangebracht.

De rechtbank zal voorts ter zake van het onder 3 bewezen verklaarde feit aan de verdachte op de voet van artikel 36f van het Wetboek van Strafrecht de verplichting opleggen tot betaling aan de Staat van bovengenoemde geldsom van € 99,99 ten behoeve van het slachtoffer Drogt.

BESLISSING

Het onder 1 primair, 2 primair en 3 ten laste gelegde is bewezen zoals hiervoor aangegeven en levert de strafbare feiten op, zoals hiervoor vermeld. De verdachte is deswege strafbaar.

Het onder 1 primair, 2 primair en 3 meer of anders ten laste gelegde is niet bewezen en de verdachte wordt daarvan vrijgesproken.

De rechtbank veroordeelt de verdachte tot jeugddetentie voor de duur van 180 dagen.

De tijd, door de verdachte vóór de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in verzekering en voorlopige hechtenis doorgebracht, zal bij de tenuitvoerlegging van de opgelegde jeugddetentie in mindering worden gebracht.

Van de jeugddetentie zal een gedeelte, groot 118 dagen, niet worden tenuitvoergelegd, tenzij de rechter later anders mocht gelasten op grond van het feit dat de verdachte zich voor het einde van een proeftijd van 2 jaar aan een strafbaar feit heeft schuldig gemaakt.

Als bijzondere voorwaarde wordt gesteld dat de verdachte zich gedurende de proeftijd zal gedragen naar de voorschriften en aanwijzingen, te geven door of namens de afdeling Jeugdreclassering van het Bureau Jeugdzorg Overijssel te Zwolle, zulks zolang deze instelling of een door haar aan te wijzen andere reclasseringsinstelling dat gedurende de proeftijd nodig oordeelt, met opdracht aan die instelling als bedoeld in artikel 77aa van het Wetboek van Strafrecht.

De door het Bureau Jeugdzorg Overijssel te geven voorschriften en aanwijzingen mogen ook inhouden dat de verdachte gedurende de proeftijd een behandeling zal volgen bij FJP Accare of een soortgelijke instelling.

De rechtbank legt aan verdachte op een taakstraf, te weten de werkstraf het verrichten van onbetaalde arbeid gedurende 60 uren.

De rechtbank beveelt dat voor het geval de veroordeelde de taakstraf niet of niet naar behoren verricht de taakstraf wordt vervangen door 30 dagen jeugddetentie, althans een aantal dagen jeugddetentie dat evenredig is aan het niet verrichte aantal uren taakstraf .

Het (geschorste) bevel tot voorlopige hechtenis wordt opgeheven.

Schadevergoeding

Ten aanzien van de vordering van de benadeelde partij (benadeelde partij 2) (feit 2)

De rechtbank veroordeelt de verdachte tot betaling aan de benadeelde partij mevrouw (benadeelde partij 2), wonende te Zwolle, van een bedrag van € 55,00 (zegge: vijfenvijftig euro), vermeerderd met de wettelijke rente sinds de dag waarop het thans bewezen verklaarde feit jegens de benadeelde partij werd gepleegd, te weten 19 november 2008, tot die van de voldoening, hoofdelijk met dien verstande dat indien en voor zover zijn mededader betaalt, verdachte in zoverre van deze verplichting zal zijn bevrijd.

De verdachte wordt voorts veroordeeld in de kosten, door de benadeelde partij gemaakt, tot op heden begroot op nihil, en ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog te maken.

De rechtbank legt op aan verdachte de verplichting tot betaling aan de Staat van een bedrag, groot € 55,00, ten behoeve van het slachtoffer (benadeelde partij 2), bij gebreke van betaling en verhaal te vervangen door 1 dag hechtenis.

De rechtbank bepaalt dat, indien verdachte en/of zijn mededader heeft voldaan aan de verplichting tot betaling aan de Staat, daarmee verdachtes verplichting tot betaling aan de benadeelde partij (benadeelde partij 2) in zoverre komt te vervallen en andersom dat, indien verdachte en/of zijn mededader heeft voldaan aan de verplichting tot betaling aan de benadeelde partij (benadeelde partij 2), daarmee verdachtes verplichting tot betaling aan de Staat in zoverre komt te vervallen.

Ten aanzien van de vordering van de benadeelde partij (benadeelde partij 2) (feit 2)

De rechtbank veroordeelt de verdachte tot betaling aan de benadeelde partij (benadeelde partij 2) van een bedrag van € 969,19 (zegge: negenhonderdnegenenzestig euro en negentien cent), vermeerderd met de wettelijke rente sinds de dag waarop het thans bewezen verklaarde feit jegens de benadeelde partij werd gepleegd, te weten 19 november 2008, tot die van de voldoening, hoofdelijk met dien verstande dat indien en voor zover zijn mededader betaalt, verdachte in zoverre van deze verplichting zal zijn bevrijd.

De verdachte wordt voorts veroordeeld in de kosten, door de benadeelde partij gemaakt, tot op heden begroot op nihil, en ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog te maken.

De rechtbank legt op aan verdachte de verplichting tot betaling aan de Staat van een bedrag, groot € 969,19, ten behoeve van het slachtoffer (benadeelde partij 2) bij gebreke van betaling en verhaal te vervangen door 19 dagen hechtenis.

De rechtbank bepaalt dat, indien verdachte en/of zijn mededader heeft voldaan aan de verplichting tot betaling aan de Staat, daarmee verdachtes verplichting tot betaling aan de benadeelde partij (benadeelde partij 2) in zoverre komt te vervallen en andersom dat, indien verdachte en/of zijn mededader heeft voldaan aan de verplichting tot betaling aan de benadeelde partij (benadeelde partij 2) daarmee verdachtes verplichting tot betaling aan de Staat in zoverre komt te vervallen.

Ten aanzien van de vordering van de (benadeelde partij 4) (feit 3)

De rechtbank veroordeelt de verdachte tot betaling aan de benadeelde partij mevrouw (benadeelde partij 4) wonende te (plaatsnaam), van een bedrag van € 99,99 (zegge: negenennegentig euro en negenennegentig cent), vermeerderd met de wettelijke rente sinds de dag waarop het thans bewezen verklaarde feit jegens de benadeelde partij werd gepleegd, te weten 30 maart 2009, tot die van de voldoening, hoofdelijk met dien verstande dat indien en voor zover zijn mededader betaalt, verdachte in zoverre van deze verplichting zal zijn bevrijd.

De verdachte wordt voorts veroordeeld in de kosten, door de benadeelde partij gemaakt, tot op heden begroot op nihil, en ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog te maken.

De rechtbank bepaalt dat de benadeelde partij (benadeelde partij 4) voor wat het meer gevorderde betreft in haar vordering niet ontvankelijk is en dat zij haar vordering voor dat deel slechts bij de burgerlijke rechter kan aanbrengen.

De rechtbank legt op aan verdachte de verplichting tot betaling aan de Staat van een bedrag, groot € 99,99, ten behoeve van het slachtoffer (benadeelde partij 4) bij gebreke van betaling en verhaal te vervangen door 1 dag hechtenis.

De rechtbank bepaalt dat, indien verdachte en/of zijn mededader heeft voldaan aan de verplichting tot betaling aan de Staat, daarmee verdachtes verplichting tot betaling aan de benadeelde partij (benadeelde partij 4) in zoverre komt te vervallen en andersom dat, indien verdachte en/of zijn mededader heeft voldaan aan de verplichting tot betaling aan de benadeelde partij (benadeelde partij 4), daarmee verdachtes verplichting tot betaling aan de Staat in zoverre komt te vervallen.

Aldus gewezen door mr. F.E.J. Goffin, voorzitter tevens kinderrechter, mrs. F. Koster en L.J.C. Hangx, rechters, in tegenwoordigheid van H. Kamp als griffier en uitgesproken ter openbare terechtzitting van 13 oktober 2009.