Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBZLY:2009:BK4758

Instantie
Rechtbank Zwolle-Lelystad
Datum uitspraak
24-11-2009
Datum publicatie
30-11-2009
Zaaknummer
07/440261-08
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

ambulancemedewerker, ambulancepersoneel, mishandeling?

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

RECHTBANK ZWOLLE - LELYSTAD

Sector Strafrecht - Meervoudige Strafkamer

Parketnummer: 07.440261-08 + 17/400022-08 (tul) (P)

Uitspraak: 24 november 2009

VONNIS IN DE STRAFZAAK VAN:

het openbaar ministerie

tegen

(verdachte)

geboren op (geboortejaar)

wonende te (adres)

ONDERZOEK TER TERECHTZITTING

Het onderzoek ter terechtzitting heeft plaatsgevonden op 10 november 2009.

De verdachte is verschenen, bijgestaan door mr. J.A.M. Kwakman, advocaat te Deventer.

Als officier van justitie was aanwezig mr. B.C. van Haren.

TENLASTELEGGING

De verdachte is ten laste gelegd dat:

1.

hij in of omstreeks de nacht van 30 op 31 december 2008 te Colmschate, gemeente Deventer, opzettelijk mishandelend zijn moeder, althans een persoon, te weten (naam slachtoffer 1), op/tegen diens arm heeft geslagen en/of op/tegen diens lichaam heeft geduwd, waardoor deze letsel heeft bekomen en/of pijn heeft ondervonden;

art 304 ahf/sub 1 Wetboek van Strafrecht

art 300 lid 1 Wetboek van Strafrecht

2

hij op of omstreeks 14 juni 2009 in de gemeente Deventer opzettelijk mishandelend een persoon (te weten (naam slachtoffer 2)), meermalen, althans eenmaal, in het gezicht en/of tegen het hoofd, heeft gestompt/geslagen, waardoor deze letsel heeft bekomen en/of pijn heeft ondervonden;

(parketnummer 440153/09)

art 300 lid 1 Wetboek van Strafrecht

3

hij op of omstreeks 14 juni 2009 in de gemeente Deventer als bestuurder van een voertuig, (personenauto), dit voertuig heeft bestuurd, na zodanig gebruik van alcoholhoudende drank, dat het alcoholgehalte van zijn adem bij een onderzoek, als bedoeld in artikel 8, tweede lid aanhef en onder a van de Wegenverkeerswet 1994, 455 microgram, in elk geval hoger dan 220 microgram, alcohol per liter uitgeademde lucht bleek te zijn;

(parketnummer 440153/09)

art 8 lid 2 ahf/ond a Wegenverkeerswet 1994

VOORVRAGEN

De rechtbank heeft vastgesteld dat de dagvaarding geldig is, dat zijzelf bevoegd is tot kennisneming van deze zaak, dat de officier van justitie ontvankelijk is in haar vervolging en dat er geen redenen zijn voor schorsing van de vervolging.

DE BEWIJSMIDDELEN EN DE BEOORDELING DAARVAN

Het standpunt van het openbaar ministerie

Op grond van de in het dossier voorhanden zijnde verklaringen en bevindingen acht de officier van justitie de onder 1,2 en 3 ten laste gelegde feiten wettig en overtuigend bewezen.

Het standpunt van de verdediging

Ten aanzien van het onder 1 ten laste gelegde feit heeft de verdediging zich op het standpunt gesteld dat verdachte dient te worden vrijgesproken. Daartoe is aangevoerd dat niet is gebleken dat (naam slachtoffer 1) pijn heeft ondervonden. Het proces-verbaal van bevindingen, waarin haar relaas over de bewuste avond door de verbalisanten is opgetekend, heeft zij niet ondertekend, terwijl verdachte heeft verklaard dat hij haar geen klap, maar een duw heeft gegeven en dat is minder pijnlijk dan een klap. Weliswaar heeft verdachte zelf verklaard dat dit haar pijn deed maar niet uit te sluiten valt dat deze woorden hem door de politie in de mond zijn gelegd. Hetgeen onder 2 ten laste is gelegd kan volgens de verdediging bewezen worden verklaard. Ten aanzien van het onder 3 ten laste gelegde heeft de verdediging geen standpunt ingenomen.

Het oordeel van de rechtbank

De rechtbank overweegt, op grond van de hierna in voetnoten vermelde bewijsmiddelen , het navolgende.

Ten aanzien van het onder 1 ten laste gelegde

(naam slachtoffer 1), de moeder van verdachte, heeft geen aangifte gedaan van mishandeling door verdachte. Evenmin heeft zij zelf een verklaring afgelegd over het incident in de nacht van 30 op 31 december 2008 en de gevolgen daarvan. Bij gebreke daarvan is voor de rechtbank niet komen vast te staan dat zij letsel heeft bekomen en/of pijn heeft ondervonden. Hetgeen daaromtrent is verwoord in het proces-verbaal van bevindingen en de verklaring van verdachte zelf acht de rechtbank daartoe onvoldoende.

De rechtbank zal verdachte dan ook vrijspreken van het onder 1 ten laste gelegde feit.

Ten aanzien van het onder 2 ten laste gelegde

De rechtbank is van oordeel dat dit feit wettig en overtuigend bewezen kan worden gelet op de bekennende verklaring van verdachte , de verklaringen van getuige (naam getuige 1) en (naam getuige 2) en de aangifte door (naam slachtoffer 2) .

Ten aanzien van het onder 3 ten laste gelegde

Verdachte heeft erkend dat hij op 14 juni 2009 alcohol heeft gedronken en in zijn auto is gestapt waarna hij het onder 2 ten laste gelegde feit heeft begaan. Dat verdachte onder invloed van alcohol is geweest wordt bevestigd door het onderzoeksresultaat van de ademanalyse, die op 14 juni 2009 kort na zijn aanhouding in verband met het onder 2 ten laste gelegde feit bij hem is afgenomen, en die heeft uitgewezen dat verdachte een alcoholgehalte van 455 microgram alcohol per liter uitgeademde lucht had .

BEWEZENVERKLARING

De rechtbank acht derhalve wettig en overtuigend bewezen hetgeen de verdachte onder 2 en 3 ten laste is gelegd, met dien verstande dat

hij op 14 juni 2009 in de gemeente Deventer opzettelijk mishandelend (naam slachtoffer 2) meermalen in het gezicht heeft geslagen, waardoor deze pijn heeft ondervonden;

hij op 14 juni 2009 in de gemeente Deventer als bestuurder van een voertuig, (personenauto), dit voertuig heeft bestuurd, na zodanig gebruik van alcoholhoudende drank, dat het alcoholgehalte van zijn adem bij een onderzoek, als bedoeld in artikel 8, tweede lid aanhef en onder a van de Wegenverkeerswet 1994, 455 microgram, in elk geval hoger dan 220 microgram, alcohol per liter uitgeademde lucht bleek te zijn;

Van het meer of anders ten laste gelegde zal de verdachte worden vrijgesproken, aangezien de rechtbank dat niet wettig en overtuigend bewezen acht.

KWALIFICATIE

Het onder 2 bewezene levert op:

Mishandeling

Strafbaar gesteld bij artikel 300 van het Wetboek van Strafrecht

Het onder 3 bewezene levert op:

Overtreding van artikel 8 Wegenverkeerswet 1994

Strafbaar gesteld bij artikel 176 van de Wegenverkeerswet 1994

DE STRAFBAARHEID

Er zijn geen feiten of omstandigheden die de strafbaarheid van het bewezenverklaarde uitsluiten. Dit levert de genoemde strafbare feiten op.

Er zijn ook geen feiten of omstandigheden die de strafbaarheid van de verdachte uitsluiten. De verdachte is derhalve strafbaar.

OPLEGGING VAN STRAF EN/OF MAATREGEL

Het standpunt van het openbaar ministerie

De officier van justitie heeft op grond van hetgeen zij bewezen heeft geacht gevorderd aan verdachte op te leggen een werkstraf van 120 uur en een gevangenisstraf van twee maanden voorwaardelijk met een proeftijd van twee jaar, met de bijzondere voorwaarden zoals vermeld in het rapport van de reclassering van 15 juni 2009. Tevens is een onvoorwaardelijke ontzegging van de rijbevoegdheid gevorderd voor de duur van 9 maanden en opheffing van de voorlopige hechtenis.

Ter onderbouwing van haar vordering heeft de officier van justitie verklaard dat zij enerzijds de ernst van de strafbare feiten en het strafblad van verdachte in aanmerking heeft genomen, maar dat verdachte anderzijds beschikt over een vast dienstverband en een daarmee gepaard gaand regelmatig levensritme dat zij niet wil verstoren.

Het standpunt van de verdediging

De verdediging heeft aangevoerd dat verdachte weliswaar een strafblad heeft maar dat in het verleden geen effectieve hulpverlening heeft plaatsgevonden terwijl verdachte thans hulpverlening niet meer afhoudt. Verzocht is hiermee rekening te houden. Voorts dient in aanmerking te worden genomen dat verdachte reeds 11 dagen in voorlopige hechtenis heeft gezeten. In geval een gevangenisstraf opgelegd zal worden, bestaat het risico dat verdachte zijn baan zal verliezen en de behandeling die hij nu ondergaat zal worden doorkruist. Een deels voorwaardelijke straf met als bijzondere voorwaarde reclasseringstoezicht is op zijn plaats. Tot slot is bepleit om geen onvoorwaardelijke ontzegging van de rijbevoegdheid op te leggen. Een dergelijke eis past niet past bij de richtlijn. Bovendien is verdachte voor zijn werk afhankelijk van zijn rijbewijs.

Het oordeel van de rechtbank

De rechtbank heeft de op te leggen straf bepaald op grond van de aard en de ernst van het

bewezen en strafbaar verklaarde, op de omstandigheden waaronder verdachte zich daaraan

heeft schuldig gemaakt en op de persoon van verdachte, zoals van een en ander uit het

onderzoek ter terechtzitting is gebleken.

De rechtbank heeft bij de keuze tot het opleggen van een straf en bij de vaststelling van de

duur daarvan in het bijzonder het volgende in beschouwing genomen.

Naar het oordeel van de rechtbank is sprake van ernstige strafbare feiten.

Verdachte heeft zich schuldig gemaakt aan forse mishandeling van een

ambulancemedewerker die bezig was met spoed een patiënt naar het ziekenhuis te vervoeren.

De betrokken ambulancemedewerker is erg geschrokken en is door het handelen van

verdachte, die de ambulance heeft klemgereden en de ambulancemedewerker door het

openstaande raampje meermaals in het gezicht heeft geslagen, in ernstige mate gehinderd

in de uitoefening van zijn werkzaamheden. Daarnaast is zijn gevoel van veiligheid alsmede

dat van zijn collega’s door dit incident aangetast, hetgeen hen in negatieve zin kan

beïnvloeden in hun moeilijke en verantwoordelijke werk. Verdachte heeft bovendien

volstrekt geen rekening gehouden met de patiënt in de ambulance die op dat moment

medische zorg nodig had.

Verdachte heeft zich voorts schuldig gemaakt aan rijden onder invloed.

De rechtbank heeft kennis genomen van de uitlating van verdachte ter terechtzitting dat de

ambulancemedewerker fout was omdat hij door rood reed. Weliswaar heeft de raadsvrouw

van verdachte gesteld dat verdachte hiermee zijn gedrag niet heeft willen verontschuldigen

maar daarvoor een verklaring heeft willen geven, doch de rechtbank is er op grond van deze

uitlating niet van overtuigd geraakt dat verdachte verantwoordelijkheid voor zijn

gedragingen neemt.

De rechtbank heeft voorts acht geslagen op het Uittreksel Justitiële Documentatie

d.d. 6 oktober 2009, waaruit blijkt dat verdachte eerder is veroordeeld voor strafbare feiten,

en het voorlichtingsrapport van de reclassering van 15 juni 2009. Daarin

wordt geconcludeerd dat een voorwaardelijke straf vergezeld dient te gaan van de

volgende bijzondere voorwaarden:

- reclasseringstoezicht;

- verdachte continueert de huidige behandeling bij De Tender;

- verdachte werkt mee aan een IQ-test en het opstellen van een delictketen en risicotaxatie door De Tender;

- verdachte laat zich verwijzen naar een verslavingsinstelling en accepteert, indien geïndiceerd, een behandelaanbod.

Alles afwegend is de rechtbank van oordeel dat een werkstraf van 120 uur recht doet aan de

ernst van de feiten. Daarnaast is de rechtbank van oordeel dat een voorwaardelijke

gevangenisstraf voor de duur van twee maanden met een proeftijd van twee jaar opgelegd

dient te worden met de bijzondere voorwaarden zoals vermeld in het voorlichtingsrapport

van de reclassering van 15 juni 2009. De rechtbank heeft in ogenschouw genomen dat

verdachte het in verband met zijn werkzaamheden niet goed zonder rijbewijs kan stellen,

maar ziet in de meervoudige recidive van verdachte ter zake overtreding van artikel 8 van de

Wegenverkeerswet 1994 aanleiding aan verdachte een geheel onvoorwaardelijke ontzegging

van de rijbevoegdheid op te leggen voor de duur van zes maanden. Anders dan de

raadsvrouw van verdachte heeft betoogd bieden de oriëntatiepunten van het Landelijk

overleg van de strafsector van de gerechtshoven en de rechtbanken (LOVS) daarvoor wel

degelijk ruimte.

Benadeelde partij

De benadeelde partij, (naam slachtoffer 2), heeft zich met een vordering tot schadevergoeding ten bedrage van € 450,-- (immateriële schade) gevoegd in het strafproces ten aanzien van het onder 2 ten laste gelegde.

Uit het onderzoek ter terechtzitting is de rechtbank gebleken dat de vordering van benadeelde partij (naam slachtoffer 2) van zo eenvoudige aard is dat zij zich leent voor de behandeling in dit strafgeding. Tevens is komen vast te staan dat de benadeelde partij als gevolg van het onder 2 bewezen verklaarde feit rechtstreeks schade heeft geleden. De rechtbank waardeert deze op een bedrag van € 450,--, zijnde het gevorderde bedrag, welk bedrag de rechtbank ook billijk voorkomt.

In het belang van de benadeelde partij wordt, als extra waarborg voor betaling, de maatregel van artikel 36f van het Wetboek van Strafrecht aan verdachte opgelegd.

Vordering tenuitvoerlegging voorwaardelijke veroordeling

De officier van justitie heeft gevorderd dat de rechtbank zal gelasten dat de bij vonnis van de politierechter van de rechtbank Leeuwarden van 21 januari 2009 in de zaak met parketnummer 17/400022-08 aan de verdachte opgelegde voorwaardelijke straf zal worden ten uitvoer gelegd.

Naar het oordeel van de rechtbank is de vordering gegrond, nu uit de inhoud van dit vonnis blijkt dat verdachte niet heeft nageleefd de voorwaarde voor het einde van de proeftijd zich niet schuldig te zullen maken aan een strafbaar feit.

Gelet op het voorgaande en op het bepaalde in artikel 14g van het Wetboek van Strafrecht acht de rechtbank dan ook termen aanwezig alsnog de gevorderde tenuitvoerlegging te gelasten van voorwaardelijke opgelegde straf te gelasten, een en ander zoals hierna zal worden aangegeven.

Toepasselijke wettelijke voorschriften

Deze strafoplegging is, behalve op de reeds aangehaalde wettelijke voorschriften, gegrond op de artikelen 10, 14a, 14b, 14c, 14h, 14i, 14j, 22c, 22d, 27, 57 en 91 van het Wetboek van Strafrecht en de artikelen 178 en 179 van het Wetboek van Strafrecht.

BESLISSING

Het onder 1 ten laste gelegde is niet bewezen en verdachte wordt daarvan vrijgesproken.

Het onder 2 en 3 ten laste gelegde is bewezen zoals hiervoor aangegeven en levert de strafbare feiten op, zoals hiervoor vermeld. De verdachte is deswege strafbaar.

Het onder 2 en 3 meer of anders ten laste gelegde is niet bewezen en de verdachte wordt daarvan vrijgesproken.

De rechtbank veroordeelt de verdachte tot een gevangenisstraf voor de duur van twee maanden.

De gevangenisstraf zal niet worden tenuitvoergelegd, tenzij de rechter later anders mocht gelasten op grond van het feit dat de verdachte zich voor het einde van een proeftijd van twee jaar aan een strafbaar feit heeft schuldig gemaakt dan wel de navolgende bijzondere voorwaarden niet heeft nageleefd.

De rechtbank stelt als bijzondere voorwaarden:

- dat de verdachte zich gedurende de proeftijd zal gedragen naar de voorschriften en aanwijzingen, te geven door of namens de Reclassering Nederland, zulks zolang deze instelling of een door haar aan te wijzen andere reclasseringsinstelling dat gedurende de proeftijd nodig oordeelt, met opdracht aan die instelling als bedoeld in artikel 14d van het Wetboek van Strafrecht;

- dat verdachte de huidige behandeling bij De Tender continueert;

- dat verdachte meewerkt aan een IQ-test en het opstellen van een delictketen en risicotaxatie door De Tender;

- dat verdachte zich laat verwijzen naar een verslavingsinstelling en, indien geïndiceerd, een behandelaanbod accepteert.

De rechtbank legt aan verdachte voorts op een taakstraf, te weten een werkstraf voor de duur van 120 uren.

De rechtbank beveelt dat voor het geval de veroordeelde de werkstraf niet of niet naar behoren verricht de werkstraf wordt vervangen door 60 dagen hechtenis, althans een aantal dagen hechtenis dat evenredig is aan het niet verrichte aantal uren werkstraf.

De tijd, door verdachte voor de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in verzekering en voorlopige hechtenis doorgebracht, zal bij de tenuitvoerlegging van de opgelegde werkstraf in mindering worden gebracht, berekend naar de maatstaf van twee uren werkstraf per dag.

De rechtbank ontzegt de verdachte de bevoegdheid tot het besturen van motorrijtuigen voor de tijd van zes maanden ten aanzien van het onder 3 bewezenverklaarde feit.

Het (geschorste) bevel tot voorlopige hechtenis wordt opgeheven.

Schadevergoeding

De rechtbank wijst de vordering toe.

De rechtbank veroordeelt de verdachte tot betaling aan de benadeelde partij (naam slachtoffer 2) van een bedrag van € 450,-- (zegge: vierhonderdvijftig).

De verdachte wordt voorts veroordeeld in de kosten, door de benadeelde partij gemaakt, tot op heden begroot op nihil, en ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog te maken.

De rechtbank legt op aan verdachte de verplichting tot betaling aan de Staat van een bedrag, groot € 450,--, ten behoeve van de benadeelde partij (naam slachtoffer 2), bij gebreke van betaling en verhaal te vervangen door 9 dagen hechtenis.

De rechtbank bepaalt dat, indien verdachte heeft voldaan aan zijn verplichting tot betaling aan de Staat daarmee zijn verplichting tot betaling aan de benadeelde partij in zoverre komt te vervallen en andersom dat, indien verdachte heeft voldaan aan zijn verplichting tot betaling aan de benadeelde partij daarmee zijn verplichting tot betaling aan de Staat in zoverre komt te vervallen.

Ten aanzien van de vordering tenuitvoerlegging

De rechtbank wijst de vordering toe.

De rechtbank gelast de tenuitvoerlegging van de in de zaak met parketnummer 17/400022-08 bij vonnis d.d. 21 januari 2009 van de politierechter van de rechtbank Leeuwarden voorwaardelijk aan verdachte opgelegde straf, te weten een werkstraf van 20 uren subsidiair 10 dagen hechtenis.

Aldus gewezen door mr. M. Willemse, voorzitter, mrs. G.P. Nieuwenhuis en mr. L.J.C. Hangx, rechters, in tegenwoordigheid van mr. J.W. Sijnstra-Meijer als griffier en uitgesproken ter openbare terechtzitting van 24 november 2009.