Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBZLY:2009:BK7243

Instantie
Rechtbank Zwolle-Lelystad
Datum uitspraak
01-12-2009
Datum publicatie
21-12-2009
Zaaknummer
07/400207-09
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

diefstal, wegnemingshandeling, medeplegen.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK ZWOLLE - LELYSTAD

Sector Strafrecht - Meervoudige Strafkamer

Parketnummer: 07/400207-09 (P)

Uitspraak: 1 december 2009

VONNIS IN DE STRAFZAAK VAN:

het openbaar ministerie

tegen

(verdachte),

geboren (geboorteplaats),

wonende te (adres)

thans verblijvende in P.I. Flevoland, Huis van Bewaring Lelystad,

Larserdreef 300.

ONDERZOEK TER TERECHTZITTING

Het onderzoek ter terechtzitting heeft plaatsgevonden op 17 november 2009.

De verdachte is verschenen, bijgestaan door mr. T. Volckmann, advocaat te Zwolle.

Als officier van justitie was aanwezig mr. B.C. van Haren.

TENLASTELEGGING

De verdachte is ten laste gelegd dat:

1.

hij op één of meerdere tijdstippen in de periode van 17 mei tot en met 2 augustus 2009 in de gemeente(n) Zwolle en/of Hardenberg en/of Bunschoten-Spakenburg en/of Midden-Drenthe (Beilen) en/of Haren en/of Marum en/of Emmen en/of Putten en/of Harderwijk en/of Woerden (Harmelen) (telkens) tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen, met het oogmerk van wederrechtelijke toe-eigening (telkens) heeft weggenomen benzine en/of diesel, althans brandstof, in elk geval enig goed, geheel of ten dele

toebehorende aan:

- (benadeelde partij 1) en/of

- (benadeelde partij 2) en/of

- (benadeelde partij 3) en/of

- (benadeelde partij 4)) en/of

- (benadeelde partij 5)en/of

- (benadeelde partij 6) en/of

- (benadeelde partij 7) en/of

- (benadeelde partij 8) en/of

- (benadeelde partij 9)en/of

- (benadeelde partij 10) en/of

- (benadeelde partij 11)en/of

- (benadeelde partij 12) en/of

- (benadeelde partij 13) en/of

- (benadeelde partij 14)

in elk geval aan een ander of anderen dan aan verdachte en/of zijn mededader(s), waarbij (telkens) diesel en/of benzine, althans brandstof werd getankt en meegenomen zonder dat hiervoor werd betaald;

art 310 Wetboek van Strafrecht

art 311 lid 1 ahf/sub 4 Wetboek van Strafrecht

althans, indien het vorenstaande onder 1 niet tot een veroordeling mocht of zou

kunnen leiden:

hij op één of meer tijdstippen in of omstreeks de periode van 17 mei 2009 tot en met 2 augustus 2009 in de gemeente(n) Zwolle en/of Hardenberg en/of Bunschoten-Spakenburg en/of Midden-Drenthe (Beilen) en/of Haren en/of Marum en/of Emmen en/of Putten en/of Harderwijk en/of Harmelen tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen, opzettelijk meerdere liters benzine en/of diesel, althans meerdere liters brandstof in elk geval een hoeveelheid brandstof, geheel of ten dele toebehorende aan:

- (benadeelde partij 1) en/of

- (benadeelde partij 2) en/of

- (benadeelde partij 3) en/of

- (benadeelde partij 4)) en/of

- (benadeelde partij 5)en/of

- (benadeelde partij 6) en/of

- (benadeelde partij 7) en/of

- (benadeelde partij 8) en/of

- (benadeelde partij 9)en/of

- (benadeelde partij 10) en/of

- (benadeelde partij 11)en/of

- (benadeelde partij 12) en/of

- (benadeelde partij 13) en/of

- (benadeelde partij 14), in elk geval aan een ander of anderen dan aan verdachte en/of zijn mededader(s), welke brandstof verdachte en/of zijn mededader(s) bij een voor zelfbediening ingerichte benzinepompinstallatie, gelegen aan:

- (adres 1) en/of

- (adres 2) en/of

- (adres 3) en/of

- (adres 4) en/of

- (adres 5) en/of

- (adres 6) en/of

- (adres 7) en/of

- (adres 8) en/of

- (adres 9) en/of

- (adres 10) en/of

- (adres 11) , Putten en/of

- (adres 12), Harderwijk en/of

- (adres 13), Beilen en/of

- (adres 14), had(den) getankt, onder gehoudenheid die brandstof te betalen en welke brandstof verdachte en/of zijn mededader(s) aldus (telkens) anders dan door misdrijf onder zich had(den), wederrechtelijk zich heeft toegeëigend;

art 321 Wetboek van Strafrecht

art 47 lid 1 ahf/sub 1 Wetboek van Strafrecht

2.

hij in of omstreeks de periode van 1 mei 2009 tot en met 31 juli 2009 te Emmer-Compascuum, gemeente Emmen, tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen, met het oogmerk van wederrechtelijke toe-eigening heeft weggenomen een kentekenplaat (XX-XX-XX) in elk geval enig goed, geheel of ten dele toebehorende aan (benadeelde partij 15), in elk geval aan een ander of anderen dan aan verdachte en/of zijn mededader(s)(dossierpagina 240)

art 310 Wetboek van Strafrecht

art 311 lid 1 ahf/sub 4 Wetboek van Strafrecht

De rechtbank verbetert in de tenlastelegging een kennelijke schrijffout. De verdachte wordt blijkens het onderzoek ter terechtzitting daardoor niet in zijn verdediging geschaad.

VOORVRAGEN

De rechtbank heeft vastgesteld dat de dagvaarding geldig is, dat zijzelf bevoegd is tot kennisneming van deze zaak, dat de officier van justitie ontvankelijk is in zijn vervolging en dat er geen redenen zijn voor schorsing van de vervolging.

BEWIJSMOTIVERING

Het standpunt van het openbaar ministerie

De officier van justitie acht alle ten laste gelegde feiten wettig en overtuigend bewezen. Ten aanzien van het onder 1 ten laste gelegde acht de officier van justitie het primair ten laste gelegde wettig en overtuigend bewezen.

Het standpunt van de verdediging

De raadsman van verdachte heeft zich ten aanzien van de bewezenverklaring gerefereerd aan het oordeel van de rechtbank met uitzondering van hetgeen de verdachte onder 1 het veertiende gedachtestreepje is ten laste gelegd. Ten aanzien van dit feit heeft de raadsman zich op het standpunt gesteld dat verdachte dient te worden vrijgesproken.

Voorts heeft de raadsman van verdachte zich ten aanzien van het onder 1 ten laste gelegde op het standpunt gesteld dat geen sprake is van de primair ten laste gelegde diefstal, maar van de subsidiair ten laste gelegde verduistering.

Het oordeel van de rechtbank

De rechtbank overweegt, op grond van de hierna in voetnoten vermelde bewijsmiddelen , het navolgende.

Evenals de officier van justitie acht de rechtbank alle ten laste gelegde feiten wettig en overtuigend bewezen.

Ten aanzien van het onder 1 ten laste gelegde:

Naar het oordeel van de rechtbank is er ten aanzien van het onder 1 ten laste gelegde telkens sprake van het primair ten laste gelegde, diefstal van brandstof. Het wegnemen van brandstof veronderstelt de inbezitneming door een eigen handeling. Verdachte heeft (onder meer) ter terechtzitting d.d. 17 november 2009 verklaard, dat hij en zijn mededader telkens voorafgaand aan het tanken en het vullen van de jerrycans met brandstof reeds het plan hadden om brandstof mee te nemen zonder daar voor te betalen. Gelet daarop is de rechtbank van oordeel dat kan worden bewezen dat verdachte en zijn mededader de brandstof telkens hebben weggenomen met het oogmerk van wederrechtelijke toe-eigening.

Ten aanzien van het onder 1 primair, eerste tot en met dertiende gedachtestreepje

Er is ten aanzien van het onder 1 primair, eerste tot en met dertiende gedachtestreepje, telkens sprake van een bekennende verdachte als bedoeld in artikel 359 derde lid, laatste zin van het Wetboek van Strafvordering, zodat volstaan kan worden met de navolgende aanvullende opgave van bewijsmiddelen:

Ten aanzien van het onder 1 primair, eerste gedachtestreepje, ten laste gelegde:

- de bekennende verklaring van verdachte, afgelegd ter terechtzitting d.d. 17 november 2009;

- het door de bevoegde opsporingsambtenaar (opsporingsambtenaar 1) op 4 augustus 2009 in de wettelijke vorm opgemaakt proces-verbaal van aangifte , inhoudende de verklaring van (benadeelde partij 1), met de daarbij gevoegde bijlagen.

Ten aanzien van het onder 1 primair, tweede gedachtestreepje, ten laste gelegde:

- de bekennende verklaring van verdachte, afgelegd ter terechtzitting d.d. 17 november 2009;

- het door de bevoegde opsporingsambtenaar (opsporingsambtenaar 2) op 16 juli 2009 in de wettelijke vorm opgemaakt proces-verbaal van aangifte , inhoudende de verklaring van (benadeelde partij 2), met de daarbij gevoegde bijlagen.

Ten aanzien van het onder 1 primair, derde gedachtestreepje, ten laste gelegde:

- de bekennende verklaring van verdachte, afgelegd ter terechtzitting d.d. 17 november 2009;

- het door de bevoegde opsporingsambtenaar (opsporingsambtenaar 3) op 3 augustus 2009 in de wettelijke vorm opgemaakt proces-verbaal van aangifte , inhoudende de verklaring van (benadeelde partij 3), met de daarbij gevoegde bijlage.

Ten aanzien van het onder 1 primair, vierde gedachtestreepje, ten laste gelegde:

- de bekennende verklaring van verdachte, afgelegd ter terechtzitting d.d. 17 november 2009;

- het door de bevoegde opsporingsambtenaar (opsporingsambtenaar 4) op 4 augustus 2009 in de wettelijke vorm opgemaakt proces-verbaal van aangifte , inhoudende de verklaring van (benadeelde partij 4) met de daarbij gevoegde bijlage.

Ten aanzien van het onder 1 primair, vijfde gedachtestreepje, ten laste gelegde:

- de bekennende verklaring van verdachte, afgelegd ter terechtzitting d.d. 17 november 2009;

- het door de bevoegde opsporingsambtenaar (opsporingsambtenaar 5) op 7 augustus 2009 in de wettelijke vorm opgemaakt proces-verbaal van aangifte , inhoudende de verklaring van (benadeelde partij 5), met de daarbij gevoegde bijlage.

Ten aanzien van het onder 1 primair , zesde gedachtestreepje, ten laste gelegde:

- de bekennende verklaring van verdachte, afgelegd ter terechtzitting d.d. 17 november 2009;

- het door de bevoegde opsporingsambtenaar (opsporingsambtenaar 6) op 21 augustus 2009 in de wettelijke vorm opgemaakt proces-verbaal van aangifte , inhoudende de verklaring van (benadeelde partij 6), met de daarbij gevoegde bijlagen.

Ten aanzien van het onder 1 primair, zevende gedachtestreepje, ten laste gelegde:

- de bekennende verklaring van verdachte, afgelegd ter terechtzitting d.d. 17 november 2009;

- het door de bevoegde opsporingsambtenaren (opsporingsambtenaar 1) en (opsporingsambtenaar 7) op 18 augustus 2009 in de wettelijke vorm opgemaakt proces-verbaal van verhoor , inhoudende de verklaring van verdachte. Waarbij de rechtbank uit de inhoud van de door verdachte afgelegde verklaring afleidt dat verdachte heeft bedoeld tankstation (benadeelde partij 7) daar waar hij heeft verklaard over (benadeelde partij 8)

- het door de bevoegde opsporingsambtenaar (opsporingsambtenaar 6) op 19 augustus 2009 in de wettelijke vorm opgemaakt proces-verbaal van aangifte , inhoudende de verklaring van (benadeelde partij 7), met de daarbij gevoegde bijlagen.

Ten aanzien van het onder 1 primair, achtste gedachtestreepje, ten laste gelegde:

- de bekennende verklaring van verdachte, afgelegd ter terechtzitting d.d. 17 november 2009;

- het door de bevoegde opsporingsambtenaar (opsporingsambtenaar 8) op 14 augustus 2009 in de wettelijke vorm opgemaakt proces-verbaal van aangifte , inhoudende de verklaring van (benadeelde partij 8), met de daarbij gevoegde bijlage.

Ten aanzien van het onder 1 primair, negende gedachtestreepje, ten laste gelegde:

- de bekennende verklaring van verdachte, afgelegd ter terechtzitting d.d. 17 november 2009;

- het door de bevoegde opsporingsambtenaar (opsporingsambtenaar 9) op 6 augustus 2009 in de wettelijke vorm opgemaakt proces-verbaal van aangifte , inhoudende de verklaring van (benadeelde partij 9), met de daarbij gevoegde bijlagen.

Ten aanzien van het onder 1 primair, tiende gedachtestreepje, ten laste gelegde:

- de bekennende verklaring van verdachte, afgelegd ter terechtzitting d.d. 17 november 2009;

- het door de bevoegde opsporingsambtenaren (opsporingsambtenaar 1) en (opsporingsambtenaar 7)op 18 augustus 2009 in de wettelijke vorm opgemaakt proces-verbaal van verhoor , inhoudende de verklaring van verdachte.

- internetaangifte d.d. 21 juli 2009 gedaan bij het Bureau Verkeershandhaving Openbaar Ministerie , inhoudende de verklaring van (benadeelde partij 10).

Ten aanzien van het onder 1 primair, elfde gedachtestreepje, ten laste gelegde:

- de bekennende verklaring van verdachte, afgelegd ter terechtzitting d.d. 17 november 2009;

- internetaangifte d.d. 16 juli 2009 gedaan bij het Bureau Verkeershandhaving Openbaar Ministerie , inhoudende de verklaring van (benadeelde partij 11).

Ten aanzien van het onder 1 primair, twaalfde gedachtestreepje, ten laste gelegde:

- de bekennende verklaring van verdachte, afgelegd ter terechtzitting d.d. 17 november 2009;

- het door de bevoegde opsporingsambtenaar (opsporingsambtenaar 10) op 13 augustus 2009 in de wettelijke vorm opgemaakt proces-verbaal van aangifte , inhoudende de verklaring van (benadeelde partij 12), met de daarbij gevoegde bijlage.

Ten aanzien van het onder 1 primair, dertiende gedachtestreepje, ten laste gelegde:

- de bekennende verklaring van verdachte, afgelegd ter terechtzitting d.d. 17 november 2009;

- internetaangifte d.d. 4 juni 2009 gedaan bij het Bureau Verkeershandhaving Openbaar Ministerie , inhoudende de verklaring van (benadeelde partij 13)

Ten aanzien van het onder 1 primair, veertiende gedachtestreepje, ten laste gelegde:

De raadsman van verdachte heeft zich op het standpunt gesteld dat er geen camerabeelden zijn en dat de verdachte daarom dient te worden vrijgesproken van dit onderdeel van de ten laste legging.

De rechtbank verwerpt dit verweer.

Op grond van de internetaangifte van (benadeelde partij 14) en de door de verdachte bij de politie

afgelegde bekennende verklaring , acht de rechtbank bewezen dat verdachte op 17 mei 2009

39,97 liters brandstof heeft weggenomen bij het tankstation (benadeelde partij 14) te (plaatsnaam). De

omstandigheid dat camerabeelden ontbreken alsmede de door verdachte ter terechtzitting

afgelegde verklaring dat hij zijn auto vanaf april 2009 had uitgeleend aan iemand en zijn auto

pas begin juli 2009 heeft teruggekregen brengt de rechtbank niet tot een ander oordeel. De

rechtbank heeft in haar overwegingen betrokken, dat de bekennende verklaring van verdachte bij de politie specifiek is in die zin dat verdachte heeft aangegeven waar het tankstation ligt, dat hij de tank toen op eigen kenteken heeft gevuld en dat hij toen volgens hem onderweg was naar zijn stiefneef in Alphen aan de Rijn.

Ten aanzien van het onder 2 ten laste gelegde:

Er is sprake van een bekennende verdachte als bedoeld in artikel 359 derde lid, laatste zin van het Wetboek van Strafvordering en daarom wordt volstaan met een opgave van de bewijsmiddelen:

- de bekennende verklaring van verdachte, afgelegd ter terechtzitting d.d. 17 november 2009;

- het door de bevoegde opsporingsambtenaren (opsporingsambtenaar 1) en (opsporingsambtenaar 7) op 3 augustus 2009 in de wettelijke vorm opgemaakt proces-verbaal van verhoor , inhoudende de verklaring van verdachte.

- het door de bevoegde opsporingsambtenaar (opsporingsambtenaar 11) op 27 augustus 2009 in de wettelijke vorm opgemaakt proces-verbaal van aangifte , inhoudende de verklaring van (benadeelde partij 15).

BEWEZENVERKLARING

De rechtbank acht derhalve wettig en overtuigend bewezen hetgeen de verdachte onder onder 1 primair en 2 ten laste is gelegd, met dien verstande dat

1.

hij op meerdere tijdstippen in de periode van 17 mei tot en met 2 augustus 2009 in de gemeenten Zwolle en Hardenberg en Bunschoten-Spakenburg en Midden-Drenthe (Beilen) en Haren en Marum en Emmen en Putten en Harderwijk en Harmelen telkens tezamen en in vereniging met een ander, met het oogmerk van wederrechtelijke toe-eigening telkens heeft weggenomen benzine of diesel, toebehorende aan:

- (benadeelde partij 1) en/of

- (benadeelde partij 2) en/of

- (benadeelde partij 3) en/of

- (benadeelde partij 4)) en/of

- (benadeelde partij 5)en/of

- (benadeelde partij 6) en/of

- (benadeelde partij 7) en/of

- (benadeelde partij 8) en/of

- (benadeelde partij 9)en/of

- (benadeelde partij 10) en/of

- (benadeelde partij 11)en/of

- (benadeelde partij 12) en/of

- (benadeelde partij 13) en/of

- (benadeelde partij 14)

waarbij (telkens) diesel of benzine werd getankt en meegenomen zonder dat hiervoor werd betaald;

2.

hij in de periode van 1 mei 2009 tot en met 31 juli 2009 te Emmer-Compascuum, gemeente Emmen, tezamen en in vereniging met een ander, met het oogmerk van wederrechtelijke toe-eigening heeft weggenomen een kentekenplaat (XX-XX-XX), toebehorende aan (benadeelde partij 15)

Van het onder 1 primair en 2 meer of anders ten laste gelegde zal de verdachte worden vrijgesproken, aangezien de rechtbank dat niet wettig en overtuigend bewezen acht.

DE STRAFBAARHEID VAN HET FEIT

Het bewezene levert op:

Feit 1 primair:

Diefstal door twee of meer verenigde personen, meermalen gepleegd,

strafbaar gesteld bij de artikelen 310 en 311 van het Wetboek van Strafrecht.

Feit 2:

Diefstal door twee of meer verenigde personen,

strafbaar gesteld bij de artikelen 310 en 311 van het Wetboek van Strafrecht.

Er zijn geen feiten of omstandigheden die de strafbaarheid van het bewezenverklaarde uitsluiten. Dit levert de genoemde strafbare feiten op.

DE STRAFBAARHEID VAN DE VERDACHTE

Er zijn geen feiten of omstandigheden die de strafbaarheid van de verdachte uitsluiten. De verdachte is derhalve strafbaar.

OPLEGGING VAN STRAF

Het standpunt van het openbaar ministerie

De officier van justitie heeft op grond van hetgeen zij bewezen heeft geacht gevorderd:

een gevangenisstraf voor de duur van 240 dagen met aftrek overeenkomstig artikel 27 van het Wetboek van Strafrecht waarvan een gedeelte van 95 dagen voorwaardelijk met een proeftijd van twee jaar. Hierbij heeft de officier van justitie opgemerkt dat het aldus haar bedoeling is dat de verdachte op 24 december 2009, zijnde één dag nadat de medeverdachte in een verslavingskliniek wordt opgenomen, in vrijheid zal worden gesteld.

Het standpunt van de verdediging

De raadsman heeft zich op het standpunt gesteld dat hij niet inziet waarom verdachte één dag later vrij zou moeten komen dan de medeverdachte.

Het doel dat verdachte en medeverdachte geen contact met elkaar zullen hebben kan ook

bereikt worden indien verdachte één dag eerder dan de medeverdachte in vrijheid zal worden

gesteld, zo stelt de raadsman.

Het oordeel van de rechtbank

Gelet op de aard en de ernst van het bewezen en strafbaar verklaarde, op de omstandigheden

waaronder verdachte zich daaraan heeft schuldig gemaakt en op de persoon van verdachte,

zoals van een en ander uit het onderzoek ter terechtzitting is gebleken, acht de rechtbank de

na te noemen beslissing passend.

Verdachte heeft - samen met zijn ex-partner - vijftien keer brandstof getankt dan wel jerrycans met brandstof gevuld zonder daarvoor te betalen. Verder heeft hij - samen met zijn ex-partner - een kentekenplaat van een auto gestolen. Door aldus te handelen heeft verdachte een groot aantal malen inbreuk gemaakt op de eigendomsrechten van de betreffende aangevers. De rechtbank rekent dit de verdachte zwaar aan.

Het voorgaande brengt de rechtbank tot de conclusie dat verdachte een gevangenisstraf toekomt. Een onvoorwaardelijke vrijheidsstraf is noodzakelijk omdat de aard en ernst van het bewezen en strafbaar verklaarde, gelet ook op het strafrechtelijk verleden van de verdachte, door een lichtere strafrechtelijke afdoening van de zaak miskend zouden worden. Voorts acht de rechtbank termen aanwezig om een gedeelte van de aan verdachte toekomende gevangenisstraf in voorwaardelijke vorm op te leggen.

De rechtbank acht het wenselijk dat verdachte geen contact zal hebben met zijn ex-partner en de opname in een verslavingskliniek van zijn ex-partner niet zal verstoren. De rechtbank zal daarom besluiten dat verdachte één dag nadat de behandeling van zijn ex-partner een aanvang heeft genomen in vrijheid zal worden gesteld. Dit houdt in dat het onvoorwaardelijk gedeelte van de aan de verdachte op te leggen gevangenisstraf op 24 december 2009 zal eindigen. Hetgeen door de raadsman is aangevoerd brengt de rechtbank niet tot een ander oordeel.

Bij haar beslissing heeft de rechtbank rekening gehouden met een de verdachte betreffend uittreksel justitiële documentatie d.d. 5 augustus 2009 en een de verdachte betreffend voorlichtingsrapport d.d. 9 oktober 2009 uitgebracht door Tactus verslavingszorg waaruit blijkt dat verdachte een externaliserende en bagatelliserende houding heeft en ondanks zijn drugsgebruik geen hulpvraag heeft.

De oplegging van straf of maatregel is, behalve op de reeds aangehaalde wettelijke voorschriften, gegrond op de artikelen 10, 14a, 14b, 14c, 27 en 57 van het Wetboek van Strafrecht.

Benadeelde partijen

Ten aanzien van het onder 1 primair, tweede gedachtestreepje, bewezenverklaarde:

Bij het onderzoek ter terechtzitting is komen vast te staan, dat de benadeelde partij (benadeelde partij 2 ) rechtstreeks schade heeft geleden ten gevolge van het onder 1 primair ten laste van verdachte bewezen verklaarde feit.

De hoogte van die schade is, gelet op het voegingsformulier benadeelde partij, genoegzaam komen vast te staan tot een bedrag van € 87,61 (zijnde het gevorderde bedrag van € 104,26 minus 19 procent BTW), vermeerderd met de kosten die -tot op heden- worden begroot op nihil.

De vordering van de benadeelde partij, die in die vordering ontvankelijk is, is in dier voege toewijsbaar.

De verdachte is voor de schade, voorzover toegewezen, naar burgerlijk recht hoofdelijk aansprakelijk.

De vordering van de benadeelde partij (benadeelde partij 2) is naar het oordeel van de rechtbank voor wat het meer gevorderde betreft niet van zo eenvoudige aard dat deze zich leent voor behandeling in het strafgeding. De rechtbank zal derhalve bepalen dat de benadeelde partij in die vordering voor dat deel niet ontvankelijk is en dat de vordering voor dat deel slechts bij de burgerlijke rechter kan worden aangebracht.

De rechtbank zal voorts aan de verdachte op de voet van artikel 36f van het Wetboek van Strafrecht de verplichting opleggen tot betaling aan de Staat van bovengenoemde geldsom van € 87,61 ten behoeve van de benadeelde partij (benadeelde partij 2).

Ten aanzien van het onder 1 primair , vierde gedachtestreepje, bewezenverklaarde:

Bij het onderzoek ter terechtzitting is komen vast te staan, dat de benadeelde partij (benadeelde partij 4) rechtstreeks schade heeft geleden ten gevolge van het onder 1 primair ten laste van verdachte bewezen verklaarde feit.

De hoogte van die schade is, gelet op het voegingsformulier benadeelde partij, genoegzaam komen vast te staan tot een bedrag van € 46,61 (zijnde het gevorderde bedrag van € 55,47 minus 19 procent BTW), vermeerderd met de kosten die -tot op heden- worden begroot op nihil.

De vordering van de benadeelde partij, die in die vordering ontvankelijk is, is in dier voege toewijsbaar.

De verdachte is voor de schade, voorzover toegewezen, naar burgerlijk recht hoofdelijk aansprakelijk.

De vordering van de benadeelde partij (benadeelde partij 4) is naar het oordeel van de rechtbank voor wat het meer gevorderde betreft niet van zo eenvoudige aard dat deze zich leent voor behandeling in het strafgeding. De rechtbank zal derhalve bepalen dat de benadeelde partij in die vordering voor dat deel niet ontvankelijk is en dat de vordering voor dat deel slechts bij de burgerlijke rechter kan worden aangebracht.

De rechtbank zal voorts aan de verdachte op de voet van artikel 36f van het Wetboek van Strafrecht de verplichting opleggen tot betaling aan de Staat van bovengenoemde geldsom van € 46.61 ten behoeve van de benadeelde partij (benadeelde partij 4)

Ten aanzien van het onder 1 primair, elfde gedachtestreepje, bewezenverklaarde:

Bij het onderzoek ter terechtzitting is komen vast te staan, dat de benadeelde partij (benadeelde partij 11) rechtstreeks schade heeft geleden ten gevolge van het onder 1 primair ten laste van verdachte bewezen verklaarde feit.

De hoogte van die schade is, gelet op het voegingsformulier benadeelde partij, genoegzaam komen vast te staan tot een bedrag van € 101,61 (bestaande uit € 50,- aan gemaakte administratiekosten en kosten voor het opmaken van bewijsmateriaal en € 51,61 aan kosten voor gestolen brandstof, zijnde het gevorderde bedrag minus 19 procent BTW), vermeerderd met de kosten die -tot op heden- worden begroot op nihil.

De vordering van de benadeelde partij, die in die vordering ontvankelijk is, is in dier voege toewijsbaar.

De verdachte is voor de schade, voorzover toegewezen, naar burgerlijk recht hoofdelijk aansprakelijk.

De vordering van de benadeelde partij (benadeelde partij 11) is naar het oordeel van de rechtbank voor wat het meer gevorderde betreft niet van zo eenvoudige aard dat deze zich leent voor behandeling in het strafgeding. De rechtbank zal derhalve bepalen dat de benadeelde partij in die vordering voor dat deel niet ontvankelijk is en dat de vordering voor dat deel slechts bij de burgerlijke rechter kan worden aangebracht.

De rechtbank zal voorts aan de verdachte op de voet van artikel 36f van het Wetboek van Strafrecht de verplichting opleggen tot betaling aan de Staat van bovengenoemde geldsom van € 101,61 ten behoeve van de benadeelde partij (benadeelde partij 11).

Ten aanzien van het onder 1 primair, zesde, zevende en twaalfde gedachtestreepje, bewezenverklaarde:

De benadeelde partijen (benadeelde partij 6, 7 en 12) hebben zich met vorderingen tot schadevergoeding ten bedrage van respectievelijk € 118,94, € 51,02 en € 80,05 gevoegd in het strafproces.

De officier van justitie heeft gevorderd dat voornoemde benadeelde partijen niet-ontvankelijk worden verklaard in hun vorderingen.

De raadsman heeft zich gemotiveerd op het standpunt gesteld dat voornoemde benadeelde partijen niet-ontvankelijk moeten worden verklaard in hun vorderingen.

De rechtbank zal eerdergenoemde benadeelde partijen niet-ontvankelijk verklaren in hun vorderingen, nu niet is gebleken dat de indieners van deze vorderingen bevoegd waren om deze voor of namens de benadeelde rechtspersonen in te dienen.

Ten aanzien van het onder 1 primair, dertiende gedachtestreepje, bewezenverklaarde:

De benadeelde partij (benadeelde partij 13) heeft zich met een tweede vordering tot schadevergoeding ten bedrage van € 65,03 gevoegd in het strafproces.

De rechtbank zal (benadeelde partij 13) ook in deze vordering niet-ontvankelijk verklaren, nu niet is gebleken dat de indiener van deze vordering bevoegd was om deze in te dienen voor of namens de benadeelde rechtspersoon.

BESLISSING

Het onder 1 primair en 2 ten laste gelegde is bewezen zoals hiervoor aangegeven en levert de strafbare feiten op, zoals hiervoor vermeld. De verdachte is deswege strafbaar.

Het onder 1 primair en 2 meer of anders ten laste gelegde is niet bewezen en de verdachte wordt daarvan vrijgesproken.

De rechtbank veroordeelt de verdachte tot een gevangenisstraf voor de duur van 240 dagen.

De tijd, door de verdachte vóór de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in verzekering en voorlopige hechtenis doorgebracht, zal bij de tenuitvoerlegging van de opgelegde gevangenisstraf in mindering worden gebracht.

Van de gevangenisstraf zal een gedeelte, groot 97 dagen, niet worden tenuitvoergelegd, tenzij de rechter later anders mocht gelasten op grond van het feit dat de verdachte zich voor het einde van een proeftijd van twee jaar aan een strafbaar feit heeft schuldig gemaakt.

Schadevergoeding

Ten aanzien van het onder 1 primair, tweede gedachtestreepje, bewezenverklaarde:

De rechtbank veroordeelt de verdachte tot betaling aan de benadeelde partij (benadeelde partij 2), wonende te (plaatsnaam), van een bedrag van € 87,61 (zegge: zevenentachtig euro en eenenzestig eurocent) vermeerderd met de wettelijke rente sinds de dag waarop het thans onder 1 bewezen verklaarde feit jegens de benadeelde partij werd gepleegd, te weten op 14 juli 2009, tot die van de voldoening, hoofdelijk met dien verstande dat indien en voor zover zijn mededader betaalt, verdachte in zoverre van deze verplichting zal zijn bevrijd.

De verdachte wordt voorts veroordeeld in de kosten, door de benadeelde partij gemaakt, tot op heden begroot op nihil, en ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog te maken.

De rechtbank legt op aan verdachte de verplichting tot betaling aan de Staat van een bedrag, groot € 87,61, ten behoeve van het slachtoffer (benadeelde partij 2), bij gebreke van betaling en verhaal te vervangen door één dag hechtenis.

De rechtbank bepaalt dat, indien verdachte en/of zijn mededader heeft/hebben voldaan aan de verplichting tot betaling aan de Staat, daarmee verdachtes verplichting tot betaling aan de benadeelde partij (benadeelde partij 2) in zoverre komt te vervallen en andersom dat, indien verdachte en/of zijn mededader heeft/hebben voldaan aan de verplichting tot betaling aan de benadeelde partij (benadeelde partij 2), daarmee verdachtes verplichting tot betaling aan de Staat in zoverre komt te vervallen.

De rechtbank bepaalt dat de benadeelde partij (benadeelde partij 2) voor wat het meer gevorderde betreft in zijn vordering niet ontvankelijk is en dat hij zijn vordering voor dat deel slechts bij de burgerlijke rechter kan aanbrengen.

Ten aanzien van het onder 1 primair, vierde gedachtestreepje, bewezenverklaarde:

De rechtbank veroordeelt de verdachte tot betaling aan de benadeelde partij (benadeelde partij 4), gevestigd te (plaatsnaam), van een bedrag van € 46,61 (zegge: zesenveertig euro en eenenzestig eurocent) vermeerderd met de wettelijke rente sinds de dag waarop het thans onder 1 bewezen verklaarde feit jegens de benadeelde partij werd gepleegd, te weten op 2 augustus 2009, tot die van de voldoening, hoofdelijk met dien verstande dat indien en voor zover zijn mededader betaalt, verdachte in zoverre van deze verplichting zal zijn bevrijd.

De verdachte wordt voorts veroordeeld in de kosten, door de benadeelde partij gemaakt, tot op heden begroot op nihil, en ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog te maken.

De rechtbank legt op aan verdachte de verplichting tot betaling aan de Staat van een bedrag, groot € 46,61, ten behoeve van het slachtoffer (benadeelde partij 4), bij gebreke van betaling en verhaal te vervangen door één dag hechtenis.

De rechtbank bepaalt dat, indien verdachte en/of zijn mededader heeft/hebben voldaan aan de verplichting tot betaling aan de Staat, daarmee verdachtes verplichting tot betaling aan de benadeelde partij (benadeelde partij 4) in zoverre komt te vervallen en andersom dat, indien verdachte en/of zijn mededader heeft/hebben voldaan aan de verplichting tot betaling aan de benadeelde partij (benadeelde partij 4), daarmee verdachtes verplichting tot betaling aan de Staat in zoverre komt te vervallen.

De rechtbank bepaalt dat de benadeelde partij (benadeelde partij 4) voor wat het meer gevorderde betreft in zijn vordering niet ontvankelijk is en dat hij zijn vordering voor dat deel slechts bij de burgerlijke rechter kan aanbrengen.

Ten aanzien van het onder 1 primair, elfde gedachtestreepje, bewezenverklaarde:

De rechtbank veroordeelt de verdachte tot betaling aan de benadeelde partij (benadeelde partij 11), gevestigd te (plaatsnaam), van een bedrag van € 101,61 (zegge: honderdeneen euro en eenenzestig eurocent) vermeerderd met de wettelijke rente sinds de dag waarop het thans onder 1 bewezen verklaarde feit jegens de benadeelde partij werd gepleegd, te weten op 15 juli 2009, tot die van de voldoening, hoofdelijk met dien verstande dat indien en voor zover zijn mededader betaalt, verdachte in zoverre van deze verplichting zal zijn bevrijd.

De verdachte wordt voorts veroordeeld in de kosten, door de benadeelde partij gemaakt, tot op heden begroot op nihil, en ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog te maken.

De rechtbank legt op aan verdachte de verplichting tot betaling aan de Staat van een bedrag, groot € 101,61, ten behoeve van het slachtoffer (benadeelde partij 11)

bij gebreke van betaling en verhaal te vervangen door twee dagen hechtenis.

De rechtbank bepaalt dat, indien verdachte en/of zijn mededader heeft/hebben voldaan aan de verplichting tot betaling aan de Staat, daarmee verdachtes verplichting tot betaling aan de benadeelde partij (benadeelde partij 11) in zoverre komt te vervallen en andersom dat, indien verdachte en/of zijn mededader heeft/hebben voldaan aan de verplichting tot betaling aan de benadeelde partij, (benadeelde partij 11)

daarmee verdachtes verplichting tot betaling aan de Staat in zoverre komt te vervallen.

De rechtbank bepaalt dat de benadeelde partij (benadeelde partij 11) voor wat het meer gevorderde betreft in zijn vordering niet ontvankelijk is en dat hij zijn vordering voor dat deel slechts bij de burgerlijke rechter kan aanbrengen.

Ten aanzien van het onder 1 primair, zesde, zevende, twaalfde en dertiende gedachtestreepje, bewezenverklaarde:

De rechtbank bepaalt dat de benadeelde partijen (benadeelde partijen 6, 7, 12 en 13) in hun vorderingen niet ontvankelijk zijn en dat zij hun vorderingen slechts bij de burgerlijke rechter kunnen aanbrengen.

Aldus gewezen door mr. G.P. Nieuwenhuis voorzitter, mrs. G.A. Versteeg en F.E.J. Goffin, rechters, in tegenwoordigheid van mr. H.R. Lageveen als griffier en uitgesproken ter openbare terechtzitting van 1 december 2009.