Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBZLY:2009:BK3228

Instantie
Rechtbank Zwolle-Lelystad
Datum uitspraak
02-09-2009
Datum publicatie
18-11-2009
Zaaknummer
151759 / HA ZA 08-1423
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Na arrest van het hof over verdeling van de ontbonden huwelijksgoederengemeenschap begint de vrouw opnieuw een verdelingsprocedure. Daar is slechts in beperkte mate ruimte voor.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

vonnis

RECHTBANK ZWOLLE-LELYSTAD

Sector civiel recht

zaaknummer / rolnummer: 151759 / HA ZA 08-1423

Vonnis van 2 september 2009

in de zaak van

[A],

wonende te [plaats],

eiseres in conventie,

verweerster in reconventie,

advocaat mr. G.J. Dommerholt,

tegen

[B],

wonende te [plaats],

gedaagde in conventie,

eiser in reconventie,

advocaat mr. J.A.C.H. Hana.

Partijen zullen hierna [A] en [B] genoemd worden.

1. De procedure

1.1. Het verloop van de procedure blijkt uit:

- het tussenvonnis van 20 mei 2009

- de akte overlegging producties van 25 juni 2009 van [A]

- de uitlating van [B]

- de akte wijziging van eis van 1 juli 2009 van [A]

- de uitlating van [A] met overlegging pleitnota met producties

- de conclusie van antwoord in reconventie van [A]

- de uitlating met productie van [B]

- het proces-verbaal van comparitie van 9 juli 2009.

1.2. Ten slotte is vonnis bepaald.

2. Feiten en geschil

in conventie en in reconventie

2.1. Partijen zijn sedert 5 maart 2004 ex-echtgenoten. Zij waren gehuwd in gemeenschap van goederen. Het onderhavige geschil betreft (opnieuw) de verdeling van de ontbonden huwelijksgoederengemeenschap, in het bijzonder de verdeling van, naar [A] stelt en [B] betwist, nog onverdeelde vermogensbestanddelen van [B] in Polen.

2.2. Op de feiten, de vorderingen en verweren van partijen wordt hieronder, voor zover van belang, nader ingegaan.

2.3. Op 23 juni 2004 verklaart [B] ten overstaan van de notaris in het kader van een door de kantonrechter bevolen boedelbeschrijvingsprocedure dat hij geen gelden heeft onttrokken aan de (ontbonden) huwelijksgoederengemeenschap voor investeringen in Polen.

2.4. Bij vonnis d.d. 17 augustus 2004 gelast de voorzieningenrechter [B] opgave te doen van alle rechten en bezittingen, waaronder ook koop- of gebruiksrechten op goederen in Polen alsmede van andere bezittingen die [B] sedert 2002 in Polen heeft verkregen, op straffe van een dwangsom van EUR 1.000,= per dag met een maximum van

EUR 100.000,=.

2.5. Op 2 september 2004 legt [B] als schriftelijke verklaring af - verkort weergegeven - dat hij

- op 28 juli 2003 49% van de aandelen heeft verkregen in de vennootschap Slonecza Farma en dat de betaling van de aandelen ad EUR 9.800,= heeft plaatsgevonden via een op 1 juli 2003 verkregen geldlening;

- in januari 2003 een gebruiksovereenkomst én een koopoptie heeft gesloten ten aanzien van perceel (…), welke beide kort nadien zijn ontbonden en dat zijn verzoek om toestemming aan de Poolse autoriteiten voor de aankoop van dit onroerend goed door hem is ingetrokken, naar blijkt uit een door hem overgelegde verklaring met bijgaande beslissing van de Poolse autoriteiten;

- sedert 2002 geen andere rechten en bezittingen in Polen heeft verkregen.

2.6. De verdeling van de ontbonden huwelijksgoederengemeenschap van partijen is na de eindbeschikking van de rechtbank d.d. 6 december 2006, in hoger beroep door het hof gewijzigd vastgesteld. Na een tussenbeschikking van het hof d.d. 16 juli 2008 oordeelde het hof bij eindbeschikking d.d. 9 oktober 2008 (zaaknummer 107.003.881).

2.7. In de tussenbeschikking van 16 juli 2008 stelt het hof dat ter griffie zijn binnengekomen van de zijde van de vrouw (onder meer) een brief van 6 december 2007 met bijlagen van mr. Dommerholt en nadien faxen (met bijlagen) d.dis. 6 maart, 12 maart, 1 april en 6 juni 2008.

2.8. In de rechtsoverwegingen 10-12 van genoemde tussenbeschikking overweegt het hof als volgt.

In de toelichting op deze grief stelt de man dat hij de leningen bij [betrokkene] en Wijthmen Holding BV is aangegaan voor het oprichten van zijn vennootschap in Polen. In (…) appel stelt hij voorts dat van deze leningen de aandelen in Polen zijn aangekocht, die door de rechtbank bij de verdeling tegen een waarde van EUR 9.800,= aan de man zijn toebedeeld c.q. dienen te worden toegedeeld. Ook de lening bij [B] van

EUR 177.500,= (oorspronkelijk EUR 150.000,=) is volgens de man ingebracht in de Poolse vennootschap.

Nu geen grief is gericht tegen de toedeling van de aandelen voor EUR 9.800,= aan de man en de man geen enkele verklaring heeft gegeven voor het feit dat de aanzienlijke leningen die hij is aangegaan voor het oprichten van de vennootschap in Polen zo drastisch in waarde zijn gedaald dat slechts EUR 9.800,= resteert, is het hof van oordeel dat (…) de man de schulden bij [betrokkene] en Wijthmen Holding BV om niet voor zijn rekening dient te nemen voor zover deze het door de rechtbank toebedeelde bedrag van EUR 9.800,= te boven gaan.

De door de man (…) gedane instemming met het volledig voor zijn rekening nemen van de schuld van EUR 177.500,= begrijpt het hof (…) aldus dat de man akkoord gaat met het voor eigen rekening nemen van deze schuld om niet. Het hof zal deze schuld aldus op die wijze in de verdeling betrekken.

2.9. In de rechtsoverwegingen 38 tot en met 41 van genoemde tussenbeschikking overweegt het hof het navolgende:

In deze grief klaagt de vrouw er over dat de rechtbank de man niet heeft verplicht om alle bescheiden inzake de tijdens het huwelijk van partijen verkregen bezittingen, waaronder die in Polen, over te leggen. Tevens klaagt de vrouw er over dat de rechtbank geen gevolg heeft gegeven aan haar verzoek tot het overmaken van een rogatoire commissie om te achterhalen welke bezittingen de man in Polen heeft.

Het hof stelt bij de beoordeling van deze grief voorop dat het reeds in rechtsoverweging 11 en volgende heeft overwogen dat de man alle schulden, verband houdende met de Poolse vennootschap, om niet voor zijn rekening moet nemen voor zover zij uitstijgen boven het bedrag van EUR 9.800,= waarvoor de aandelen in de Poolse vennootschap aan hem zullen worden toegedeeld. De vrouw heeft in het licht van de gemotiveerde betwisting van de man onvoldoende concreet gesteld dat sprake is van meer goederen in Nederland of in Polen dan reeds bekend zijn. Zo heeft zij onvoldoende concreet gesteld welke goederen de man dan nog meer zou hebben aangeschaft en tegen welke prijs. De vrouw heeft aldus niet voldaan aan haar stelplicht in dezen.

Met het niet voldoen aan de stelplicht, vervalt de noodzaak om in te gaan op het verzoek van de vrouw tot het overmaken van een rogatoire commissie.

Later kan blijken dat er meer goederen zijn dan in deze procedure is gebleken. In dat geval kan alsnog een verdeling van die goederen worden gevorderd en kunnen eventuele schulden (toevoeging van de rechtbank: naar de rechtbank begrijpt: de werkelijke, lees grotere geldleningen van de man dan die het hof hierboven maximeert op EUR 9.800,=) worden verrekend.

2.10. Bij eindbeschikking van 8 oktober 2008 stelt het hof dat van de zijde van de vrouw ter griffie zijn binnengekomen brieven d. dis 4, 5 en 19 augustus 2008, alle met bijlagen, van mr. Dommerholt.

3. Beoordeling

in conventie en in reconventie

3.1. Met het geven van deze beschikkingen door het hof staat naar het oordeel van de rechtbank vast dat het hof aan [B], voor zover thans van belang, in totaal drie geldschulden heeft toebedeeld (aan [C], Wijthmen holding BV en aan [B]) en de gezamenlijke omvang van deze schulden in het kader van de verdeling tussen partijen heeft gemaximeerd op EUR 9.800,= tegen welke (identieke) waarde het hof de Poolse aandelen aan [B] toedeelde. Anders geformuleerd, het hof heeft de (positieve waarde van de) aandelen aan [B] toegedeeld en deze ‘weggestreept’ tegen (een door het hof gemaximeerde negatieve waarde van) de genoemde geldleningen.

3.2. Daarmee vervalt de primaire stelling van [A] dat het hof in het kader van de verdeling van de tussen partijen ontbonden huwelijksgoederengemeenschap tot op heden nog niet heeft beslist over (de waarde van, naar [A] stelt, door [B] onterecht verzwegen respectievelijk verborgen gehouden) vermogensbestanddelen van [B] in Polen en dat verdeling/vergoeding van deze vermogensbestanddelen eerst in onderhavige procedure als punt van geschil voorligt, zodat de rechtbank hieromtrent thans voor het eerst dient te beslissen.

3.3. Integendeel, het hof heeft in de voorafgaande verdelingsprocedure tussen partijen in hoger beroep de omvang van de geldleningen van [B] in rechte definitief vastgesteld, althans gemaximeerd en deze geldleningen aan [B] toegedeeld evenals de Poolse aandelen met inbegrip van, naar de rechtbank begrijpt, alle daaruit voor [B] voortvloeiende aanspraken krachtens en jegens de Poolse B.V.. Bovendien heeft het hof aan het dictum in zijn eindbeschikking toegevoegd dat het het meer of anders verzochte afwees.

3.4. Het beroep van [A] op de uitspraak van de Hoge Raad d.d. 10 april 2009, LJN:BH2465 treft geen doel. In die uitspraak gaat het om een door de Hoge Raad toegestane aanvulling van een rechterlijke uitspraak in een situatie dat sprake is van een abusievelijke omissie vanwege een ‘afwijzing van het meer of anders verzochte’ in het dictum.

3.5. Voor zover in de hierboven onder 2.9 geciteerde overwegingen van het hof - in het bijzonder in het licht van rechtsoverweging 41 van eerdergenoemde tussenbeschikking - door het hof ruimte is gecreëerd voor een heropening van het juridisch debat over beweerdelijke vermogensbestanddelen van [B] in Polen, beklemtoont de rechtbank dat voorop staat dat zij het in strijd met een goede procesorde acht indien in het licht van een eindbeslissing van het hof, waarbij een verzoek zoals het onderhavige van [A] tot (nadere) verdeling van vermogensbestanddelen, ondanks het overleggen van daarop gerichte bescheiden in die procedure, is gestrand op de stelplicht, in het licht van dat rechtsoordeel - dat mede vanwege het niet instellen van cassatie thans ook voor de rechtbank uitgangspunt moet vormen - een nieuwe procedure wordt gestart om opnieuw te verzoeken wat het hof reeds heeft afgewezen, in het bijzonder indien niet thans voldaan wordt aan hoge eisen inzake stelplicht (en bewijslast).

3.6. In casu geldt dat [A] naar het oordeel van de rechtbank, in navolging van eerdergenoemd oordeel van het hof, andermaal niet voldoet aan de van haar te vergen stelplicht. Immers ter aanvulling van haar stelplicht heeft [A] in de onderhavige procedure als nieuwe bescheiden slechts overgelegd merendeels niet vertaalde Poolse bescheiden (producties 6 a tot en met c van de akte overlegging producties van 26 november 2008).

3.7. Dienaangaande merkt de rechtbank op dat enerzijds niet valt in te zien waarom [A] deze stukken niet (vertaald) aan het hof heeft overgelegd, en blijkbaar ook niet gepoogd heeft deze stukken in aanvulling op haar brief van 6 december 2007 respectievelijk na de tussenbeschikking d.d. 16 juli 2008 van het hof, bij haar brieven van 4, 5 en 19 augustus 2008 over te leggen aan het hof, terwijl dat lopende de procedure in hoger beroep (wellicht) gekund had, gelet op het ter beschikking komen van deze stukken in juli 2008.

3.8. Anderzijds - en dat klemt en acht de rechtbank doorslaggevend - heeft [A] naar het oordeel van de rechtbank niet duidelijk kunnen maken wat de relevantie is van deze “nova” in aanvulling op de reeds voorhanden en wél aan het hof overgelegde stukken, te minder nu de stukken 6a tot en met c voornoemd blijkbaar zien op een tijdvak na ontbinding van het huwelijk van partijen. Immers niet valt in te zien op welke wijze deze stukken concretiseren en/of verduidelijken dat de investeringen van [B] in Polen in de Poolse B.V., voor zover al door hem ten tijde van het huwelijk gedaan, niet kunnen zijn gefinancierd met aanzienlijke geldleningen van [B], die het hof naar eerder gereleveerd in het kader van de toedeling aan [B] heeft gemaximeerd op de waarde van de Poolse aandelen ad EUR 9.800,=.

3.9. Evenmin blijkt uit deze stukken dat [B] op eigen naam vermogensbestanddelen heeft verworven respectievelijk dat investeringen door de Poolse BV zijn gefinancierd via in 2001 nog aanwezige spaargelden uit de huwelijksgoederengemeenschap van partijen, zoals [A] stelt. Voor deze stellingen van [A] ontbreekt (opnieuw) iedere feitelijk verifieerbare onderbouwing, zodat de vordering van [A] tot nadere verdeling/vergoeding van vermogensbestanddelen in Polen dient te worden afgewezen.

3.10. Van een verzwijgen respectievelijk van een apert incorrecte opgave van activa behorend tot de ontbonden huwelijksgoederengemeenschap van partijen door [B] en van een al dan niet deswege door [B] verbeuren van de tegenwaarde van deze activa respectievelijk van dwangsommen wegens het niet nakomen van een rechterlijke uitspraak door [B] - nog in het midden gelaten het subsidiaire beroep op verjaring door [B] - is geen sprake. Voor toewijzing van enig andere vordering uit de akte wijziging van eis van [A] bestaan evenmin termen.

3.11. Een verdeling tussen partijen van de door [A] gemaakte kosten voor de notaris wijst de rechtbank af. Deze kosten komen voor rekening van [A], omdat deze (uitvoerings)kosten voortvloeien uit de beslissing van het hof.

3.12. Tussen partijen is niet in geschil dat [B] vanwege een eerdere proceskostenveroordeling een bedrag ad EUR 2.964,64 aan [A] dient te voldoen. [A] beschikt reeds over een executoriale titel ter zake, zodat hieromtrent niet opnieuw hoeft te worden beslist.

3.13. Voor een verrekening van laatstgenoemde vordering tussen partijen vanwege de door [B] betaalde kosten aan Trailfinders B.V., zoals door [B] in reconventie gevorderd, bestaat geen aanleiding. Deze nieuwe, door [A] betwiste vordering van min of meer ondergeschikt belang stuit reeds af op het oordeel van het hof in rechtoverweging 15 van de beschikking d.d. 9 oktober 2008 dat ‘rechtsgeschillen op een gegeven moment een einde dienen te vinden en dat dat moment naar ’s hofs oordeel is gekomen’. De rechtbank verenigt zich met deze overweging en neemt deze over, omdat het hof hiermee aangeeft dat het na vijf jaar intensief procederen tussen partijen over (nevenvoorzieningen van) de echtscheiding over en uit moet zijn.

3.14. Gelet op de relatie tussen partijen zullen de proceskosten tussen hen worden gecompenseerd, in die zin dat iedere partij de eigen kosten draagt.

4. De beslissing

De rechtbank

in conventie en in reconventie

4.1. wijst de vorderingen van partijen af,

4.2. compenseert de kosten van deze procedure tussen partijen, in die zin dat iedere partij de eigen kosten draagt.

Dit vonnis is gewezen door mr. L.M. Rijksen en in het openbaar uitgesproken op 2 september 2009.