Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBZLY:2009:BK6793

Instantie
Rechtbank Zwolle-Lelystad
Datum uitspraak
24-11-2009
Datum publicatie
16-12-2009
Zaaknummer
07.607143-09 (P)
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

zwaar lichamelijk letsel, bewijs

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

RECHTBANK ZWOLLE - LELYSTAD

Sector Strafrecht - Meervoudige Strafkamer

Parketnummer : 07.607143-09 (P)

Uitspraak : 24 november 2009

Vonnis in de zaak van:

het openbaar ministerie

tegen

[verdachte],

geboren op [geboortedatum] te [geboorteplaats]

wonende te [adres]

1. HET ONDERZOEK TER TERECHTZITTING

Dit vonnis is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzitting in eerste aanleg op 10 november 2009.

De verdachte is verschenen en is ter terechtzitting bijgestaan door mr. M.E. Goudriaan, advocaat te Almere. De rechtbank heeft kennisgenomen van de vordering van de officier van justitie mr. M.J.E. Vink en van de standpunten door de verdediging naar voren gebracht.

2. DE TENLASTELEGGING

De verdachte is ten laste gelegd dat:

hij op of omstreeks 23 april 2009 in de gemeente Almere ter uitvoering van het door verdachte voorgenomen misdrijf om aan een persoon genaamd [slachtoffer], opzettelijk zwaar lichamelijk letsel toe te brengen, met dat opzet die [slachtoffer] (met kracht) heeft getrapt/geschopt op/tegen de/het be(e)n(en), in ieder geval tegen het (onder)lichaam, (mede) ten gevolge waarvan die [slachtoffer] (hard) op de grond is gevallen en/of (waarbij) haar hoofd (hard) de grond heeft geraakt, terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid;

althans, indien het vorenstaande onder 1 niet tot een veroordeling mocht of zou

kunnen leiden:

hij op of omstreeks 23 april 2009 in de gemeente Almere opzettelijk mishandelend een persoon (te weten [slachtoffer]), (met kracht) heeft getrapt/geschopt op/tegen de/het be(e)n(en), in ieder geval tegen het (onder)lichaam, (mede) ten gevolge waarvan die [slachtoffer] (hard) op de grond is gevallen en/of (waarbij) haar hoofd (hard) de grond heeft geraakt, waardoor deze letsel heeft bekomen en/of pijn heeft ondervonden;

3. DE VOORVRAGEN

De rechtbank heeft vastgesteld dat de dagvaarding geldig is, dat zij bevoegd is tot kennisneming van deze zaak, dat de officier van justitie ontvankelijk is in haar vervolging en dat er geen redenen zijn voor schorsing van de vervolging.

4. DE BEWIJSMIDDELEN EN DE BEOORDELING DAARVAN

Vaststaande feiten

De rechtbank stelt de hierna volgende feiten vast.

Op 23 april 2009 is door [slachtoffer] aangifte gedaan van poging tot zware mishandeling door verdachte.

Verdachte is op 23 april 2009 aangehouden.

Het standpunt van de officier van justitie

De officier van justitie acht het primair ten laste gelegde wettig en overtuigend bewezen en heeft daartoe verwezen naar de aangifte van [slachtoffer], naar de verklaring van verdachte ter terechtzitting van 10 november 2009 waarin hij heeft bekend naar mevrouw [slachtoffer] een trappende beweging te hebben gemaakt, althans haar een veeg te hebben gegeven waardoor zij is gevallen.

Het standpunt van de verdediging

De raadsvrouw heeft vrijspraak bepleit voor het primair ten laste gelegde. Zij heeft daartoe het hierna volgende aangevoerd.

Er is geen sprake geweest van een poging. Mevrouw [slachtoffer] heeft geen zwaar lichamelijk letsel opgelopen. Verdachte heeft geen opzet gehad op het toebrengen van zwaar lichamelijk letsel, ook niet in voorwaardelijke zin. Verdachte heeft mevrouw [slachtoffer] een trap tegen haar been gegeven. Dat mevrouw [slachtoffer] als gevolg daarvan letsel op zou lopen, laat staan zwaar lichamelijk letsel, was niet te voorzien.

Ten aanzien van het subsidiair ten laste gelegde refereert de raadsvrouw zich aan het oordeel van de rechtbank.

Het oordeel van de rechtbank

De rechtbank is van oordeel dat voor het primair ten laste gelegde, de poging tot zware mishandeling van mevrouw [slachtoffer], onvoldoende wettig en overtuigend bewijs voorhanden is. Mevrouw [slachtoffer] heeft verklaard dat verdachte haar een trap gaf tegen haar linker been. Hierdoor ging zij onderuit. Verdachte heeft ter terechtzitting verklaard dat hij mevrouw [slachtoffer] een trap tegen haar been heeft gegeven, waardoor zij ten val is gekomen.

Om te kunnen komen tot een bewezenverklaring van poging tot zware mishandeling zal echter moeten worden vastgesteld dat er sprake is geweest van handelingen waarmee verdachte de aanmerkelijke kans heeft aanvaard dat het slachtoffer ten gevolge van deze handelingen zwaar lichamelijk letsel zou kunnen bekomen.

Het geven van een enkele trap tegen de benen kan niet als een dergelijke handeling beschouwd worden.

Uit het strafdossier blijkt niet anderszins van handelingen die zwaar lichamelijk letsel op zouden kunnen leveren, zodat naar het oordeel van de rechtbank niet bewezen kan worden dat verdachte opzet, al dan niet in voorwaardelijke vorm, heeft gehad op het toebrengen van zwaar lichamelijk letsel aan mevrouw [slachtoffer].

De subsidiair ten laste gelegde mishandeling acht de rechtbank wettig en overtuigend bewezen, nu de trap die verdachte mevrouw [slachtoffer] heeft gegeven van dien aard was dat zij ten val is gekomen tengevolge waarvan mevrouw [slachtoffer] letsel heeft bekomen en pijn heeft ondervonden .

Bewezenverklaring

De rechtbank acht wettig en overtuigend bewezen hetgeen verdachte subsidiair ten laste is gelegd, met dien verstande dat:

hij op 23 april 2009 in de gemeente Almere opzettelijk mishandelend een persoon (te weten [slach[slachtoffer]), (met kracht) heeft getrapt tegen de benen, (mede) ten gevolge waarvan die [slachtoffer] (hard) op de grond is gevallen en (waarbij) haar hoofd de grond heeft geraakt, waardoor deze letsel heeft bekomen en pijn heeft ondervonden.

De rechtbank acht niet bewezen hetgeen subsidiair meer of anders ten laste is gelegd. Verdachte zal daarvan worden vrijgesproken.

5. DE STRAFBAARHEID

Het bewezene levert op:

Mishandeling, strafbaar gesteld bij artikel 300 van het Wetboek van Strafrecht.

Er zijn geen feiten of omstandigheden die de strafbaarheid van het bewezen verklaarde uitsluiten. Dit levert het genoemde strafbare feit op.

Er zijn ook geen feiten of omstandigheden die de strafbaarheid van de verdachte uitsluiten. De verdachte is derhalve strafbaar.

6. DE STRAFOPLEGGING

De officier van justitie, mr. M.J.E. Vink, heeft ter terechtzitting de veroordeling van verdachte gevorderd ter zake het primaire ten laste gelegde tot een gevangenisstraf voor de duur van 4 weken, met aftrek overeenkomstig artikel 27 van het Wetboek van Strafrecht.

De verdediging heeft voor wat de strafmaat betreft verzocht om rekening te houden met verdachte’s persoonlijke omstandigheden en aan hem ter zake van het primair ten laste gelegde een groot gedeelte van de gevorderde 4 weken gevangenisstraf voorwaardelijk op te leggen. Ten aanzien van het subsidiair ten laste gelegde heeft de verdediging verzocht verdachte schuldig te verklaren zonder oplegging van een straf of maatregel.

Gelet op de aard en de ernst van het bewezen en strafbaar verklaarde, op de omstandigheden waaronder verdachte zich daaraan heeft schuldig gemaakt en op de persoon van verdachte, zoals van een en ander uit het onderzoek ter terechtzitting is gebleken, acht de rechtbank de hierna te noemen beslissing passend.

Wat betreft de ernst van de feiten en de omstandigheden waaronder deze zijn begaan heeft de rechtbank in het bijzonder in aanmerking genomen dat de partner van verdachte in haar woning, de plaats bij uitstek waar zij zich veilig moet kunnen voelen, slachtoffer is geworden van mishandeling door verdachte. Zij heeft hierdoor pijn en letsel ondervonden. Verdachte heeft hiermee inbreuk gemaakt op de lichamelijke integriteit van zijn partner en jegens haar geen respect getoond.

De rechtbank is in dit geval van oordeel dat een gevangenisstraf van hierna te melden duur noodzakelijk is, omdat aard en ernst van het bewezen en strafbaar verklaarde, door een lichtere strafrechtelijke afdoening van de zaak miskend zouden worden. Bijzondere omstandigheden die tot een ander oordeel zouden moeten voeren, acht de rechtbank niet aanwezig.

Bij haar beslissing heeft de rechtbank rekening gehouden met:

- een de verdachte betreffend uittreksel justitiële documentatie d.d. 9 oktober 2009;

- een adviesrapport van Tactus verslavingszorg d.d. 8 september 2009;

- een voorlichtingsrapport van Tactus verslavingszorg d.d. 3 juli 2009.

Het voorlichtingsrapport d.d. 3 juli 2009, opgesteld op verzoek van het openbaar ministerie, concludeert onder meer dat bij verdachte sprake is van een forse agressieregulatieproblematiek in combinatie met alcohol- en drugsmisbruik, waarvoor verdachte behandeling zou moeten volgen, en voorts een gebrek in de gewetensfunctie en het inlevingsvermogen. Het adviesrapport van Tactus verslavingszorg d.d. 8 september 2009 is geschreven in verband met het door AVR van Tactus verslavingszorg uitgevoerde schorsingstoezicht. Hierin komt naar voren dat verdachte niet gemotiveerd is voor contact met de AVR van Tactus verslavingszorg noch voor contact met De Waag, zodat het openbaar ministerie geadviseerd is om Tactus verslavingszorg te ontheffen van de uitvoering van het toezicht. Ter terechtzitting heeft verdachte ook aangegeven behandeling niet nodig te vinden.

De oplegging van de straf is, behalve op de reeds aangehaalde wettelijke voorschriften, gegrond op de artikelen 10, 14a, 14b, 14c en 27 van het Wetboek van Strafrecht.

7. BESLISSING

Het primair ten laste gelegde is niet bewezen en de verdachte wordt daarvan vrijgesproken.

Het subsidiair ten laste gelegde is bewezen zoals hiervoor onder 4 aangegeven en levert het strafbare feit op, zoals hiervoor vermeld. De verdachte is deswege strafbaar.

Het subsidiair meer of anders ten laste gelegde is niet bewezen en de verdachte wordt daarvan vrijgesproken.

De rechtbank legt aan verdachte op een gevangenisstraf van vier weken.

De tijd, door verdachte voor de ten uitvoerlegging van deze uitspraak in verzekering en voorlopige hechtenis doorgebracht, zal bij de tenuitvoerlegging van de opgelegde gevangenisstraf in mindering worden gebracht.

Van de gevangenisstraf zal een gedeelte, groot twee weken niet worden ten uitvoer gelegd, tenzij de rechter later anders mocht gelasten op grond dat de verdachte zich voor het einde van een proeftijd van 2 jaar aan een strafbaar feit heeft schuldig gemaakt.

Het geschorste bevel tot voorlopige hechtenis wordt opgeheven.

Aldus gewezen door mr. C.P. Lunter, voorzitter, mrs. G.H. Meijer en J.P.C. Obbink, rechters, in tegenwoordigheid van mr. J.E. Doornwaard, griffier, en uitgesproken ter openbare terechtzitting van 24 november 2009.