Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBZLY:2009:BK3145

Instantie
Rechtbank Zwolle-Lelystad
Datum uitspraak
09-11-2009
Datum publicatie
12-11-2009
Zaaknummer
07.607166-09
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

poging zware mishandeling, voorwaardelijk opzet

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

RECHTBANK ZWOLLE - LELYSTAD

Sector Strafrecht - Meervoudige Strafkamer

Parketnr. : 07.607166-09

Uitspraak : 9 november 2009

Tegenspraak

Vonnis in de zaak van:

het openbaar ministerie

tegen

[verdachte]

geboren op [geboortedatum]

wonende te [adres]

1. Onderzoek ter terechtzitting

Het onderzoek ter terechtzitting heeft in het openbaar plaatsgevonden op 26 oktober 2009. Verdachte is verschenen, bijgestaan door mr. S. Kökburger, advocaat te Almere.

De rechtbank heeft kennisgenomen van de vordering van de officier van justitie

mr. M.W. van der Borg en van hetgeen door de raadsman van verdachte en door de verdachte naar voren is gebracht.

2. Tenlastelegging

De verdachte is ten laste gelegd dat:

1.

hij op of omstreeks 19 mei 2009 in de gemeente Almere ter uitvoering van het door verdachte voorgenomen misdrijf om aan (een) perso(o)n(en) genaamd [slachtoffer 1] en/of [slachtoffer 2], opzettelijk zwaar lichamelijk letsel toe te brengen, met dat opzet meermalen, in ieder geval éénmaal, (met kracht) met een schep, in ieder geval met een soortgelijk voorwerp, en/of met zijn, verdachtes, hand(en) op/tegen een raam, waarachter die [slachtoffer 1] en/of die [slachtoffer 2] zich (in de nabijheid) bevonden, heeft geslagen, terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid,

althans, indien het vorenstaande onder 1 niet tot een veroordeling mocht of zou kunnen leiden:

hij op of omstreeks 19 mei 2009 in de gemeente Almere opzettelijk mishandelend (een) perso(o)n(en) (te weten [slachtoffer 1] en/of [slachtoffer 2]), door toen aldaar, meermalen, in ieder geval éénmaal, (met kracht) met een schep, in ieder geval met een soortgelijk voorwerp, en/of met zijn, verdachtes, hand(en) op/tegen een raam, waarachter die [slachtoffer 1] en/of die [slachtoffer 2] zich (in de nabijheid) bevonden, heeft geslagen, waardoor deze letsel heeft/hebben bekomen en/of pijn heeft/hebben ondervonden.

2.

hij op of omstreeks 19 mei 2009 in de gemeente Almere [slachtoffer 3] en/of [slachtoffer 1] heeft bedreigd met enig misdrijf tegen het leven gericht, althans met zware mishandeling, immers heeft verdachte meermalen, in ieder geval éénmaal, opzettelijk dreigend

- (met kracht) met een schep, in ieder geval met een soortgelijk voorwerp, op/tegen een raam, waarachter die [slachtoffer 1] zich (in de nabijheid) bevond, geslagen en/of

- die schep, in ieder geval dat soortgelijk voorwerp, boven zijn, verdachtes, hoofd, in ieder geval omhoog, gehouden, terwijl hij, verdachte, op die [slachtoffer 3] afliep en/of (daarbij) deze(n) dreigend meermalen, in ieder geval éénmaal, de woorden toegevoegd : "Ik maak je dood, ik vermoord je, je gaat eraan.", althans (telkens) woorden van gelijke dreigende aard of strekking.

3.

hij op of omstreeks 19 mei 2009 in de gemeente Almere opzettelijk en wederrechtelijk een (tuin)hek en/of een raam (van een woning gelegen aan [adres]), in elk geval enig goed, geheel of ten dele toebehorende aan [slachtoffer 4] en/of woningbouwvereniging Ymere, in elk geval aan een ander of anderen dan aan verdachte, heeft vernield en/of beschadigd en/of onbruikbaar gemaakt, immers is/heeft hij, verdachte, toen aldaar, meermalen, in ieder geval éénmaal,

- op dat (tuin)hek gaan staan en/of

- (met kracht) tegen dat (tuin)hek getrapt/geschopt en/of

- (met kracht) met een schep, in ieder geval met een soortgelijk voorwerp, en/of met zijn, verdachtes, hand(en) op/tegen dat raam (van die woning gelegen aan [adres]) geslagen, waardoor dat (tuin)hek en/of dat raam (van een woning gelegen aan [adres]) is/zijn vernield en/of is/zijn beschadigd en/of onbruikbaar is/zijn gemaakt.

3. De voorvragen

De rechtbank heeft vastgesteld dat de dagvaarding geldig is, dat zijzelf bevoegd is tot kennisneming van de zaak, dat de officier van justitie ontvankelijk is in haar vervolging en dat er geen redenen zijn voor schorsing van de vervolging.

4. De bewijsmotivering

4.1 Vaststaande feiten

Op 19 mei 2009 verblijft [slachtoffer 3] met haar twee kinderen bij [slachtoffer 4] in Almere. Een collega van [slachtoffer 3], [slachtoffer 1], is op 19 mei 2009 bij hen op bezoek. Op die dag komt ook verdachte naar de woning van [slachtoffer 4] Verdachte is op dat moment nog getrouwd met [slachtoffer 3], maar feitelijk zijn ze uit elkaar. Als verdachte [slachtoffer 1] in de woning ziet, slaan bij hem de stoppen door. Hij wil de woning binnen. Verdachte gaat op het tuinhek staan, dat hierdoor kapot gaat. Vervolgens gaat hij de achtertuin in, pakt een schep en slaat daarmee een raam van de woning in. Vlak achter dit raam bevinden zich [slachtoffer 1] en [slachtoffer 2]. [slachtoffer 1] loopt door glassplinters verwondingen op. Ook [slachtoffer 2] loopt een wondje aan zijn kin op.

4.2 Bewijsmiddelen

De rechtbank komt tot voornoemde vaststaande feiten op grond van de navolgende bewijsmiddelen:

• de bekennende verklaring van verdachte zoals ter terechtzitting van 26 oktober 2009 afgelegd;

• het in de wettelijke vorm opgemaakte proces-verbaal met nummer 2009033908-17, inhoudende een verklaring van verdachte;

• het in de wettelijke vorm opgemaakte proces-verbaal met nummer 2009033908-1, inhoudende een aangifte van [slachtoffer 3];

• het in de wettelijke vorm opgemaakte proces-verbaal met nummer 2009033908-11, inhoudende een aanvullende verklaring van aangeefster [slachtoffer 3];

• het in de wettelijke vorm opgemaakte proces-verbaal met nummer 2009033908-2, inhoudende een verklaring van [slachtoffer 1];

• het in de wettelijke vorm opgemaakte proces-verbaal met nummer 2009033908-3, inhoudende een verklaring van [slachtoffer 4];

• het in de wettelijke vorm opgemaakte proces-verbaal met nummer 2009033908-12, inhoudende een aangifte van [slachtoffer 4] met de daarbij gevoegde foto’s.

4.3 Het standpunt van het Openbaar Ministerie

De officier van justitie heeft geconcludeerd tot bewezenverklaring van het onder 1 subsidiair, 2 en 3 ten laste gelegde.

4.4 Het standpunt van de verdediging

Verdachte heeft verklaard dat bij hem de stoppen doorsloegen. Hij heeft bekend dat hij het hek heeft vernield en met een schep een raam van de woning van [slachtoffer 4] heeft vernield, terwijl hij zag dat [slachtoffer 1] zich op dat moment achter het raam bevond.

De raadsman heeft zich voor wat de feiten betreft gerefereerd aan het oordeel van de rechtbank.

4.5 Bespreking standpunten

Naar het oordeel van de rechtbank kan het onder 1 primair ten laste gelegde wettig en overtuigend worden bewezen.

Verdachte heeft ter terechtzitting bekend dat hij met een schep een raam van de woning van [slachtoffer 4] heeft ingeslagen. Hij heeft verklaard dat toen hij [slachtoffer 1] in de woning zag bij hem de stoppen doorsloegen. Bij de politie heeft hij verklaard dat hij heeft gezien dat [slachtoffer 1] zich nog achter het raam bevond op het moment dat hij dit insloeg.

Wanneer men met een schep een raam inslaat waarachter zich personen bevinden, dan is de kans dat de personen die zich achter het raam bevinden zwaar lichamelijk letsel oplopen naar algemene ervaringsregels aanmerkelijk te noemen. Gedacht kan worden aan een glassplinter die in het oog terecht kan komen. Verdachte heeft door zijn handelen willens en wetens deze aanmerkelijke kans aanvaard.

Ten aanzien van het onder 2 ten laste gelegde overweegt de rechtbank het volgende.

Naar het oordeel van de rechtbank kan hetgeen onder het tweede gedachtestreepje ten laste is gelegd niet wettig en overtuigend worden bewezen. Aangeefster [slachtoffer 3] is de enige die hierover verklaart. Hetgeen onder het eerste gedachtestreepje ten laste is gelegd, kan wel wettig en overtuigend worden bewezen.

Ook het onder 3 ten laste gelegde beschadigen en vernielen van het tuinhek en het raam kan, gelet op de bekennende verklaring van verdachte en de aangifte, wettig en overtuigend worden bewezen.

5. De bewezenverklaring

De rechtbank acht wettig en overtuigend bewezen dat verdachte het onder 1 primair en onder 2 en 3 ten laste gelegde heeft begaan, met dien verstande dat:

1.

hij op 19 mei 2009 in de gemeente Almere ter uitvoering van het door verdachte voorgenomen misdrijf om aan personen genaamd [slachtoffer 1] en [slachtoffer 2] opzettelijk zwaar lichamelijk letsel toe te brengen, met dat opzet meermalen met kracht met een schep tegen een raam, waarachter die [slachtoffer 1] en die [slachtoffer 2] zich in de nabijheid bevonden, heeft geslagen, terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid.

2.

hij op 19 mei 2009 in de gemeente Almere [slachtoffer 1] heeft bedreigd met zware mishandeling, immers heeft verdachte meermalen opzettelijk dreigend met kracht met een schep tegen een raam, waarachter die [slachtoffer 1] zich in de nabijheid bevond, geslagen.

3.

hij op 19 mei 2009 in de gemeente Almere opzettelijk en wederrechtelijk een tuinhek en een raam van een woning gelegen aan [adres], toebehorende aan [slachtoffer 4] en/of woningbouwvereniging Ymere, heeft vernield of beschadigd, immers is/heeft hij, verdachte, toen aldaar,

- op dat tuinhek gaan staan en

- met kracht met een schep tegen dat raam van die woning gelegen aan de [adres] geslagen, waardoor dat tuinhek is beschadigd en dat raam is vernield.

Het meer of anders ten laste gelegde is niet bewezen en de verdachte wordt daarvan vrijgesproken.

6. Strafbaarheid

Het bewezene levert op;

1: Poging tot zware mishandeling, strafbaar gesteld bij artikel 302 juncto artikel 45 van het Wetboek van Strafrecht.

2: Bedreiging met zware mishandeling, strafbaar gesteld bij artikel 285 van het Wetboek van Strafrecht.

3: Opzettelijk en wederrechtelijk een goed dat geheel of ten dele aan een ander toebehoort vernielen en beschadigen.

De feiten en de verdachte zijn strafbaar, nu geen feiten of omstandigheden gebleken zijn die de strafbaarheid zouden opheffen of uitsluiten.

7. De strafoplegging

De officier van justitie, mr. M.W. van der Borg, heeft ter terechtzitting gevorderd de veroordeling van verdachte voor het onder 1 subsidiair, 2 en 3 ten laste gelegde tot een gevangenisstraf voor de duur van 12 maanden met aftrek van voorarrest, waarvan 6 maanden voorwaardelijk met een proeftijd van twee jaar en als bijzondere voorwaarde reclasseringstoezicht, ook als dat inhoudt behandeling bij De Waag.

Ten aanzien van de strafoplegging heeft de raadsman verzocht rekening te houden met het feit dat verdachte veel spijt heeft en open staat voor begeleiding. Door de verdediging is verzocht een gevangenisstraf op te leggen waarvan het onvoorwaardelijke deel gelijk is aan de tijd die verdachte reeds in voorlopige hechtenis heeft doorgebracht.

De rechtbank heeft de op te leggen straf bepaald op grond van de aard en de ernst van het bewezen en strafbaar verklaarde, op de omstandigheden waaronder het feit is begaan en de persoon van verdachte. Daarbij heeft de rechtbank in het bijzonder het navolgende in aanmerking genomen.

Verdachte heeft met een schep een raam ingeslagen waarachter zich in de nabijheid personen bevonden. Verdachte heeft door aldus te handelen geen respect getoond voor het lijf van anderen. Het is dan ook niet aan verdachte te danken dat er niemand ernstig gewond is geraakt. De rechtbank rekent het de verdachte zwaar aan dat hij aldus heeft gehandeld terwijl bovendien de twee kinderen van zijn echtgenote daarvan getuige waren en een van die kinderen bij dat raam stond en gewond is geraakt.

De rechtbank is in dit geval van oordeel dat een onvoorwaardelijke gevangenisstraf noodzakelijk is, omdat de aard en de ernst van het bewezen en strafbaar verklaarde door een lichtere strafrechtelijke afdoening van de zaak miskend zou worden. Bijzondere omstandigheden die tot een ander oordeel zouden moeten voeren, acht de rechtbank niet aanwezig.

Bij haar beslissing heeft de rechtbank rekening gehouden met:

- een de verdachte betreffend uittreksel justitiële documentatie d.d. 25 september 2009;

- een de verdachte betreffend psychologisch rapport d.d. 13 oktober 2009 uitgebracht door drs. R.A. Sterk, psycholoog;

- een de verdachte betreffend voorlichtingsrapport d.d. 30 juni 2009 uitgebracht door Reclassering Nederland;

- de overige stukken van het de verdachte betreffende persoonsdossier.

De psycholoog komt tot de conclusie dat bij verdachte sprake is van een gebrekkige ontwikkeling van de geestvermogens in de vorm van intellectuele capaciteiten op licht zwakzinnig niveau van een persoonlijkheid met antisociale en narcistische trekken. Verdachte moet in staat worden geacht om de wederrechtelijkheid van zijn handelen in te kunnen zien. Echter verdachte kan niet goed in staat worden geacht, gezien de gebrekkige ontwikkeling van zijn geestvermogens, overeenkomstig dat inzicht zijn wil in vrijheid te bepalen. De psycholoog adviseert om verdachte ten aanzien van het ten laste gelegde verminderd toerekeningsvatbaar te achten.

De rechtbank is van oordeel dat de deskundige op goede gronden tot het advies is gekomen en maakt het oordeel van de deskundige tot het hare.

De rechtbank acht het van groot belang, mede gelet op bovengenoemd rapportages, dat verdachte wordt begeleid en behandeld om zo te voorkomen dat hij opnieuw de fout in gaat. Verdachte heeft ter zitting verklaard open te staan voor begeleiding en behandeling. De rechtbank wil hem deze kans bieden en zal daarom het onvoorwaardelijke deel van de gevangenisstraf gelijk stellen aan de tijd die verdachte reeds in voorlopige hechtenis heeft doorgebracht.

8. Vordering van de benadeelde partij

De benadeelde partij [slachtoffer 4] wonende te Almere heeft zich met een vordering tot schadevergoeding ten bedrage van € 1.158, 49 gevoegd in het strafproces ten aanzien van het onder 3 ten laste gelegde.

De officier van justitie heeft geconcludeerd dat de vordering toegewezen kan worden tot een bedrag van € 158, 49.

De verdediging heeft zich aangesloten bij het standpunt van de officier van justitie.

De rechtbank is van oordeel dat bij het onderzoek ter terechtzitting is komen vast te staan, dat de benadeelde partij [slachtoffer 4] rechtstreeks schade heeft geleden van het ten laste van verdachte onder 3 bewezen verklaarde feit. De hoogte van de schade is gelet op het schade-onderbouwingsformulier genoegzaam komen vast te staan tot een bedrag van

€ 158,49 wegens beschadiging van het tuinhek. Omdat voor het meerdere niet op eenvoudige wijze vastgesteld kan worden of en in hoeverre die posten zijn veroorzaakt door het bewezen verklaarde feit en hoe hoog die schade is, zal de vordering van de benadeelde partij voor het meerdere niet-ontvankelijk worden verklaard.

De rechtbank zal voorts aan de verdachte op de voet van artikel 36f van het Wetboek van Strafrecht de verplichting opleggen tot betaling aan de Staat van bovengenoemde geldsom van € 158, 49 ten behoeve van het slachtoffer [slachtoffer 4], bij gebreke van betaling en verhaal te vervangen door 3 dagen hechtenis.

9. Toepasselijke wettelijke voorschriften

De beslissing berust op de artikelen 10, 14a, 14b, 14c, 14d, 36f, 45, 57, 285, 302 en 350 van het Wetboek van Strafrecht.

10. Beslissing

Het onder 1 primair, 2 en 3 ten laste gelegde is bewezen zoals hiervoor aangegeven en levert de strafbare feiten op, zoals hiervoor vermeld. De verdachte is deswege strafbaar.

Het onder 1 primair, 2 en 3 meer of anders ten laste gelegde is niet bewezen en de verdachte wordt daarvan vrijgesproken.

De rechtbank veroordeelt de verdachte tot een gevangenisstraf voor de duur van 360 dagen.

De tijd, door de verdachte vóór de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in verzekering en voorlopige hechtenis doorgebracht, zal bij de tenuitvoerlegging van de opgelegde gevangenisstraf in mindering worden gebracht.

Van de gevangenisstraf zal een gedeelte, groot 316 dagen, niet worden tenuitvoergelegd, tenzij de rechter later anders mocht gelasten op grond van het feit dat de verdachte zich voor het einde van een proeftijd van twee jaar aan een strafbaar feit heeft schuldig gemaakt of gedurende die proeftijd de hierna te melden bijzondere voorwaarde niet heeft nageleefd.

Als bijzondere voorwaarde wordt gesteld dat de verdachte zich gedurende de proeftijd zal gedragen naar de voorschriften en aanwijzingen, te geven door of namens Reclassering Nederland, ook als dat inhoudt behandeling bij De Waag of een soortgelijke instelling en/of begeleiding door MEE of een soortgelijke instelling, zulks zolang de reclassering of een door haar aan te wijzen andere reclasseringsinstelling dat gedurende de proeftijd nodig oordeelt, met opdracht aan die instelling als bedoeld in artikel 14d van het Wetboek van Strafrecht.

Het (geschorste) bevel tot voorlopige hechtenis wordt opgeheven.

De rechtbank wijst de vordering van de benadeelde partij [slachtoffer 4] toe tot een bedrag van € 158, 49.

De rechtbank veroordeelt verdachte mitsdien tot betaling aan de benadeelde partij

[slachtoffer 4] tot een bedrag van € 158, 49 vermeerderd met de wettelijke rente sinds de dag waarop het thans onder 3 bewezen verklaarde feit jegens de benadeelde partij werd gepleegd, te weten 19 mei 2009, tot die van de algehele voldoening. De rechtbank veroordeelt verdachte tevens in de kosten door de benadeelde partij gemaakt en ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog te maken, tot op heden begroot op nihil.

De rechtbank bepaalt dat de benadeelde partij voor wat het meer gevorderde betreft in haar vordering niet ontvankelijk is en dat zij haar vordering voor dat deel slechts bij de burgerlijke rechter kan aanbrengen.

De rechtbank legt aan de verdachte de verplichting op om, ten behoeve van het slachtoffer [slachtoffer 4] wonende te Almere, aan de Staat een bedrag te betalen van € 158, 49 bij gebreke van betaling en verhaal te vervangen door 3 dagen hechtenis.

De rechtbank bepaalt, dat indien verdachte heeft voldaan aan de verplichting tot betaling aan de Staat van een bedrag van € 158, 49 ten behoeve van het slachtoffer [slachtoffer 4], daarmee de verplichting van verdachte om aan die benadeelde partij een bedrag van € 158,49 te betalen komt te vervallen, en dat, indien de verdachte heeft voldaan aan de verplichting tot betaling van voormeld bedrag aan die benadeelde partij, daarmee de verplichting tot betaling aan de Staat van dat bedrag komt te vervallen.

Aldus gewezen door mr. A.W.M. van Hoof, voorzitter, mrs. S. E. Bins-van Waegeningh en W.F. Roelink, rechters, in tegenwoordigheid van mr. A. Seuters als griffier en uitgesproken ter openbare terechtzitting van 9 november 2009.