Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBZLY:2009:BK4773

Instantie
Rechtbank Zwolle-Lelystad
Datum uitspraak
19-11-2009
Datum publicatie
30-11-2009
Zaaknummer
07/993015-08
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

mensensmokkel, strafmaatmotivering, speciale preventie.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

RECHTBANK ZWOLLE - LELYSTAD

Sector Strafrecht - Meervoudige Strafkamer

Parketnummer: 07.993015-08 (P)

Uitspraak: 19 november 2009

VONNIS IN DE STRAFZAAK VAN:

het openbaar ministerie

tegen

(verdachte)

geboren op (geboortejaar),

wonende te (adres)

ONDERZOEK TER TERECHTZITTING

Het onderzoek ter terechtzitting heeft plaatsgevonden op 5 november 2009.

De verdachte is verschenen, bijgestaan door mr. J. Vlug, advocaat te Deventer.

Als officier van justitie was aanwezig mr. J.W. Bollen.

TENLASTELEGGING

De verdachte is ten laste gelegd dat:

1.

zij op verschillende tijdstippen in de periode van omstreeks 01 januari 2008 tot en met 23 februari 2008 in de gemeente Deventer, althans (elders) in Nederland, uit winstbejag een of meer personen, te weten de zich noemende (naam 1) en/of (naam 2) (telkens) behulpzaam is geweest bij het zich verschaffen van verblijf in Nederland, dan wel hem/hen daartoe uit winstbejag gelegenheid, middelen of inlichtingen heeft/hebben verschaft door het geven van onderdak (in de woning boven het restaurant aan de adres) alsmede het verstrekken van een baan en inkomsten terwijl zij, verdachte, (telkens) wist dan wel ernstig redenen had te vermoeden dat het verblijf wederrechtelijk was

zulks terwijl zij in de periode van 01 januari 2008 tot en met 23 februari 2008 daarvan een beroep of gewoonte heeft gemaakt,

artikel 197a lid 2 Wetboek van Strafrecht

2.

zij op verschillende tijdstippen in de periode van omstreeks 01 januari 2008 tot en met 23 februari 2008 in de gemeente Deventer, althans (elders) in Nederland, een of meer personen, te weten de zich noemende (naam 1) en/of (naam 2) welke personen zich wederrechtelijk de toegang tot of verblijf in Nederland heeft/hebben verschaft (telkens) krachtens overeenkomst of aanstelling arbeid heeft doen verrichten (te weten bij naam restaurant te Deventer), terwijl zij, verdachte (telkens) wist of ernstige redenen had om te vermoeden dat die toegang of dat verblijf wederrechtelijk was,

en/of zulks terwijl zij in de periode van 01 januari 2008 tot en met 23 februari 2008 daarvan een beroep of gewoonte heeft gemaakt.

Artike 197c Wetboek van Strafrecht

VOORVRAGEN

De rechtbank heeft vastgesteld dat de dagvaarding geldig is, dat zijzelf bevoegd is tot kennisneming van deze zaak, dat de officier van justitie ontvankelijk is in zijn vervolging en dat er geen redenen zijn voor schorsing van de vervolging.

Het ter terechtzitting door de verdediging aangevoerde preliminaire verweer dat het openbaar ministerie niet-ontvankelijk verklaard dient te worden in zijn vervolging, heeft de rechtbank ter terechtzitting verworpen.

BEWIJSMOTIVERING

Aanleiding

Op zaterdag 23 februari 2008 heeft in het kader van het project Horeca Interventie Team (HIT) een gezamenlijke werkplekcontrole plaatsgevonden in een (naam restaurant) op het adres (adres) . Deze controle is uitgevoerd door medewerkers van de Arbeidsinspectie, Belastingdienst, Gemeentelijke Sociale Dienst en Vreemdelingenpolitie regio IJsselland. Bij deze controle zijn twee vreemdelingen aangetroffen in de keuken van het restaurant met mogelijk een illegale status. Deze vreemdelingen zijn opgehouden in het kader van de Vreemdelingenwet en vervolgens in bewaring gesteld. Tevens zijn van hen foto’s gemaakt die voorzien zijn van de nummers D01-26 en D01-27 . Verdachte, zijnde de eigenaresse van het restaurant, is aangehouden . De Sociale Inlichtingen- en Opsporingsdienst (SIOD) te Arnhem heeft een nader onderzoek ingesteld.

Het standpunt van het openbaar ministerie

De officier van justitie acht wettig en overtuigend bewezen dat verdachte de tenlastegelegde feiten heeft gepleegd en baseert zich daarbij op het volgende. Bij voornoemde controle zijn twee werkende illegalen aangetroffen. Gelet hierop en op grond van de verklaring van (naam 3) en de verklaring van verdachte zelf, is hetgeen onder 1 ten laste is gelegd bewezen. Er is sprake van eendaadse samenloop met het onder 2 tenlastgelegde, dat eveneens bewezen kan worden verklaard op grond van bovengenoemde stukken.

Het standpunt van de verdediging

De verdediging is van mening dat de rechtbank niet tot een bewezenverklaring kan komen en wijst daarbij op het volgende. Hetgeen onder 1 ten laste is gelegd kan niet bewezen worden omdat uit een enkele tewerkstelling niet volgt dat sprake is geweest van behulpzaamheid bij het zich verschaffen van wederrechtelijk verblijf. Verdachte heeft niet geholpen om personen op illegale wijze Nederland binnen te laten komen. Steun voor dit standpunt vindt de verdediging in een uitspraak van de Rechtbank ’s-Gravenhage van 23 april 2009 (LJN: BI3173). Daarnaast is niet bewezen dat verdachte uit winstbejag heeft gehandeld. Ten aanzien van het onder 2 tenlastegelegde is niet gebleken van een beroep of gewoonte terwijl meehelpen in de keuken in ruil voor voedsel en onderdak bovendien niet als een overeenkomst of aanstelling kan worden aangemerkt, zodat ook dit feit niet bewezen kan worden.

Het oordeel van de rechtbank

Verdachte heeft tegenover de SIOD verklaard dat de mannen op de foto’s voorzien van nummer D01-26 en D01-27 in de periode van januari tot en met februari 2008 hebben geholpen in de keuken . In totaal hebben ze in deze periode 14 dagen voor haar gewerkt. In ruil voor arbeid heeft zij deze mannen onderdak geboden in de woning boven het restaurant. Zij vond het wel voldoende om alleen eten en onderdak te bieden in ruil voor de hulp in de keuken

De man op foto D01-26, genaamd (verdachte), verbleef in de kamer die recht tegenover de trap is gelegen en de andere man op foto D01-27, die door de politie (naam 1) wordt genoemd, verbleef in de kamer die links voorin op de tweede verdieping is gelegen .

Beide mannen heeft zij eerder gezien bij het Boreel Casino . Zij hebben zich niet gelegitimeerd. In de Chinese cultuur is het niet gebruikelijk om dat de vragen. Als Chinese mannen uit een goktent komen, niets te eten en geen verblijfplaats hebben, dan denkt verdachte dat het mogelijk illegalen zouden kunnen zijn .

Getuige (naam 3) heeft verklaard dat zij vanaf 1 januari 2008 dagelijks van 17.00 tot 20.00 uur in het restaurant heeft gewerkt . Zij herkent de personen op de foto’s voorzien van nummer D01-26 en D01-027. Beide personen werkten al in de keuken van het restaurant toen zij er kwam werken en zij vermoed dat deze twee personen boven het restaurant woonden omdat boven het pand 10 kamers en 2 badkamers zijn. Deze personen kwamen altijd van achteren zodat zij het vermoeden heeft dat ze van de verblijfplaats van boven het restaurant kwamen.

Getuige (naam 4) heeft verklaard dat hij op 23 februari 2008 is aangehouden in de keuken van het restaurant . Hij heeft bij het restaurant gevraagd om eten en geld en heeft in de keuken geholpen . (verdachte) heeft hem geen toestemming gegeven om te slapen boven het restaurant . Zij heeft hem niet gevraagd om een identiteitsbewijs, ze weet dat hij illegaal is en niet in Nederland mag wonen en werken .

Uit dactyloscopisch onderzoek blijkt dat deze getuige geregistreerd staat onder de naam (naam 1) .

Getuige (naam 2) heeft verklaard dat hij aan (verdachte) heeft gevraagd of hij mocht werken voor wat eten . Als de politie op 23 februari 2008 niet zo vroeg was gekomen en hij had schoongemaakt en afgewassen dan schat hij in dat hij buiten het eten ongeveer 2 of 3 euro zou hebben gekregen. Hij mocht niet blijven slapen want (verdachte) vertelde hem dat hij weer weg moest. Volgens hem weet iedere Chinees dat als je op de manier om werk komt vragen, je dan als chinees illegaal in Nederland bent en dus voor eten, onderdak en geld afhankelijk bent van je landgenoten. (verdachte) heeft hem niet om een identiteitsbewijs gevraagd . Het is voor hem moeilijk om werk te vinden omdat hij geen verblijfsvergunning heeft .

Gelet op de voorhanden bewijsmiddelen is de rechtbank van oordeel dat hetgeen onder 1 ten laste is gelegd bewezen kan worden verklaard. Verdachte heeft (naam 1) en (naam 2) hulp gegeven bij hun verblijf in Nederland. De rechtbank gaat er vanuit dat deze hulp heeft bestaan uit het verstrekken van voedsel en onderdak in ruil waarvoor de betrokken vreemdelingen werkzaamheden in de keuken hebben verricht. Verdachte heeft zelf verklaard dat zij de betrokken vreemdelingen naast voedsel ook onderdak heeft geboden en heeft in dat verband specifiek aangegeven waar zij in de woning boven het restaurant hebben verbleven. Haar verklaring wordt bovendien ondersteund door de verklaring van de onafhankelijke getuige (naam 3). Gelet hierop gaat de rechtbank voorbij aan de verklaring van getuigen (naam 1) en (naam 2) dat verdachte hen geen onderdak zou hebben verstrekt.

Het geven van hulp bij het verblijf aan personen in Nederland is strafbaar als deze hulp verstrekt wordt aan personen die wederrechtelijk hier te lande verblijven. Dat de betrokken vreemdelingen daadwerkelijk wederrechtelijk in Nederland verbleven leidt de rechtbank af uit de verklaringen van de betrokken vreemdelingen zelf. Gelet op de inhoud van deze verklaringen en de eigen verklaring van verdachte, is de rechtbank van oordeel dat verdachte van de wederrechtelijkheid van het verblijf op de hoogte moet zijn geweest.

De rechtbank verwerpt de verweren door de raadsman aangevoerd in het kader van hetgeen onder feit 1 ten laste is gelegd.

Op grond van artikel 197a, tweede lid, van het Wetboek van Stafrecht kunnen worden gestraft zij die, zonder de betrokkene behulpzaam te zijn geweest bij het verschaffen van toegang tot Nederland, behulpzaam zijn geweest bij het verschaffen van wederrechtelijk verblijf in Nederland of daartoe gelegenheid, middelen of inlichtingen hebben verschaft.

Uit de wetsgeschiedenis volgt dat ook opvang en begeleiding in het land van bestemming onder de bepaling vallen (Tweede Kamer 1995-1995, 24 269, nr. 5, p. 9). Voor zover is aangevoerd dat de verdachte niet behulpzaam is geweest bij de illegale binnenkomst in Nederland van deze personen, staat zulks derhalve niet in de weg aan de strafbaarheid van het behulpzaam zijn bij het verblijven in Nederland. De door de verdediging aangevoerde jurisprudentie biedt geen aanknopingspunt voor een ander oordeel.

Anders dan de verdediging is de rechtbank voorts van oordeel dat is voldaan aan het vereiste dat de dader van artikel 197a, tweede lid, van het Wetboek van Strafrecht, die helpt bij het verschaffen van verblijf, moet hebben gehandeld uit winstbejag. De rechtbank acht daarbij van belang de eigen verklaring van verdachte, dat de vreemdelingen gedurende een periode van bijna twee maanden 14 dagen voor haar hebben gewerkt en dat zij het wel voldoende vond om alleen eten en onderdak te bieden in ruil voor de hulp in de keuken. Verdachte heeft hierdoor de beschikking gehad over relatief goedkope arbeidskrachten waardoor zij in een economisch gunstiger toestand is komen te verkeren. Niet is vereist dat verdachte in bedrijfseconomische zin ‘winst’ heeft nagestreefd of gemaakt.

Gelet op de genoemde bewijsmiddelen is de rechtbank van oordeel dat tevens hetgeen onder feit 2 ten laste is gelegd bewezen kan worden verklaard.

Uit de verklaringen van verdachte en getuigen (naam 1) en (naam 2) blijkt dat zij werkzaamheden in de keuken van het restaurant hebben verricht met kost en inwoning als tegenprestatie. Hieruit leidt de rechtbank af dat verdachte krachtens (mondelinge) overeenkomst arbeid heeft laten verrichten. Het op dit onderdeel aangevoerde verweer wordt derhalve verworpen.

Naar het oordeel van de rechtbank is niet wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte van de haar ten laste gelegde gedragingen een beroep of gewoonte heeft gemaakt. De verdachte zal hiervan dan ook worden vrijgesproken.

BEWEZENVERKLARING

De rechtbank acht derhalve wettig en overtuigend bewezen hetgeen de verdachte onder 1 en 2 ten laste is gelegd, met dien verstande dat

1.

zij in de periode van 1 januari 2008 tot en met 23 februari 2008 in de gemeente Deventer, uit winstbejag (naam 1) en (naam 2) bij het verschaffen van verblijf in Nederland telkens gelegenheid en middelen heeft verschaft door het geven van onderdak (in de woning boven het restaurant aan de (adres)) en het verstrekken van een baan terwijl zij, verdachte, telkens wist dat het verblijf wederrechtelijk was.

2.

zij in de periode van 1 januari 2008 tot en met 23 februari 2008 in de gemeente Deventer (naam 1) en (naam 2) welke personen zich wederrechtelijk verblijf in Nederland hebben verschaft telkens krachtens overeenkomst arbeid heeft doen verrichten (te weten bij Chinees restaurant (naam restaurant) te (adres)), terwijl zij, verdachte, telkens wist dat dat verblijf wederrechtelijk was.

Van het meer of anders ten laste gelegde zal de verdachte worden vrijgesproken, aangezien de rechtbank dat niet wettig en overtuigend bewezen acht.

Taal- en/of schrijffouten

Voor zover in de tenlastelegging taal- en/of schrijffouten en/of kennelijke omissies voorkomen, zijn deze in de bewezenverklaring verbeterd. De verdachte is daardoor niet geschaad in de verdediging.

KWALIFICATIE

Het onder 1 bewezene levert op:

Het een ander uit winstbejag bij het zich verschaffen van verblijf in Nederland gelegenheid en middelen verschaffen, terwijl hij weet dat dat verblijf wederrechtelijk is.

strafbaar gesteld bij artikel 197a, tweede lid, van het Wetboek van Strafrecht.

Het onder 2 bewezene levert op:

Het een ander, die zich wederrechtelijk toegang tot of verblijf in Nederland heeft verschaft, krachtens overeenkomst arbeid doen verrichten, terwijl hij weet of ernstige reden heeft om te vermoeden dat de toegang of dat verblijf wederrechtelijk is,

strafbaar gesteld bij artikel 197b van het Wetboek van Strafrecht.

DE STRAFBAARHEID

Er zijn geen feiten of omstandigheden die de strafbaarheid van het bewezenverklaarde uitsluiten. Dit levert de genoemde strafbare feiten op.

Er zijn ook geen feiten of omstandigheden die de strafbaarheid van de verdachte uitsluiten. De verdachte is derhalve strafbaar.

OPLEGGING VAN STRAF EN/OF MAATREGEL

Het standpunt van het openbaar ministerie

De officier van justitie heeft op grond van hetgeen hij bewezen heeft geacht gevorderd aan verdachte op te leggen een werkstraf van 180 uur en een gevangenisstraf van twee maanden voorwaardelijk met een proeftijd van twee jaar.

Het standpunt van de verdediging

Door en namens verdachte is bepleit een geheel voorwaardelijke straf op te leggen. Een werkstraf zou zeer belastend zijn voor verdachte.

Het oordeel van de rechtbank

De rechtbank heeft de op te leggen straf bepaald op grond van de aard en de ernst van het

bewezen en strafbaar verklaarde, op de omstandigheden waaronder verdachte zich daaraan

heeft schuldig gemaakt en op de persoon van verdachte, zoals van een en ander uit het

onderzoek ter terechtzitting is gebleken.

De rechtbank heeft daarbij in het bijzonder het volgende in beschouwing genomen.

De rechtbank stelt vast dat ter zake de onder 1 en 2 ten laste gelegde en bewezen verklaarde

feiten sprake is van eendaadse samenloop als bedoeld in artikel 55 van het Wetboek van

Strafrecht zodat zij – gelet op het bepaalde in voornoemd artikel – bij de bepaling van de

strafmaat zal uitgaan van de strafbepaling waarop de zwaarste hoofdstraf is gesteld.

Verdachte heeft in ruil voor hulp in de keuken van het restaurant onderdak en voedsel

verschaft aan personen van wie zij wist dat deze illegaal in Nederland waren. Hiermee

heeft verdachte zelf voordeel behaald. Daarnaast heeft zij illegaal verblijf in Nederland in de

hand gewerkt en heeft zij bijgedragen aan het frustreren van beleid van de Nederlandse

overheid met betrekking tot het verblijf van illegalen in Nederland.

In dit geval is er naar het oordeel van de rechtbank echter sprake van een lichtere vorm van

mensensmokkel. Verdachte heeft het wederrechtelijk verblijf van de betrokken

vreemdelingen gedurende een relatief korte periode begunstigd. Niet gebleken is dat

verdachte heeft gehandeld in het kader van een gestructureerd en duurzaam

samenwerkingsverband gericht op mensensmokkel.

De rechtbank heeft voorts acht geslagen op het Uitreksel Justitiële Documentatie d.d. 5

augustus 2009. Daaruit blijkt dat verdachte niet eerder voor soortgelijke misdrijven is

veroordeeld. Zij is wel meermalen veroordeeld ter zake van overtreding van de Wet arbeid

vreemdelingen en heeft daarvoor geldboetes opgelegd gekregen.

De rechtbank houdt tevens rekening met het feit dat verdachte ten aanzien van de betrokken

vreemdelingen reeds een bestuursrechtelijke boete van € 8.000,-- is opgelegd op grond van

de Wet arbeid vreemdelingen.

De rechtbank gaat er vanuit dat verdachte, gelet op de omstandigheid dat zij door haar werk en privé-omstandigheden mogelijk opnieuw in aanraking zal komen met personen die illegaal in Nederland aanwezig zijn, gemakkelijk in de verleiding zal kunnen komen om opnieuw en op vergelijkbare wijze illegalen aan voedsel, onderdak en werk te helpen. Met het oog daarop acht de rechtbank een zwaardere straf op zijn plaats, opdat daarvan een voldoende preventieve werking zal uitgaan. Anderzijds zal de rechtbank bepalen dat een deel van de straf voorwaardelijk niet tenuitvoergelegd zal worden, nu verdachte niet eerder voor mensensmokkel is veroordeeld en het voorwaardelijk deel van de straf voor verdachte nog als waarschuwing kan gelden.

Alles afwegend is de rechtbank van oordeel dat een werkstraf van 100 uur en een

voorwaardelijke gevangenisstraf van twee maanden passend en geboden is.

WETTELIJKE VOORSCHRIFTEN

De oplegging van straf of maatregel is, behalve op de reeds aangehaalde wettelijke voorschriften, gegrond op de artikelen 10, 14a, 14b, 14c, 14d, 22c, 22d en 27 van het Wetboek van Strafrecht.

BESLISSING

Het onder 1 en 2 ten laste gelegde is bewezen zoals hiervoor aangegeven en levert de strafbare feiten op, zoals hiervoor vermeld. De verdachte is deswege strafbaar.

Het meer of anders ten laste gelegde is niet bewezen en de verdachte wordt daarvan vrijgesproken.

De rechtbank veroordeelt de verdachte tot een gevangenisstraf voor de duur van twee maanden. De gevangenisstraf zal niet worden tenuitvoergelegd, tenzij de rechter later anders mocht gelasten op grond van het feit dat de verdachte zich voor het einde van een proeftijd van twee jaar aan een strafbaar feit heeft schuldig gemaakt.

De rechtbank legt aan verdachte op een taakstraf, te weten de werkstraf het verrichten van onbetaalde arbeid gedurende 100 uren.

De rechtbank beveelt dat voor het geval de veroordeelde de taakstraf niet of niet naar behoren verricht de taakstraf wordt vervangen door 50 dagen hechtenis, althans een aantal dagen hechtenis dat evenredig is aan het niet verrichte aantal uren taakstraf .

De tijd, door verdachte voor de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in verzekering en voorlopige hechtenis doorgebracht, zal bij de tenuitvoerlegging van de opgelegde taakstraf in mindering worden gebracht, berekend naar de maatstaf van 2 uren taakstraf per dag.

Aldus gewezen door mr. M.A. Wijnands-Veninga, voorzitter, mrs. F. Koster en M. Willemse, rechters, in tegenwoordigheid van mr. H. Lageveen als griffier en uitgesproken ter openbare terechtzitting van 19 november 2009.