Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBZLY:2009:BK5377

Instantie
Rechtbank Zwolle-Lelystad
Datum uitspraak
03-12-2009
Datum publicatie
04-12-2009
Zaaknummer
07/976412-07
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

mensenhandel, mensensmokkel, voodoo, Nigeria, dominee, ervaringsdeskundige, verhoorprotocol, ontvankelijkheid OM.

Wetsverwijzingen
Wetboek van Strafrecht
Wetboek van Strafrecht 197a
Wetboek van Strafvordering
Wetboek van Strafvordering 29
Wetboek van Strafvordering 348
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
NBSTRAF 2010/69
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK ZWOLLE - LELYSTAD

Sector Strafrecht - Meervoudige Strafkamer

Parketnr. : 07.976412-07

Uitspraak: 3 december 2009

Vonnis in de zaak van:

het openbaar ministerie

tegen

(verdachte),

geboren op (geboortjeaar),

wonende te (adres),

thans verblijvende in (verblijfplaats)

Het onderzoek ter terechtzitting heeft na diverse schorsingen en hervattingen - laatstelijk - plaatsgevonden en is gesloten op 19 november 2009.

De verdachte is verschenen, bijgestaan door mr. S.T. van Berge Henegouwen en mr. C.W.J. Faber, beiden advocaat te Maastricht.

De officieren van justitie, mr. L.N. Stempher en mr. G. Veurink, hebben ter terechtzitting gevorderd de veroordeling van verdachte terzake het onder 1, 2 primair en 3 ten laste gelegde tot:

- een gevangenisstraf voor de duur van 8 jaren met aftrek overeenkomstig artikel 27 van het Wetboek van Strafrecht,

- toewijzing van de vorderingen van de benadeelde partijen (benadeelde partij 1), (benadeelde partij 2), (benadeelde partij 3)en (benadeelde partij 4)tot respectievelijk een bedrag van € 12.370,--, € 20.000,--, € 28.000,-- en € 5.000,--, telkens bij wijze van voorschot en

- oplegging van de schadevergoedingsmaatregel ex artikel 36f van het Wetboek van Strafrecht tot voormelde bedragen.

TENLASTELEGGING

De verdachte is ten laste gelegd dat:

(volgt tenlastelegging, zoals deze luidt na toewijzing vordering nadere omschrijving tenlastelegging en de daaropvolgende vordering wijzing tenlastelegging)

De rechtbank verbetert in de tenlastelegging een aantal kennelijke schrijffouten. De verdachte wordt blijkens het onderzoek ter terechtzitting daardoor niet in zijn verdediging geschaad.

ONTVANKELIJKHEID VAN DE OFFICIER VAN JUSTITIE

Het Verhoorprotocol

De verdediging heeft - kort samengevat en zakelijk weergegeven - aangevoerd dat het openbaar ministerie niet ontvankelijk moet worden verklaard in haar vervolging omdat het ten behoeve van de onderzoeken Koolvis en Kluivingsbos opgestelde en bij de verhoren van de vermeende slachtoffers van mensenhandel gebruikte verhoorprotocol niet alleen als zodanig onrechtmatigheden met zich brengt, maar dat ook de wijze waarop politie en externe partners daarmee zijn omgegaan, onrechtmatigheden heeft veroorzaakt.

De verdediging stelt zich op het standpunt dat bij die onrechtmatigheden sprake is van ernstige inbreuken op de beginselen van een behoorlijke procesorde waardoor doelbewust of met grove veronachtzaming van de belangen van verdachte aan diens recht op een eerlijke behandeling van zijn zaak is tekortgedaan. Voor zover sprake zou zijn van schending van andere belangen dan die van verdachte, geldt dat het gaat om zeer fundamentele inbreuken waardoor het wettelijk systeem in de kern wordt geraakt.

De verdediging heeft in dit verband onder meer verwezen naar de arresten inz. ( xxx ) en ( xxx ). Hetgeen overigens ter nadere adstructie van dit verweer is aangevoerd is vermeld in een overgelegde pleitnotitie welke - in zoverre- als hier herhaald en ingelast moet worden beschouwd.

Het oordeel van de rechtbank met betrekking tot dit verweer.

Het rapport d.d. 23 augustus 2007, opgemaakt door verbalisant (verbalisant naam 1), waarin het verhoorprotocol is opgenomen, vermeldt als voornaamste reden voor de totstandkoming daarvan: de wens om enerzijds de verklaringsbereidheid bij vermeende slachtoffers van mensenhandel te vergroten –door vertrouwen te winnen en uitleg te geven- en anderzijds de betrouwbaarheid van de eventueel afgelegde verklaringen te bevorderen.

Het protocol dient twee doelen zo is in het rapport te lezen, namelijk:

1. bevorderen van de waarheidsvinding in het kader van het opsporingsbelang en

2. bieden van hulpverlening aan de vermeende slachtoffers waarbij externe partners worden ingezet om o.a. de invloed van voodoo te bespreken/beperken. Als externe partners zijn ingezet: een Nigeriaanse dominee genaamd ( naam 1) en een ervaringsdeskundige die eerder als tolk is opgetreden in andere mensenhandelzaken.

De opzet van het protocol is besproken tijdens een op 23 augustus 2007 gehouden overleg in Groningen, waarbij een officier van justitie, leden van de onderzoeksteams inz. Koolvis en Kluivingsbos, alsmede de hiervoor bedoelde ervaringsdeskundige en Nigeriaanse dominee aanwezig waren. Het protocol zelf valt uiteen in een vijf-stappenplan waarin - zo constateert de rechtbank - niet alleen een ieders rol is beschreven (van respectievelijk politie, ervaringsdeskundige en dominee) maar waarin ook is aangegeven op welke wijze gesprekken met c.q. verhoren van vermeende slachtoffers dienen plaats te vinden. Daarbij is ook aandacht besteed aan de inzet van audiovisuele hulpmiddelen.

De rechtbank merkt vooreerst op dat de bijzondere aard van dit soort zaken, met name de problemen met betrekking tot de - doorgaans geringe - verklaringsbereidheid van vermeende slachtoffers en de moeizame waarheidsvinding waarmee opsporingsinstanties zich geconfronteerd zien, op zichzelf reden kan zijn op zoek te gaan naar een methode waarbij beide belangen - de waarheidsvinding en een adequate hulpverlening aan slachtoffers - beter gediend worden. De keuze voor een verhoorprotocol, als waarvan in de onderhavige zaak sprake is, kan daarmee gerechtvaardigd zijn.

Het openbaar ministerie heeft in deze zaak voor een dergelijk verhoorprotocol gekozen en in het kader van de door haar nagestreefde transparantie zijn daarin ook de eisen waaraan de gesprekken tussen vermeende slachtoffers en ervaringsdeskundige/dominee enerzijds en de uiteindelijke verhoren door opsporingsambtenaren anderzijds moeten voldoen, uitdrukkelijk in het verhoorprotocol opgenomen.

De rechtbank overweegt met betrekking tot het verhoorprotocol en de uitvoering daarvan het volgende:

Blijkens het verhoorprotocol hebben de zogenaamde externe partners - de ervarings-deskundige en de dominee dus - duidelijk een verschillende rol in de fase die voorafgaat aan het uiteindelijke verhoor van vermeende slachtoffers door opsporingsambtenaren. De inzet van de dominee dient kennelijk vooral gericht te zijn op hulpverlening, het als gezaghebbend geestelijke bevrijden van eventuele voodoo-invloeden, terwijl voor de ervaringsdeskundige eerder een rol weggelegd lijkt als inhoudelijk gesprekspartner van de Nigeriaanse meisjes/ vrouwen, een en ander met het oog op het eventueel doen van aangifte.

De rechtbank leidt dat niet alleen af uit de verschillende locaties waar ervaringsdeskundige en dominee de gesprekken met de meisjes/vrouwen hebben gevoerd - de dominee op “neutraal” terrein, in elk geval niet het politiebureau, en de ervaringsdeskundige juist wel op het politiebureau - maar ook uit de taakomschrijving van ervaringsdeskundige en dominee.

De dominee moet zich, aldus het protocol, vooral bezighouden met het bestrijden van eventuele voodoo-invloeden terwijl de ervaringsdeskundige meer inhoudelijk bezig is en zaken dient te bespreken als: de invloed van voodoo, de werkwijze van de criminele organisatie waar zij het slachtoffer van was, haar werk in de prostitutie en de uitbuiting.

De ervaringsdeskundige moet met andere woorden haar ervaringen delen met de veronderstelde slachtoffers.

De hiervoor omschreven, in het verhoorprotocol opgenomen, taakverdeling behoeft op zichzelf geen problemen op te leveren indien en voor zover aan de externe partners duidelijke instructies worden gegeven op welke wijze de door hen te voeren gesprekken dienen plaats te vinden. In dit verband merkt de rechtbank op dat de ervaringsdeskundige tijdens haar verhoor ter terechtzitting d.d. 11 mei 2009 desgevraagd heeft verklaard dat zij van de politie geen specifieke instructies voor de door haar met de meisjes/vrouwen te voeren gesprekken heeft gekregen. Aan haar is slechts verteld wat zij in elk geval niet moest doen, namelijk de meisjes dwingen.

Het valt op dat in het verhoorprotocol dergelijke nauwkeurig geformuleerde instructies ontbreken. De rechtbank is niet gebleken dat de externe partners voorafgaande aan de door hen te voeren gesprekken zijn geïnstrueerd door de politie en evenmin is gebleken op welke wijze die gesprekken - in het geval van de ervaringsdeskundige - zijn geëvalueerd.

De rechtbank beschouwt het ontbreken van duidelijke instructies aan de externe partners als een ernstige omissie. De verdediging heeft ten aanzien van een aantal gesprekken naar het oordeel van de rechtbank terecht scherpe kritiek geuit op de wijze waarop met name de ervaringsdeskundige in gesprek is geweest met de vermeende slachtoffers. De verdediging heeft daarbij onder meer gesteld dat er is gestuurd, gemanipuleerd en geïntimideerd waarbij zowel de ervaringsdeskundige als de dominee als verlengstuk van het opsporingsapparaat zou zijn opgetreden. De rechtbank onderschrijft die kwalificaties niet, omdat daarvan de suggestie uitgaat dat ervaringsdeskundige en dominee doelbewust bezig zouden zijn geweest om een justitie welgevallige en voor de verdachte belastende verklaring te verkrijgen van het betreffende vermeende slachtoffer. Die suggestie mist naar het oordeel van de rechtbank feitelijke grondslag.

Een omissie die niet zozeer aan het verhoorprotocol zelf kleeft, als wel aan de uitvoering daarvan, is het gebrek aan alertheid bij en controle door het openbaar ministerie ten aanzien van zowel de werkwijze van de ervaringsdeskundige als van de dominee. Op grond van het onderzoek is immers komen vast te staan dat de dominee op eigen initiatief verslagen van gesprekken met vermeende slachtoffers heeft verzonden aan politieambtenaren. Zijdens het openbaar ministerie is erkend dat zulks in strijd is met het verhoorprotocol en derhalve niet had mogen gebeuren, maar van die verslagen zou door de politie geen gebruik zijn gemaakt, aldus het openbaar ministerie. Die geruststelling overtuigt de rechtbank niet, immers achteraf kan niet worden meer worden getoetst of en op welke wijze informatie uit bedoelde gespreksverslagen invloed heeft gehad op de inhoud van de in deze zaak afgelegde verklaringen.

Ook ten aanzien van de gesprekken en werkwijze van de ervaringsdeskundige heeft het naar het oordeel van de rechtbank aan de vereiste controle door het openbaar ministerie ontbroken.

In het kader van het doen van een eventuele aangifte dient aan vermeende slachtoffers van mensenhandel de zogenaamde B9-procedure en de consequenties daarvan te worden uitgelegd. Die verplichting berust evenwel bij de betreffende opsporingsambtenaar.

De rechtbank stelt echter vast dat de ervaringsdeskundige meer dan eens, en tijdens een en hetzelfde gesprek met een vermeend slachtoffer soms ook bij herhaling, de B9-procedure heeft genoemd en in dat verband niet alleen heeft beklemtoond welke voordelen die procedure kan opleveren, maar ook welke nadelige gevolgen (uitzetting) het kan hebben als je uit de procedure wordt gezet.

Een deugdelijke, inhoudelijke en tijdige evaluatie - aanstonds na een gesprek met een vermeend slachtoffer - had aanleiding kunnen zijn voor de betreffende opsporings-ambtena(a)r(en) om aan de ervaringsdeskundige nog eens duidelijk te maken wat wel en wat niet tot haar taak behoorde.

Hetzelfde geldt voor de wijze waarop sommige gesprekken door de ervaringsdeskundige zijn gevoerd. In een aantal gevallen lijkt er geen sprake te zijn van een gesprek c.q. dialoog met een vermeend slachtoffer maar eerder van een monoloog van de ervaringsdeskundige waarin zij zeer uitvoerig (soms meer dan 4 pagina’s lang) en gedetailleerd vertelt over wat zij heeft meegemaakt.

Het bepaald niet denkbeeldige risico daarvan is dat een getuige/aangeefster in de door haar uiteindelijk ten overstaan van een opsporingsambtenaar af te leggen verklaring/aangifte bewust dan wel onbewust delen van of details uit de “monoloog” van de ervaringsdeskundige overneemt. Met andere woorden: het gevaar van beïnvloeding ligt hier op de loer, waarmee de uiteindelijke aangifte aan betrouwbaarheid en dus bewijskracht kan inboeten.

Mede in aanmerking genomen de omstandigheid dat - naar de ervaring heeft geleerd en statistieken hebben uitgewezen - nogal eens ten onrechte een beroep op de B9-regeling wordt gedaan door vreemdelingen en extra waakzaamheid te dien aanzien in elk geval geboden is,

had naar het oordeel van de rechtbank van het openbaar ministerie in deze zaak mogen worden verwacht dat zij juist bij de inzet van genoemde externe partners volledig de regie had gehouden. Er hadden diverse controlemomenten moeten worden ingebouwd teneinde beïnvloeding van de vermeende slachtoffers te voorkomen.

Met betrekking tot de “daadwerkelijke verhoren” van de vermeende slachtoffers door opsporingsambtenaren is in de toelichting op het verhoorprotocol onder 5. “Monitoren proces/opslag gegevens”, vermeld dat daarvan opnamen worden gemaakt en dat die opnamen audiovisueel zullen zijn. De rechtbank stelt vast dat de zich in het dossier bevindende aangiftes uitsluitend auditief zijn opgenomen, althans van audiovisuele vastlegging is de rechtbank niet gebleken. Ten aanzien van het “daadwerkelijk verhoor” is verder in genoemde toelichting onder 4. onder meer vermeld dat een zogenaamd “studioverhoor” zal plaatsvinden.

Kennelijk heeft men hierbij het oog gehad op het zogenaamde studioverhoor dat standaard - op grond van daarvoor geldende richtlijnen - plaatsvindt in zedenzaken bij het horen van zeer jonge, minderjarige, slachtoffers. De rechtbank constateert dat van studioverhoren geen sprake is geweest ofschoon daar vanwege de aard van de zaak alle reden toe was.

Het bevreemdt de rechtbank evenzeer, en zij beschouwt het als een groot gemis in een zo grote en belangwekkend geachte strafzaak als de onderhavige, dat van vorenbedoelde verhoren geen audiovisuele opnamen zijn gemaakt. Daarmee ontbreekt immers de mogelijkheid om de wijze waarop de verklaringen tot stand zijn gekomen te toetsen.

De rechtbank komt op grond van het hiervoor overwogene tot de volgende conclusie.

Het verhoorprotocol kan op zichzelf worden beschouwd als een legitieme en goed bedoelde poging van het openbaar ministerie om de hulpverlening aan slachtoffers van mensenhandel te verbeteren en daarmee de verklaringsbereidheid bij diezelfde slachtoffers alsmede de waarheidsvinding in deze gecompliceerde zaken te bevorderen.

De rechtbank is overtuigd van de integriteit van het openbaar ministerie bij het opstellen en uitvoeren van meergenoemd protocol en de keuze en inzet van externe partners daarbij.

Van de inzet van een innovatieve, nieuwe opsporingsmethode welke ter goedkeuring aan het College van Procureurs-Generaal had behoren te worden voorgelegd - zoals de verdediging heeft betoogd - is, naar het oordeel van de rechtbank geen sprake.

De ervaringsdeskundige en de dominee zijn niet ingezet in het kader van het opsporingsonderzoek maar slechts met het oog op het verbeteren van de begeleiding van potentiële slachtoffers van mensenhandel waarbij het kennelijke doel was belemmeringen ten aanzien van het kunnen verklaren over wat er werkelijk was gebeurd, weg te nemen.

Daarbij heeft het openbaar ministerie evenwel uit het oog verloren dat een strakke regie bij uitstek geboden is indien “gebruik” wordt gemaakt van burgerdeskundigen in de fase waarin reeds bewijs wordt vergaard tegen mogelijke verdachten.

Hoezeer die strakke regie vereist is, blijkt alleen al uit het feit dat het openbaar ministerie heeft erkend dat de ervaringsdeskundige, voorafgaande aan het gesprek met ( naam 2), ten onrechte kennis heeft genomen van (relevante) tapgesprekken, waarvan zij de inhoud vervolgens heeft voorgehouden aan( naam 2) voornoemd.

Aan het openbaar ministerie kan worden verweten dat zij onvoldoende zorgvuldigheid heeft betracht bij het opstellen van het verhoorprotocol en vooral dat zij in ernstige mate te kort is geschoten bij de controle op de uitvoering daarvan.

Zoals de rechtbank hiervoor reeds heeft overwogen, kan een en ander verstrekkende gevolgen hebben voor de beoordeling van de betrouwbaarheid van de in deze zaak door vermeende slachtoffers afgelegde verklaringen. Ten aanzien van elk individueel slachtoffer zal moeten worden onderzocht of de afgelegde verklaring(en) de toets van betrouwbaarheid kan/kunnen doorstaan.

De verdediging heeft primair geconcludeerd tot niet ontvankelijkheid van het openbaar ministerie en daartoe onder meer verwezen naar de uitspraken in de arresten ( xxx ) en ( xxx ).

De rechtbank verwerpt het beroep op niet ontvankelijkheid van het openbaar ministerie en overweegt daartoe het volgende.

Voor niet-ontvankelijkheid van het openbaar ministerie als sanctie is volgens het arrest inz. ( xxx ) slechts plaats, indien sprake is van “ernstige inbreuken op beginselen van de behoorlijke procesorde waardoor ‘doelbewust of met grove veronachtzaming van de belangen van verdachte aan diens recht op een eerlijke behandeling van zijn zaak is tekort gedaan”.

Met andere woorden, er dient sprake te zijn van een grove mate van verwijtbaarheid aan het openbaar ministerie.

Dit betekent dat een onrechtmatigheid dient te worden vastgesteld dat de belangen van de verdachte in deze zaak dienen te zijn getroffen en dat zulks is vastgesteld en dat doelbewust of met grove verwaarlozing van die belangen aan een eerlijke behandeling van zijn zaak is tekort gedaan.

Ingevolge het arrest inz. ( xxx ) kan in hoge uitzondering, ook indien geen verwijtbaarheid bestaat en verdachte niet daadwerkelijk in zijn belangen is getroffen, plaats zijn voor niet-ontvankelijkheid van het openbaar ministerie. Daarvan is sprake, indien ernstige schending is vastgesteld van een zo fundamenteel beginsel van een behoorlijke procesorde, dat daarmee het wettelijk systeem in zijn kern wordt geraakt Dat hiervan alleen in hoge uitzondering sprake is en deze (extra) grond voor niet-ontvankelijkheid van het openbaar ministerie terughoudend dient te worden toegepast volgt uit opvolgende rechtspraak, onder meer in HR 2002, 8 en HR 14 januari 2003, 2003, 288.

De uitspraak van het Europees Hof voor de rechten van de mens (EHRM) in de zaak ( xxx ) vs het Verenigd Koninkrijk (12 mei 2000) geeft aan dat aan de eis van eerlijkheid van de strafprocedure is voldaan w( naam 3)er de strafprocedure ‘as a whole’ (in zijn geheel) eerlijk is. Het is derhalve niet meer van belang of een verdachte in een belang is geschaad, maar of met de overtreden norm de eerlijkheid van het proces van verdachte is aangetast, waarmee de Schutznorm wordt gerelativeerd.

De rechtbank is van oordeel dat, alle feiten en omstandigheden in aanmerking genomen, wel kan worden gesproken van ernstige tekortkomingen van het openbaar ministerie bij met name de controle op de uitvoering van het verhoorprotocol, maar dat die tekortkomingen niet van zodanige aard zijn dat de conclusie gerechtvaardigd is, dat sprake is van ernstige inbreuken op beginselen van de behoorlijke procesorde waardoor doelbewust of met grove veronachtzaming van de belangen van verdachte aan diens recht op een eerlijke behandeling van zijn zaak is tekort gedaan, dan wel van de situatie dat in casu een zo fundamenteel beginsel van een behoorlijke procesorde is geschonden dat daarmee het wettelijk systeem in zijn kern wordt geraakt.

Niet kunnen horen van vermeende slachtoffers

De verdediging heeft geconcludeerd tot niet ontvankelijkheid van het openbaar ministerie nu - naar wordt aangevoerd - het hier een zaak betreft waarin het niet kunnen horen van vermeende slachtoffers regel is en het wel kunnen horen hoge uitzondering, waardoor niet langer sprake is van een fair trial en art. 6 EVRM is geschonden.

De rechtbank verwerpt dit verweer. Vast staat inderdaad dat een groot aantal vermeende slachtoffers, wier getuigenis is verzocht en door de rechtbank ook is toegestaan, niet te traceren valt. Voorts handhaaft de rechtbank haar oordeel dat het onaannemelijk is dat deze getuigen binnen een aanvaardbare termijn ter terechtzitting zullen verschijnen. Een en ander leidt naar het oordeel van de rechtbank niet tot niet ontvankelijkheid van het openbaar ministerie, maar kan consequenties hebben voor de bewijswaardering.

Rechtsmacht voor zover het ten laste gelegde buiten Nederland is begaan.

De verdediging heeft aangevoerd dat het openbaar ministerie niet-ontvankelijk is in zijn vervolging van (deelneming aan) feiten buiten Nederland gepleegd.

De rechtbank verwerpt dit verweer.

Ingevolge artikel 2 van het Wetboek van Strafrecht is de Nederlandse strafwet van toepassing op een ieder die zich in Nederland aan enig strafbaar feit schuldig maakt. Indien naast in ook buiten Nederland gelegen plaatsen kunnen gelden als plaats waar een strafbaar feit is gepleegd, is op grond van de hiervoor genoemde wetsbepaling vervolging van het strafbare feit in Nederland mogelijk, ook ten aanzien van de van dat strafbare feit deeluitmakende gedragingen die buiten Nederland hebben plaatsgevonden.

Ook overigens zijn geen omstandigheden gebleken of aannemelijk geworden op grond waarvan het openbaar ministerie niet ontvankelijk zou moeten worden verklaard.

BEWIJS

Bewijsuitsluiting 8e verhoor van ( naam 3)d.d. 11 februari 2008

De verdediging heeft - kort samengevat en zakelijk weergegeven - betoogd dat de op

11 februari 2008 door (naam 3)- afgelegde “8e” verklaring die het resultaat is van dit verhoor moet worden uitgesloten van het bewijs, omdat deze verklaring in strijd met art. 29 SV (pressieverbod) en art. 3 EVRM tot stand is gekomen.

Hetgeen door de verdediging ter ondersteuning van dit verweer is aangevoerd is vermeld in de pleitnota welke in zoverre als hier herhaald en ingelast moet worden beschouwd.

De rechtbank overweegt hieromtrent het volgende.

De rechtbank stelt vast dat verdachte ( naam 3)(hierna: ( naam 3)) in de aan dit verhoor voorafgaande 7 verhoren niet of nauwelijks bereid is geweest op vragen van het verhoorkoppel van dat moment -(verbalisant naam 2) en (verbalisant naam 3)- te antwoorden. Zij heeft zich tijdens die verhoren grotendeels beroepen op haar zwijgrecht, onder meer nadat zij tijdens het 3e verhoor op 31 januari 2008 om 10.30u in de gelegenheid was gesteld telefonisch contact op te nemen met haar advocaat.

Verbalisant (verbalisant naam 4) heeft tijdens zijn verhoor bij de rechter-commissaris op 1 september 2008 aangegeven dat hij, samen met zijn collega (verbalisant naam 1), het van (verbalisant naam 2) en (verbalisant naam 3) heeft overgenomen “…omdat ze niet to the Point kwamen”. (verbalisant naam 4) verklaart verder dat hij en zijn collega (verbalisant naam 1) zich aan ( naam 3) hebben gepresenteerd als leden van de leiding van het onderzoeksteam en dat zij aan ( naam 3) hebben gevraagd waar nu de bottleneck zat, waarom zij niet wilde verklaren.

Verbalisant (verbalisant naam 1) heeft - eveneens op 1 september 2009 - tegenover de rechter-commissaris verklaard dat collega (verbalisant naam 4) bij aanvang van het 8e verhoor, zulks op verzoek van ( naam 3), nog heeft geprobeerd met haar advocaat (mr. Voors) te bellen, omdat zij alleen in zijn aanwezigheid een verklaring wilde afleggen en in elk geval met hem wilde overleggen. Omdat de advocaat niet bereikbaar was, zou (verbalisant naam 4) voornoemd hierop de voicemail van haar advocaat hebben ingesproken, aldus verbalisant (verbalisant naam 1).

(verbalisant naam 1) verklaart verder dat het 8e verhoor van ( naam 3) is aangevangen met een inleidend gesprek van ongeveer 1 uur, waarin voor een groot deel sprake is geweest van het aanhoren van het verhaal van ( naam 3). Tussendoor gebeurden allerlei dingen aldus (verbalisant naam 1) en er is

tijdens dat inleidende gesprek ook gesproken met ( naam 3) over (de duur van) haar voorlopige hechtenis en haar kinderen. Volgens (verbalisant naam 1) blijft het proces-verbaal van haar verhoor een samenvatting (cursief: rb) van wat zij heeft gezegd.

Zowel (verbalisant naam 4) als (verbalisant naam 1) weerspreekt bij de rechter-commissaris dat aan ( naam 3) tijdens het 8e verhoor beloften zijn gedaan over het verloop van de strafzaak, de duur van de voorlopige hechtenis of het contact met haar kinderen.

Wat de rechtbank onmiddellijk opvalt aan het 8e verhoor van ( naam 3) is dat dit verhoor 8 uur heeft geduurd en heeft geleid tot een proces-verbaal van verhoor dat ‘slechts’ 5 pagina’s in beslag neemt. Het inleidende verhoor, dat volgens verbalisant (verbalisant naam 1) ongeveer 1 uur zou hebben geduurd, beslaat niet meer dan 1 alinea van ongeveer 3 regels. (zie pag. 1 verhoor).

Volgens verbalisant (verbalisant naam 1) is de netto verhoortijd van ( naam 3) veel minder geweest dan

8 uur. Er zouden niet alleen diverse onderbrekingen zijn geweest voor het nuttigen van drinken en maaltijden, maar ook zou nogal wat tijd gemoeid zijn geweest met het opvragen van recentere foto’s van slachtoffers. De rechtbank constateert in dit verband dat het proces-verbaal van verhoor geen enkel inzicht geeft in de werkelijke - netto - duur van het verhoor van ( naam 3) doordat daarin geen informatie is vermeld met betrekking tot de duur van de “diverse onderbrekingen”. Dat er foto’s van slachtoffers zijn opgevraagd en dat dit veel tijd zou hebben gekost, is niet eens gerelateerd in het proces-verbaal. Ook ten aanzien van de gemoedstoestand van ( naam 3) tijdens dit langdurige verhoor wordt niets in het proces-verbaal vermeld, terwijl zulks inmiddels wel ‘common practice’ is in de meeste (grotere) strafzaken.

Mede doordat het inleidende verhoor van ( naam 3) niet is gerelateerd in het proces-verbaal onttrekt zich bijna volledig aan de waarneming van de rechtbank op welke wijze de zeer belastende verklaring van 11 februari 2008 van ( naam 3) - zowel voor haar zelf als voor medeverdachten - tot stand is gekomen en in welke emotionele toestand zij ten tijde van dit verhoor verkeerde. Verbalisant (verbalisant naam 1) erkent ten overstaan van de rechter-commissaris dat het wellicht beter zou zijn geweest alles op band of video te zetten.

De rechtbank is van oordeel dat in zaken als de onderhavige niet kan worden volstaan met een werkwijze als gevolgd bij het verhoor van ( naam 3). Bij gebreke van een deugdelijke verslaglegging en audio-visuele vastlegging van het cruciale 8e verhoor van ( naam 3) is het voor de rechtbank niet of nauwelijks mogelijk om het ten deze door de verdediging gevoerde verweer op zijn merites te toetsen.

Aan ( naam 3) wordt door het openbaar ministerie tegengeworpen dat zij in haar 8e verklaring vrij gedetailleerd heeft verklaard over een aantal vermeende slachtoffers en dat die details op essentiële punten steun vinden in de diverse zaaksdossiers.

Het valt evenwel op dat ( naam 3) tijdens het verhoor achtereenvolgens wordt geconfronteerd met feiten en omstandigheden uit een aantal zaaksdossiers en dat zij op een enkele vraag van de verbalisanten soms een zeer uitvoerig antwoord geeft waarbij zij geheel spontaan lijkt uit te weiden in details.

(verbalisant naam 4) heeft desgevraagd met betrekking tot de ondervraging van ( naam 3) bij de rechter-commissaris verklaard dat er “niet meer vragen zijn gesteld dan er in het pv staan” (cursief rb) met de kanttekening (ten aanzien van zaak 12 op pag. 4) dat waarschijnlijk een (aanvullende; toevoeging rb) verduidelijkingsvraag is gesteld. (verbalisant naam 1), zo stelt de rechtbank vast, verklaart hier anders over. Het antwoord op een vraag met betrekking tot zaak 3 (pag. 1) was volgens hem niet een verhaal aan een stuk. Er zijn tussendoor door hem en (verbalisant naam 4) nog vragen gesteld aan de hand van wat ( naam 3) zei, aldus (verbalisant naam 1).

Met andere woorden, de verbalisanten (verbalisant naam 4) en (verbalisant naam 1) verklaren nogal verschillend over de wijze waarop de verklaring van ( naam 3) tot stand is gekomen, hetgeen op zijn minst als opmerkelijk kan worden gekenschetst.

Ook op dit punt rijzen er derhalve vragen bij de rechtbank, waarbij het de rechtbank ontbreekt aan de mogelijkheid om een en ander objectief vast te stellen.

De rechtbank komt op grond van het hiervoor overwogene tot het oordeel dat de onmogelijkheid voor de rechtbank om het door de verdediging gevoerde verweer te toetsen aan objectief vast te stellen feiten en omstandigheden, dient te leiden tot uitsluiting van het bewijs van de 8e verklaring van ( naam 3).

(Uitvoering) verhoorprotocol

De rechtbank wijst het herhaalde verzoek om beoordeling van (de uitvoering van) het verhoorprotocol van de slachtoffers door een deskundige (bijvoorbeeld Van Koppen) af op dezelfde grond als ter terechtzitting van 10 juli 2008 en ter terechtzitting van 23 maart 2009 reeds is aangegeven, te weten: omdat de rechtbank daarvoor geen verdedigingsbelang aanwezig acht. De rechtbank realiseert zich terdege dat de wijze van verhoren van de slachtoffers in deze zaak van invloed zou kunnen zijn geweest op de betrouwbaarheid van die verklaringen en de rechtbank zal deze dan ook, zoals hiervoor reeds is overwogen, in het kader van de bespreking van de ontvankelijkheid van het openbaar ministerie, kritisch toetsen op grond van het overige bewijsmateriaal.

Zoals de rechtbank hiervoor bij de overwegingen betreffende de ontvankelijkheid van het openbaar ministerie reeds overwogen, kan de wijze van uitvoering van het verhoorprotocol verstrekkende gevolgen hebben voor de beoordeling van de betrouwbaarheid van de in deze zaak door vermeende slachtoffers afgelegde verklaringen. Ten aanzien van elk individueel slachtoffer zal moeten worden onderzocht of de afgelegde verklaring(en) de toets van betrouwbaarheid kan/kunnen doorstaan.

Dit onderzoek heeft er toe geleid dat de aangifte van (benadeelde partij naam 3) van het bewijs zal worden uitgesloten nu naar het oordeel van de rechtbank niet valt uit te sluiten dat zij in aanzienlijke mate is beïnvloed door de monoloog van de ervaringsdeskundige. De aangifte van (benadeelde partij naam 2) daarentegen is naar het oordeel van de rechtbank wel bruikbaar voor het bewijs nu zij in haar verklaringen expliciet heeft aangegeven dat het altijd haar bedoeling is geweest om aangifte te doen.

De verklaringen van de overige slachtoffers, die na hun gesprek met de dominee en de ervaringsdeskundige tijdens verhoren bij de politie tot stand zijn gekomen, zijn naar het oordeel van de rechtbank, wat er ook zij van hun betrouwbaarheid, op grond van de inhoud sowieso niet redengevend voor het bewijs.

Verklaringen niet door de verdediging gehoorde getuigen/compensatie

De verdediging heeft onder verwijzing naar het arrest d.d. 20 januari 2009 van het EHRM aangevoerd dat in alle gevallen, waarin het bewijs alleen of in overwegende mate is gebaseerd op een verklaring van een niet nader door de verdediging gehoorde getuige het gebruik van die verklaring afhankelijk is van de compensatie die de verdediging vervolgens wordt geboden. Wordt geen compensatie geboden, zo voert de verdediging aan, dan kan een dergelijke verklaring in principe niet aan een bewezenverklaring ten grondslag worden gelegd.

De rechtbank komt niet toe aan de beantwoording van de vraag of voldoende compensatie geboden is, nu de uiteindelijke bewezenverklaring in deze zaak niet alleen of in overwegende mate is gebaseerd op verklaringen van niet nader gehoorde getuigen.

Stemherkenning

Door de verdediging is als verweer aangevoerd dat de door de tolken verrichte stemherkenningen niet betrouwbaar zijn en dat ook overigens de stem van verdachte in de tapgesprekken niet als zodanig is te identificeren, zodat aan de tapgesprekken geen bewijswaarde kan worden toegekend.

De rechtbank verwerpt dit verweer en overweegt daartoe het volgende.

In zijn algemeenheid is bij de waardering van de bewijskracht van stemherkenningen behoedzaamheid geboden.

In het onderzoek is daarom terecht veel aandacht aan deze kwestie geschonken.

Een van de bij het onderzoek betrokken tolken is door de rechter-commissaris als getuige gehoord. De tolk heeft in het verhoor inzicht gegeven in de door hem en zijn collega’s gevolgde werkwijze. De tolken maakten gebruik van een zogenaamde “stemotheek”waarin gesprekken werden bewaard, die door opsporingsambtenaren aan de betrokken personen werden toegeschreven (brongesprekken). De stem in het tapgesprek wordt door de tolk vergeleken met die van het brongesprek. Indien de tolk zeker is van herkenning wordt de stem toegeschreven aan de persoon op wiens naam het brongesprek staat vermeld. Als, na verloop van tijd, de tolk vertrouwd is geraakt met het betreffende stemgeluid, wordt geen gebruik meer gemaakt van het brongesprek.

In vele tapgesprekken is door de tolken de stem herkend uit het brongesprek dat door de opsporingsambtenaren aan verdachte is toegeschreven.

Aan een deskundige, prof. Dr.(naam), is verzocht een vergelijkend spraak-onderzoek uit te voeren, met het doel te bepalen of de stem van de spreker in de tapgesprekken overeenkomt met de stem van verdachte. Daartoe zijn opnames gemaakt van de stem van verdachte om te dienen als vergelijkingsmateriaal. Volgens de deskundige rees tijdens de opnames het vermoeden dat verdachte zijn stem verdraaide. De deskundige achtte het opgenomen vergelijkingsmateriaal niet representatief voor de spraak van verdachte, waarmee de basis voor het vergelijkend onderzoek verviel.

Onderzoek door de deskundige van de acht aan hem aangeleverde tapgesprekken, (de betwiste gesprekken), leidde tot diens conclusie dat deze hoogstwaarschijnlijk afkomstig waren van dezelfde spreker.

De werkwijze van de tolken, de grote hoeveelheid beluisterde gesprekken en het onderzoek door de deskundige met betrekking tot de betwiste gesprekken, maken dat de rechtbank de stemherkenning door de tolken in zoverre betrouwbaar acht, dat alle aan verdachte toegeschreven gesprekken door dezelfde persoon zijn gevoerd.

Daarmee staat nog niet vast dat die persoon de verdachte betreft.

De getapte gesprekken zijn gevoerd met een aantal, in de processtukken onder hun telefoonnummer vermelde, telefoontoestellen. Via deze toestellen zijn ook sms berichten ontvangen of verstuurd. Deze berichten zijn uitgelezen. Daarnaast kwamen in het geheugen van een aantal telefoons nummers voor die in verband gebracht kunnen worden met medeverdachte of andere betrokkenen.

Een van de telefoons (nr. xxxxxxxxx) lag bij aanhouding van verdachte binnen zijn handbereik. In het geheugen van dit toestel komen sms berichten voor tussen verdachte en een medeverdachte, waarbij zij een afspraak maken voor een ontmoeting in Sheffield op

29 april 2007. Engelse opsporingsambtenaren hebben de ontmoeting geobserveerd. Verdachte is als deelnemer aan die ontmoeting geïdentificeerd. De ontmoeting is fotografisch vastgelegd.

Verdachte is eveneens geïdentificeerd bij een observatie bij zijn woonhuis in (plaatsnaam).

Ook van deze observatie is een foto gemaakt. Met het vaste telefoonnummer in dit woonhuis zijn gesprekken gevoerd met medeverdachte.

Uit de onderlinge samenhang van de met de bedoelde telefoontoestellen gevoerde gesprekken, daarin opgeslagen sms berichten en telefoonnummers van betrokkenen en de observaties in Engeland blijkt, naar het oordeel van de rechtbank dat de gesprekken die door de tolken op naam gesteld zijn van verdachte, ook daadwerkelijk door verdachte zijn gevoerd.

De rechtbank acht tevens van belang of de verdachte uitdrukkelijk de tegen hem gerezen verdenkingen heeft ontkend of gemotiveerd heeft betwist dat hij degene was die aan de aan hem toegeschreven gesprekken deelnam. Verdachte heeft, hoewel uitdrukkelijk geconfronteerd met de verdenkingen en met de in de ogen van de politie belastende gesprekken, volstaan met een beroep op zijn zwijgrecht.

Wetenschap buitenlandtrajecten/mensenhandel

De rechtbank is van oordeel dat op grond van de zich in het dossier bevindende bewijsmiddelen, met name nu de op 11 februari 2008 door ( naam 3) afgelegde “8e” verklaring, zoals hiervoren reeds is overwogen, niet tot bewijs kan worden gebezigd, niet kan worden geconcludeerd dat verdachte wetenschap heeft gehad van het traject - inclusief met toepassing van voodoorituelen gemaakte afspraken over terugbetaling van kosten e.d. - dat de meisjes in Nigeria hadden gevolgd en van het traject - inclusief gedwongen tewerkstelling in de prostitutie - dat de meisjes in Italië en/of Spanje zouden gaan volgen.

Aldus is er naar het oordeel van de rechtbank geen wettig bewijs voorhanden van de onder

1 en 2 primair ten laste gelegde vormen van dwang, misleiding en bedreiging en het ten laste gelegd oogmerk van uitbuiting en oogmerk om de meisjes te werk te stellen in de prostitutie.

De verdachte dient derhalve te worden vrijgesproken van het onder 1 en 2 primair ten laste gelegde misdrijf mensenhandel.

De rechtbank merkt hierbij op dat ten aanzien van de onder 1 genoemde meisjes weliswaar sprake zou kunnen zijn van mensensmokkel als bedoeld in artikel 197a van het Wetboek van Strafrecht, doch dat misdrijf is met betrekking tot die meisjes niet aan verdachte ten laste gelegd.

De rechtbank acht wettig en overtuigend bewezen hetgeen de verdachte onder 2 subsidiair en 3 ten laste is gelegd, met dien verstande dat:

2. subsidiair.

hij in of omstreeks de periode van 1 januari 2006 tot en met 24 oktober 2007 te Deventer en/of Assen en/of Zeegse en/of Baexem en/of Amsterdam en/of Oisterwijk en/of Middelburg en/of elders in Nederland en/of in België en/of Frankrijk en/of Spanje en/of Italië en/of Engeland en/of Duitsland, tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen, meermalen, althans eenmaal, (telkens) een of meer anderen, te weten

( naam 4)(zaaksdossier 1) en

( naam 5)en ( naam 6)en ( naam 7)(allen zaaksdossier 2) en

-( naam 8)en ( naam 9)(beiden zaaksdossier 3) en

-( naam 10)en ( naam 11)(beiden zaaksdossier 5) en

-( naam 12)en ( naam 13)(beiden zaaksdossier 6) en

-( naam 2) en een persoon die “xxx” wordt genoemd (beiden zaaksdossier 8) en

-( naam 14)(allen zaaksdossier 14) en

-( naam 15)(zaaksdossier 17) en

-( naam 16)en ( naam 17)(beiden zaaksdossier 18) en

-( naam 18)en ( naam 19)en ( naam 20)en ( naam 21), (allen zaaksdossier 19)

a. behulpzaam is geweest bij het zich verschaffen van toegang tot of doorreis door Nederland, een andere lidstaat van de Europese Unie, of hen daartoe gelegenheid, middelen of inlichtingen heeft verschaft, terwijl verdachte wist of ernstige redenen had te vermoeden dat die toegang of die doorreis wederrechtelijk was, (art. 197a lid 1 WvSr)

en/of

b. uit winstbejag behulpzaam is geweest bij het zich verschaffen van verblijf in Nederland of een andere lidstaat van de Europese Unie, en/of die persoon/personen daartoe gelegenheid en/of middelen en/of inlichtingen heeft verschaft terwijl verdachte en/of verdachtes mededader(s) (telkens) wist(en) of ernstige redenen had(den) te vermoeden dat dit verblijf wederrechtelijk was,

immers heeft/hebben verdachte en/of verdachtes mededader(s) toen aldaar al dan niet in vereniging en/of al dan niet uit winstbejag genoemde personen of een of meer van hen vanuit Nigeria naar Nederland vervoerd of doen of laten vervoeren en/of (door het verstrekken van vliegtickets) gelegenheid gegeven naar Nederland te reizen en/of die persoon/personen voorzien of doen of laten voorzien van informatie en/of middelen en/of van (een) vals(e) of vervalst(e) paspoort(en) en/of identiteitspapieren en/of (vervolgens) (in Nederland, nadat die persoon/personen zonder toestemming of medeweten van de bevoegde instanties uit de opvang voor asielzoekers waren vertrokken) die persoon/personen vervoerd of doen of laten vervoeren en/of die persoon/personen onderdak verschaft dan wel daarbij bemiddeld en/of die persoon/personen voorzien van (een) vals(e) of vervalst(e) paspoort(en) en/of identiteitspapieren en/of die persoon/personen doen of laten reizen vanuit Nederland naar België en/of Frankrijk en/of Spanje en/of Italië en/of Duitsland en/of enig ander land binnen de Europese Unie, en dusdoende daarvan een gewoonte heeft/hebben gemaakt;

3.

hij in de periode van 1 januari 2006 tot en met 24 oktober 2007 te Deventer en/of Middelburg en/of Amsterdam en/of Eindhoven en/of elders in Nederland en/of Duitsland en/of België en/of Frankrijk en/of Italië en/of Spanje en/of Engeland en/of Nigeria, tezamen

en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen, heeft deelgenomen aan een organisatie, waarvan, behalve verdachte, ook ( naam 22)en/of ( naam 23)en/of ( naam 24) en/of ( naam 3)en/of ( naam 25)en/of ( naam 26)en/of ( naam 27)en/of ( naam 28)en/of ( naam 29)en/of (naam 30) ( “xxxx” ) en/of (naam 31) en/of (naam 32) en/of (naam 33) (“xxxx” ) deel uitmaakte(n) en welke organisatie tot oogmerk heeft het plegen van misdrijven, te weten:

- het plegen van mensenhandel (art.273a/273fWvSr);

- het plegen van mensensmokkel (art. 197a WvSr);

- het plegen van het vervalsen van reisdocumenten (art.231 WvSr);

- het plegen van valsheid in geschrifte (art. 225 WvSr);

- het plegen van onttrekking van een minderjarige aan het wettig gezag/bevoegd opzicht (art. 279 WvSr),

zulks terwijl, hij, verdachte, al dan niet in vereniging met een of meer anderen, leider was van die organisatie.

Van het onder 2 subsidiair en 3 meer of anders ten laste gelegde zal de verdachte worden vrijgesproken, aangezien de rechtbank dat niet wettig en overtuigend bewezen acht.

STRAFBAARHEID

Het bewezene levert op:

2 subsidiair:

Mensensmokkel, begaan door een persoon die daarvan een gewoonte maakt,

in vereniging begaan door meerdere personen,

en

Een ander uit winstbejag behulpzaam zijn bij het zich verschaffen van verblijf in Nederland of een andere lidstaat van de Europese Unie of hem daartoe gelegenheid, middelen of inlichtingen verschaffen, terwijl hij weet of ernstige redenen heeft te vermoeden dat dat verblijf wederrechtelijk is, begaan door een persoon die daarvan een gewoonte maakt, in vereniging begaan door meerdere personen,

strafbaar gesteld bij artikel 197a van het Wetboek van Strafrecht

3:

Als leider deelnemen aan een organisatie die tot oogmerk heeft het plegen van misdrijven,

strafbaar gesteld bij artikel 140 van het Wetboek van Strafrecht.

De verdachte is deswege strafbaar, nu geen feiten of omstandigheden gebleken zijn die die strafbaarheid zouden opheffen of uitsluiten.

OPLEGGING VAN STRAF OF MAATREGEL

Gelet op de aard en de ernst van het bewezen en strafbaar verklaarde, op de omstandigheden waaronder verdachte zich daaraan heeft schuldig gemaakt en op de persoon van verdachte, zoals van een en ander uit het onderzoek ter terechtzitting is gebleken, acht de rechtbank de na te noemen beslissing passend.

In het bijzonder heeft de rechtbank daarbij het navolgende in aanmerking genomen:

Mensensmokkel valt in de categorie strafbare feiten die ernstig inbreuk maken op de rechtsorde en die in de samenleving gevoelens van onrust veroorzaken. De smokkel doorkruist niet alleen het overheidsbeleid aangaande bestrijding van illegaal verblijf in Nederland en (in dit geval) illegale binnenkomst en doorreis naar andere landen van de Europese Unie, maar draagt daarmee ook bij aan het in stand houden van een illegaal circuit, waardoor het maatschappelijk verkeer wordt of kan worden gefrustreerd en gecorrumpeerd, terwijl het draagvlak om echte asielzoekers, dat wil zeggen politieke vluchtelingen, ruimhartig op te vangen daardoor in ernstige mate wordt ondermijnd. Voorts betreft de onderhavige mensensmokkel jonge vrouwen, die bij uitstek een kwetsbare groep vormen, waarbij naar algemeen - dus ook bij verdachte - bekend mag worden verondersteld, de kans op uitbuiting in enigerlei vorm groot is. Op grond hiervan acht de rechtbank een onvoorwaardelijke vrijheidstraf zonder meer gerechtvaardigd.

De rechtbank houdt bij de vaststelling van de hoogte van de op te leggen gevangenisstraf er rekening mee dat verdachte in georganiseerd verband betrokken is geweest bij de smokkel van in ieder geval een 20-tal vrouwen, terwijl er sterke aanwijzingen zijn dat nog een groot aantal andere vrouwen op dezelfde wijze Europa zijn binnengesmokkeld. Verdachte was daarbij een belangrijke contactpersoon tussen de Nigeriaanse tak van de organisatie en met name zijn medeverdachte (naam 34) in Nederland. Hij heeft als zodanig een initiërende en sturende rol gehad.

Bij haar beslissing heeft de rechtbank rekening gehouden met een de verdachte betreffend uittreksel justitiële documentatie.

De oplegging van straf of maatregel is, behalve op de reeds aangehaalde wettelijke voorschriften, gegrond op de artikelen 10, 27 en 57 van het Wetboek van Strafrecht.

Benadeelde partijen

De vorderingen van de benadeelde partijen (benadeelde partij 1), (benadeelde partij 3), (benadeelde partij 2) en (benadeelde partij 4)zijn naar het oordeel van de rechtbank niet van zo eenvoudige aard dat deze zich lenen voor behandeling in het strafgeding. De rechtbank zal derhalve bepalen dat de benadeelde partijen in die vorderingen niet ontvankelijk zijn en dat de vorderingen slechts bij de burgerlijke rechter kunnen worden aangebracht.

BESLISSING

Het onder 1 en 2 primair ten laste gelegde is niet bewezen en de verdachte wordt daarvan vrijgesproken.

Het onder 2 subsidiair en 3 ten laste gelegde is bewezen zoals hiervoor aangegeven en levert de strafbare feiten op, zoals hiervoor vermeld. De verdachte is deswege strafbaar.

Het onder 2 subsidiair en 3 meer of anders ten laste gelegde is niet bewezen en de verdachte wordt daarvan vrijgesproken.

De rechtbank veroordeelt de verdachte tot een gevangenisstraf voor de duur van

4 (vier) jaar.

De tijd, door de verdachte vóór de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in verzekering en voorlopige hechtenis doorgebracht, zal bij de tenuitvoerlegging van de opgelegde gevangenisstraf in mindering worden gebracht.

De rechtbank bepaalt dat de benadeelde partijen (benadeelde partij 1), (benadeelde partij 3),

(benadeelde partij 2) en (benadeelde partij 4)in hun vorderingen niet ontvankelijk zijn en dat zij hun vorderingen slechts bij de burgerlijke rechter kunnen aanbrengen.

Aldus gewezen door mr. C.A.M. Heeregrave, voorzitter, mrs. H. Heins en

G.E.A. Neppelenbroek, rechters, in tegenwoordigheid van W.F. Grotenhuis en

A. Samson als griffiers en uitgesproken ter openbare terechtzitting van 3 december 2009.